Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4736

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
17_1806
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 21 Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.

Gefinancierde rechtsbijstand. Samenhang in strafzaken. Geen inhoudelijke verknochtheid, omdat in twee zaken verschillende strafbare feiten ten laste zijn gelegd. Dat per dagvaarding één ten laste gelegd delict wel overeenkomt met de andere dagvaarding maakt dit niet anders. Gegrond beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/1806

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

mr. [eiser] , te [plaats] , eiser,

en

het Bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch, verweerder (gemachtigden: mr. M. Rutten en J.C.W. Bronk).

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de vergoedingen voor gefinancierde rechtsbijstand in twee zaken gemuteerd wegens samenhang.

Bij besluit van 15 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft op basis van twee toevoegingen met nummers [toevoeging 1] [toevoeging 2] rechtsbijstand verleend in twee strafzaken aan dezelfde cliënt. In die strafzaken zijn twee afzonderlijke dagvaardingen uitgebracht. In de eerste dagvaarding (inzake zaak [toevoeging 1] ) zijn aan de cliënt van eiser (1) gekwalificeerde diefstal, (2) afpersing en (3) poging tot afpersing ten laste gelegd. In de tweede zaak (inzake zaak [toevoeging 2] ) zijn aan eisers cliënt (1) zware, althans subsidiair lichte mishandeling, (2) belediging van een agent en (3) diefstal met (bedreiging van) geweld ten laste gelegd. Beide zaken zijn op 4 juli 2016 gelijktijdig in de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland behandeld en op 18 juli 2016 is gelijktijdig uitspraak gedaan. Op 12 en 26 augustus 2016 heeft verweerder de vergoedingen vastgesteld. Op 2 november 2016 heeft verweerder een steekproef uitgevoerd in het kader van het High-Trust-programma. Verweerder heeft in het primaire besluit samenhang aangenomen tussen beide zaken. In verband daarmee heeft verweerder de vergoeding in zaak [toevoeging 2] vastgesteld op € 3.046,30 en de vergoeding in zaak [toevoeging 1] op nul gesteld.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de mutatie van de vergoedingen gehandhaafd, omdat sprake is van zowel procedurele samenhang als inhoudelijke verknochtheid.

3. Eiser heeft aangevoerd dat geen sprake is van inhoudelijke samenhang, omdat het evident gaat om verschillende feiten op afzonderlijke dagvaardingen. Op de ene dagvaarding staan enkel vermogensdelicten, op de andere (ook) geweldsdelicten. Voegen van zaken leidt niet per definitie tot inhoudelijke verknochtheid. Ook samenvoegen op een dagvaarding betekent niet automatisch samenhang. Er had een inhoudelijke toets moeten plaatsvinden, ter beoordeling van de inhoudelijke verknochtheid.

4. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die integraal onderdeel is van deze uitspraak.

5.1

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat tussen beide zaken procedurele samenhang bestaat. In geschil is of deze zaken naar hun aard verknocht zijn.

5.2

Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij niet bestrijdt dat er tussen de delicten op elke afzonderlijke dagvaarding wel samenhang bestaat, maar dat inhoudelijke verknochtheid tussen de zaken die op de verschillende dagvaardingen staan ontbreekt. Verweerder heeft zich mede ter zitting op het standpunt gesteld dat op grond van zijn beleid alleen de overeenkomsten tussen de dagvaardingen relevant zijn en niet de verschillen. In beide dagvaardingen is het delict diefstal ten laste gelegd. Daarmee is volgens verweerder sprake van inhoudelijke verknochtheid tussen beide strafzaken; dat er verder in ieder van beide dagvaarding nog delicten ten laste worden gelegd die niet in de andere dagvaarding voorkomen, doet dan niet ter zake.

5.3

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet voorop worden gesteld dat zaken niet identiek aan elkaar hoeven te zijn om als naar hun aard verkocht te worden aangemerkt (zie bij voorbeeld de uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3374). De regelgever had met het vereiste dat zaken verknocht moeten zijn voor ogen dat er een inhoudelijke samenhang is tussen de zaken in die zin dat ze betrekking hebben op dezelfde problematiek (zie bij voorbeeld de uitspraak van 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8837). Volgens het vaststelbeleid van verweerder op grond van artikel 21 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) zoals dat ten tijde van belang luidde is geen sprake van samenhang als er sprake is van verschillende strafbare feiten op afzonderlijke dagvaardingen bijvoorbeeld bedreiging en diefstal, dit ondanks de gelijktijdige behandeling. In eisers geval zijn er aan zijn cliënt op beide dagvaardingen verschillende strafbare feiten ten laste gelegd. Immers, alleen op de dagvaarding inzake zaak [toevoeging 1] komen afpersing en poging tot afpersing voor en alleen op de dagvaarding inzake zaak [toevoeging 2] komen (poging tot zware) mishandeling en belediging voor. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat tussen de twee dagvaardingen samenhang bestaat. Dat per dagvaarding één van de drie ten laste gelegde delicten wel overeenkomt met de andere dagvaarding kan daar gelet op het ten tijde van belang geldende beleid niet aan afdoen. Door wel samenhang aan te nemen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet overeenkomstig zijn beleid gehandeld. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1777).

