Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4740

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3907
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pw, boete, benadelingsbedrag, aantonen. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete kan niet zomaar worden uitgegaan van het benadelingsbedrag dat het college van betrokkene wegens schending van de inlichtingenverplichting terugvordert. Voor de terugvordering van het benadelingsbedrag is immers – slechts – vereist dat verweerder de hoogte van het benadelingsbedrag aannemelijk maakt, terwijl verweerder voor het opleggen van een boete de hoogte van het benadelingsbedrag moet aantonen. De rechtbank ziet in onderhavig geval aanleiding om bij de vaststelling van de boete uit te gaan van een ander benadelingsbedrag dan bij de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/3907

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 september 2017

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(tezamen: eisers)

(gemachtigde: mr. I. Timmermans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn te Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2016 (primair besluit I) heeft verweerder eisers’ recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 10 november 2014 ingetrokken en beëindigd en een bedrag van € 8.889,41 teruggevorderd.

Bij besluit van 3 februari 2016 (primair besluit II) heeft verweerder aan eisers op grond van de Pw een boete opgelegd ter hoogte van € 840,-.

Bij besluit van 6 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen primair besluit I en II ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door I.C. den Besten.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De rechtbank heeft partijen met de brief van 13 juli 2017 gevraagd of zij (nogmaals) op een zitting willen worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn van vier weken gereageerd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eisers ontvangen sinds 10 november 2014 bijstand naar de norm voor gehuwden onder aftrek van WW. Naar aanleiding van een fraudemelding heeft verweerder een rechtmatigheidsonderzoek ingesteld. Daarvan is een rapport opgemaakt. Volgens dat rapport hield de melding in dat eiseres spullen afkomstig van [woonplaats] in [plaats] , waar eiseres vrijwilligerswerk deed, te koop aanbood via Marktplaats en Facebook. In het rapport staat ook dat door eiseres in de periode 10 november 2014 tot en met 19 oktober 2015 333 advertenties zijn geplaatst onder de gebruikersnaam ‘ [naam] ’ en dat de artikelen die te koop werden aangeboden, varieerden van tv’s, fietsen, scooter, kleding, tassen, schoenen en mobiele telefoons. De kleding die werd aangeboden bestond volgens het rapport uit kleding voor kinderen en voor volwassenen in diverse maten.

Intrekking en beëindiging

2. Verweerder heeft aan de intrekking en de beëindiging ten grondslag gelegd dat eisers de inlichtingenplicht hebben geschonden. Verweerder stelt in dat verband dat eiseres in de betrokken periode inkomsten heeft genoten door goederen te verkopen via Marktplaats en dat eisers dit niet hebben gemeld bij verweerder. Als gevolg hiervan is volgens verweerder het recht op bijstand van eisers niet vast te stellen en hebben eisers over de periode van 10 november 2014 tot en met 30 november 2015 een brutobedrag van € 8.889,41 teveel aan bijstand ontvangen.

3. Op grond van artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek en onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4. In dit verband acht de rechtbank het volgende van belang. Eiseres erkent dat zij goederen heeft gekocht om deze nadien te verkopen en dat zij dit niet bij verweerder heeft gemeld. Eisers erkennen ook dat eiseres inkomsten heeft genoten uit de verkoop van deze goederen via Marktplaats, dat zij deze inkomsten hadden moeten melden bij verweerder. De rechtbank overweegt dat er sprake is van schending van de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid van de Pw. Gelet op de aard en de hoeveelheid van de aangeboden goederen was er geen sprake van incidentele verkoop zodat moet worden aangenomen dat er sprake is geweest van handel. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:1202) levert schending van de inlichtingenplicht een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstand behoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op bijstand bestond.

5. Eisers stellen allereerst dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld. Eisers voeren in dat verband aan dat alle betalingen van de goederen die via Marktplaats zijn verkocht via de bank zijn gelopen. De bankrekening fungeert volgens eisers dan ook als een equivalent van een boekhouding.

6. Vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BW9395) is dat wanneer ondanks schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld, het bijstandsverlenend orgaan daartoe over dient te gaan. Indien na een schending van de inlichtingenplicht de door betrokkene achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, is het bijstandsverlenend orgaan, indien mogelijk, op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, waarbij het eventuele nadeel voor betrokkene, voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, gelet op de schending van de inlichtingenplicht voor diens rekening komt.

7. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat hetgeen door eisers is gesteld onvoldoende aanknopingspunten biedt op basis waarvan verweerder gehouden was de bijstand schattenderwijs vast te stellen. Niet uitgesloten kan worden dat eiseres naast de ontvangen betalingen per bank ook contant geld heeft ontvangen voor haar verkopen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres 333 advertenties heeft geplaatst op Marktplaats en daartegenover slechts twintig betalingen van particulieren heeft ontvangen op haar bankrekening. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres in de advertenties heeft vermeld dat de goederen per post kunnen worden verzonden, maar ook kunnen worden afgehaald. De bankrekening kan naar het oordeel van de rechtbank, in tegenstelling tot hetgeen eisers stellen, niet worden aangemerkt als een deugdelijke administratie van alle ontvangsten voor de door eiseres aangeboden en verkochte goederen.

8. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6. is overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat het recht op bijstand over de periode 10 november 2014 tot en met 30 november 2015 niet kan worden vastgesteld. Verweerder is daarom gehouden de ten onrechte ontvangen bijstand terug te vorderen. Verweerder heeft de terugvordering anders dan eisers voorstaan terecht niet beperkt tot het totaal van de bedragen die zij op hun bankrekening hebben ontvangen voor de verkoop van goederen, maar berekend op het totaal van bijstand die eisers in de periode van 10 november 2014 tot en met 30 november 2015 bruto hebben ontvangen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eisers in alle maanden van de betrokken periode op Marktplaats goederen te koop hebben geboden. Niet in geschil is dat het totaal aan bijstand dat eisers in die periode hebben genoten bruto € 8.889,41 bedraagt.

Boete

9. Verweerder heeft aan de boete ten grondslag gelegd dat eisers de inlichtingenplicht hebben geschonden en als gevolg daarvan een bedrag van € 8.889,41 teveel aan bijstand hebben ontvangen. Verweerder is bij de vaststelling van de boete uitgegaan van 25% van het benadelingsbedrag op de grond dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Voorts heeft verweerder rekening houdend met de draagkracht van eisers de boete gematigd tot zes maal 10% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm. Verweerder heeft de hoogte van de boete aldus vastgesteld op € 840,-.

10. In artikel 18a, eerste lid, van de Pw is, voor zover hier van belang, bepaald dat het college een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag van de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid van die wet. In artikel 18, tweede lid, van de Pw is bepaald dat onder benadelingsbedrag wordt verstaan het (netto)bedrag aan bijstand dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen.

11. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast van de beboetbare gedraging op verweerder rust. Ingevolge vaste rechtspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:3024) geldt bij boeten voor het bestuursorgaan een verzwaarde bewijslast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de bankafschriften en de verklaringen van eiseres daaromtrent voldoende aangetoond dat de inlichtingenverplichting is geschonden en dat deze eiseres verwijtbaar is. Dat betekent dat er in beginsel een boete dient te worden opgelegd. Artikel 18a van de Pw verbindt de hoogte van de boete aan het benadelingsbedrag. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete kan echter niet zomaar worden uitgegaan van het benadelingsbedrag dat het college van betrokkene wegens schending van de inlichtingenverplichting terugvordert. Voor de terugvordering van het benadelingsbedrag is immers – slechts – vereist dat verweerder de hoogte van het benadelingsbedrag aannemelijk maakt, terwijl verweerder voor het opleggen van een boete de hoogte van het benadelingsbedrag moet aantonen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat eiseres heeft verklaard dat zij niet alle goederen via Marktplaats heeft verkocht, maar dat zij het restant is kwijtgeraakt door dit weg te geven via een Facebooksite. De rechtbank acht die verklaring niet op voorhand geheel onaannemelijk. Verweerder heeft nagelaten de juistheid daarvan te onderzoeken. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat eiseres de goederen die zij niet per bank via Marktplaats heeft verkocht wel op een andere wijze heeft verkocht en daarvoor geld heeft ontvangen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet overtuigend heeft aangetoond dat eiseres goederen heeft verkocht tot het totaal van de verstrekte bijstand en dat het benadelingsbedrag dus hieraan niet gelijk te stellen is. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit voor zover dit ziet op de boete, vernietigen en het primaire besluit II herroepen. Gelet op artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. In dit verband acht de rechtbank het volgende van belang.

12. Eisers hebben erkend dat eiseres in 2014 € 43,35 heeft verdiend met de verkoop van goederen via Marktplaats. Dit bedrag komt overeen met de ontvangsten volgens de bankafschriften over de periode van 1 november 2014 tot 1 januari 2015. Voorts hebben eisers erkend dat eiseres in 2015 een bedrag van € 478,30 heeft verdiend met de verkoop van goederen via Marktplaats. Uit de bankafschriften over 2015 is de rechtbank niet gebleken van meer verdiensten. Eiseres heeft in de periode van 10 november 2014 tot en met 13 januari 2016 dus een bedrag van € 521,65 verdiend met de verkoop van goederen via Marktplaats. Nu verweerder niet heeft aangetoond dat eisers meer opbrengsten hebben genoten uit de verkoop van goederen, moet er voor de boete vanuit worden gegaan dat het benadelingsbedrag € 521,65 is.

13. Verweerder is bij het opleggen van de boete uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere graad van verwijtbaarheid. Het percentage van 25% is in overeenstemming met hetgeen in artikel 2, vijfde lid, van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten in verband daarmee is bepaald. De boete dient daarom te worden vastgesteld op 25% van het benadelingsbedrag, zijnde € 130,41 (25% x € 478,30). De rechtbank ziet geen aanleiding voor verdere matiging van de boete. Aangenomen moet worden dat eiseres dat bedrag in zes maanden kan betalen.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op het primair besluit II;

- herroept primair besluit II;

- bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 130,41;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht groot € 46,- aan hen vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Linssen, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. E.C.G. Okhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J.H. Boerhof, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 18 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.