Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4733

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 652
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding in bezwaar. Artikel 7:15 van de Awb.

Besluit tot het opleggen van een verzuimboete herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid? Ja, want de te late aangifte omzetbelasting, die was beboet, is in feite veroorzaakt door een fout in het IT-systeem van de Belastingdienst. Toch geen gegrond beroep, omdat de kosten van eiser niet voor vergoeding in aanmerking komen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Belastingrechter onbevoegd voor zover het gaat om een verzoek tot het vergoeden van andere schade dan proceskosten. Artikel 8:88 van de Awb is als gevolg van overgangsrecht namelijk nog niet van toepassing in een belastingzaak als deze (over omzetbelasting). Rechtbank moet dus artikel 8:73 van de Awb toepassen en dat geeft alleen ruimte om schadevergoeding toe te kennen bij een gegrond beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-10-2017
FutD 2017-2471

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 17/652

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2017 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 3 februari 2017 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde aangifteverzuimboete van € 65.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017. Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [A] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft de verschuldigde omzetbelasting over het derde kwartaal van 2016 op 31 oktober 2016, dus tijdig, voldaan.

2. De aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2016 is echter niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk 31 oktober 2016, gedaan. Dit kwam doordat eiser niet tijdig beschikte over een werkende gebruikersnaam met wachtwoord. De oorzaak daarvan bleek na contact met de belastingtelefoon te zijn dat hij in het verleden voor een andere, gestaakte onderneming een gebruikersnaam had gehad, die was geblokkeerd zonder dat eiser dit wist. Uitstel voor het doen van aangifte kon hij telefonisch niet geregeld krijgen, maar op advies van de belastingtelefoon heeft hij wel tijdig betaald in afwachting van een nieuwe gebruikersnaam en een nieuw wachtwoord. Aan eiser is op 3 november 2016 een nieuwe gebruikersnaam toegezonden, gevolgd door een nieuw wachtwoord enkele dagen later. Direct daarna, op 10 november 2017, heeft eiser alsnog de onderhavige aangifte gedaan.

3. Verweerder heeft een aangifteverzuimboete opgelegd van € 65, omdat de aangifte te laat was gedaan. Hiertegen heeft eiser tijdig bezwaar gemaakt, waarbij hij ook heeft verzocht om een vergoeding van € 65 vanwege de ontstane administratieve lasten.

4. Bij uitspraak op bezwaar van 3 februari 2017 is de aangifteverzuimboete verminderd tot nihil. Daarbij is niet beslist op het verzoek om kostenvergoeding. Eiser heeft toen direct beroep ingesteld, met als beroepsgrond dat niet op het verzoek om kostenvergoeding was beslist.

5. Bij brief van 7 maart 2017 heeft verweerder alsnog beslist op het verzoek om kostenvergoeding en heeft verweerder dat verzoek afgewezen. Het beroep van eiser richt zich tegen die afwijzing.

6. Volgens artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de proceskosten in bezwaar alleen vergoed voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft aangevoerd dat geen sprake is van onrechtmatigheid. Volgens verweerder berust de vernietiging van de verzuimboete meer op welwillendheid dan dat het juist was. Bovendien is volgens verweerder geen sprake van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), omdat geen sprake is van beroepsmatige rechtsbijstand door een derde.

7. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij inmiddels begrijpt dat zijn kosten niet vergoed kunnen worden, omdat voor de proceskostenvergoeding het Besluit geldt en zijn kosten volgens het Besluit niet worden vergoed. Hij heeft bevestigd dat geen sprake is van kosten voor rechtsbijstand door een derde. Toch wil eiser het beroep niet intrekken, ondanks het aanbod van verweerder voorafgaand aan de zitting om eisers kosten van € 65 en het griffierecht van € 168 aan hem te vergoeden. Vanuit zijn beroep van organisatieadviseur wil eiser de situatie verbeteren. Hij hoopt dat door deze procedure bij de Belastingdienst een wijziging wordt doorgevoerd in de manier waarop wordt omgegaan met gebruikersnamen en wachtwoorden. Op die manier hoeven andere ondernemers niet net als hij moeite te doen en kosten te maken om de problemen op te lossen. Daarom wil eiser van de rechtbank antwoord op de vraag of verweerder onrechtmatig heeft gehandeld.

8. Niet in geschil is dat de uitzondering van paragraaf 22, vierde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst niet van toepassing is, omdat de aangifte is gedaan later dan zeven dagen na afloop van de wettelijke aangiftetermijn. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om de verzuimboete op te leggen vanwege de te late aangifte. In zoverre was dus geen sprake van onrechtmatigheid. Toch heeft verweerder de boete vernietigd.

9. Doordat het besluit tot het opleggen van de aangifteverzuimboete door verweerder is herroepen, staat in beginsel de onrechtmatigheid van het besluit vast. Daarop bestaan echter uitzonderingen. Van een onrechtmatigheid is geen sprake, indien de herroeping het gevolg is van gewijzigde wettelijke voorschriften die van toepassing zijn of nieuwe beleidsinzichten. Daarvan is echter geen sprake. Evenmin is sprake van een situatie waarbij het aan eiser zelf is te wijten dat het bestuursorgaan een fout maakte. Eiser kon het niet helpen dat zijn gebruikersnaam was geblokkeerd zonder dat hij dit wist. Hij kon het ook niet helpen dat hij niet tijdig over een nieuwe gebruikersnaam en een nieuw wachtwoord kon beschikken. Het beboete verzuim is in feite veroorzaakt door een fout in het IT-systeem van de Belastingdienst. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van een situatie waarin herroeping plaatsvindt vanwege de aanwezigheid van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In zoverre is het gelijk aan eiser.

10. Dit leidt echter niet tot vergoeding van de € 65 die eiser heeft gevraagd. Artikel 7:15, tweede en vierde lid, van de Awb, in samenhang met het Besluit, bieden hiervoor geen grondslag, nu niet in geschil is dat geen sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ook is geen sprake van andere kosten die volgens het Besluit vergoed kunnen worden.

11. Voor zover eiser bedoeld heeft om andere schade te claimen dan proceskosten, wijst de rechtbank dat verzoek af. Artikel 8:88 van de Awb is namelijk als gevolg van overgangsrecht nog niet van toepassing in belastingzaken als deze. De rechtbank moet daarom nog steeds artikel 8:73 van de Awb toepassen op verzoeken om schadevergoeding. Volgens artikel 8:73 van de Awb kan een verzoek om schadevergoeding alleen worden gehonoreerd als het beroep gegrond is, hetgeen hier niet aan de orde is.

12. Voor zover het verzoek is gebaseerd op onrechtmatige daad, is de belastingrechter niet bevoegd om daarover te oordelen (zie artikel 8:71 van de Awb). De enige mogelijkheid die voor eiser resteert, is om een procedure bij de civiele rechter te beginnen op grond van onrechtmatige daad. In dat kader wijst de rechtbank erop dat bij de civiele rechter als uitgangspunt geldt dat niet vergoede proceskosten in verband met een bestuursrechtelijke procedure in beginsel niet als schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad kunnen worden geclaimd. Zie in dat verband artikel 8:75 van de Awb, dat voor de proceskostenvergoeding de bevoegdheid uitsluitend bij de bestuursrechter legt, en het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2004, AB 2005/111, ECLI:HR:2004:AQ3810.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.