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de vergoedingen in beide zaken opnieuw zullen moeten worden berekend en vastgesteld en de rechtbank niet over alle daarvoor benodigde gegevens beschikt. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.

7. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank zal verweerder niet veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, nu geen sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.E. van Zoeren, rechter, in tegenwoordigheid van N. Renjaan, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

de griffier is verhinderd te tekenen

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

De op het geschil betrekking hebbende bepalingen uit het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 luiden als volgt:

Artikel 11

1. Als samenhangende procedures worden beschouwd zaken die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 7, zijn behandeld, en waarvoor één rechtsbijstandverlener is toegevoegd of meer dan één rechtsbijstandverlener mits zij deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en voor zover de zaken naar hun aard verknocht zijn.

2. In samenhangende procedures waarin twee of meer rechtzoekenden een of meer procedures voeren, wordt in afwijking van het eerste lid van artikel 5, aan de procedures gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal punten te vermenigvuldigen met de navolgende percentages, al naar gelang het aantal toevoegingen: 2–3: 150%; 4–6: 200%; 7–10: 300%; 11–15: 400%;16–21: 500%; elke volgende 10: 100% extra.

3. In samenhangende procedures waarbij één rechtzoekende meer dan één procedure voert, wordt in afwijking van het eerste lid van artikel 5, aan de procedures gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal punten te verhogen met 50% voor elke procedure, met uitzondering van de eerste.

4. Indien samenhangende procedures gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend op een zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 zijn behandeld, wordt deze zitting voor de toekenning van de punten, bedoeld in het tweede lid van artikel 7, aangemerkt als één zitting.

5. Op samenhangende procedures die in cassatie zijn gevoerd zijn het tweede, derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de berekening, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt toegepast op vijftien punten.

6. Op een procedure inzake een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21

1. Als samenhangende strafzaken worden beschouwd zaken die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 18, zijn behandeld, en waarvoor één rechtsbijstandverlener is toegevoegd of meer dan één rechtsbijstandverlener mits zij deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en voor zover de zaken naar hun aard verknocht zijn.

2. In samenhangende strafzaken waarbij twee of meer rechtzoekenden zijn betrokken bij een of meer zaken, wordt in afwijking van artikel 14, aan de zaken gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal punten te vermenigvuldigen met de navolgende percentages, al naar gelang het aantal zaken: 2–3: 150%; 4–6: 200%; 7–10: 300%; 11–15: 400%;16–21: 500%; elke volgende 10: 100% extra.

3. In samenhangende strafzaken waarbij één rechtzoekende is betrokken bij meer dan één zaak, wordt in afwijking van artikel 14, aan de zaken gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal punten te verhogen met 50% voor elke zaak, met uitzondering van de eerste.

4. Indien samenhangende strafzaken gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend op een zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 18 zijn behandeld, wordt deze zitting voor de toekenning van de punten, bedoeld in het tweede lid van artikel 18, aangemerkt als één zitting.

5. Op samenhangende strafzaken die bij de Hoge Raad aanhangig zijn gemaakt zijn het tweede, derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de berekening, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt uitgegaan van de strafzaak waaraan op grond van artikel 15 het hoogste aantal punten wordt toegekend.

Het op het geschil betrekking hebbend beleid van verweerder luidt als volgt:

Art. 21 Bvr Samenhang in strafzaken

Vaststelbeleid

Algemeen

De werkwijze is gelijk aan die voor samenhangende civiel- en bestuursrechtelijk procedures (artikel 11 Bvr).

Er is sprake van samenhangende strafzaken als de rechter of de OvJ besluit tot voeging, gelijktijdige of –nagenoeg- aansluitende behandeling van zaken ter zitting of terechtzitting. Het gaat dan om zaken met een verdachte die voor meerdere feiten ter zitting of terechtzitting moet verschijnen en aan wie meer dan één toevoeging is verstrekt, al dan niet ambtshalve. Daarnaast kun je ook zaken met meerdere verdachten als samenhangende strafzaken beoordelen. Denk hierbij aan het medeplegen van een bepaald delict (bijvoorbeeld geweldpleging/toebrengen van letsel door een groep of diefstal in vereniging).

Geen samenhang

De samenhangregeling is niet van toepassing:

  • -

    Tussen ‘strafzaken – verdachten’ (S-zaken) en ‘strafzaken – niet verdachten’ (Z-zaken).

  • -

    Als er sprake is van verschillende strafbare feiten op afzonderlijke dagvaardingen bijvoorbeeld bedreiging en diefstal, dit ondanks de gelijktijdige behandeling.

  • -

    Als er sprake is van sepot en de zaak is voor zitting beëindigd.