Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4698

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1909, 15 - 1954, 15_1978
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2132, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning recyclingsbedrijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/1909, 15/1954 en 15/1978

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser 1] te [woonplaats] , eiser 1

(gemachtigde: mr. B. de Jong);

Stichting Almens Veld en Bos, te Almen, eiseres 2

(gemachtigde: mr. M.T. Hoen);

[eiser 3] , te [woonplaats] , eiser 3

(gemachtigde: mr. M.T. Hoen)

(hierna tezamen: eisers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [vestigingsplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft verweerder aan derde-partij (hierna: [derde-partij] ) een omgevingsvergunning verleend voor een rubberrecyclingbedrijf aan de [adres] in [vestigingsplaats] (hierna: het perceel) voor het binnenplans afwijken van het bestemmingsplan, het oprichten en in werking hebben van een inrichting en een omgevingsvergunning beperkte milieutoets.

Eisers hebben tegen dat besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 5 november 2015. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Smaling. Namens eiseres 2 is verschenen de gemachtigde. Eiser 3 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden T. Wallaard, J.A.J. Hoefnagels en ing. W. Halfman. Namens derde-partij zijn verschenen [Derde-partij 1] en [Derde-partij 2] .

Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een mediationtraject te doorlopen. Bij brief van 15 juli 2016 heeft verweerder de rechtbank bericht dat het mediationtraject niet is geslaagd en dat wordt verzocht om uitspraak te doen op de beroepen. Daarop heeft de rechtbank partijen verzocht om toestemming te verlenen de zaken zonder nadere zitting af te doen. Partijen hebben deze toestemming verleend. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Bij tussenuitspraak van 21 december 2016 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen 8 weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het besluit van 17 februari 2015 te herstellen.

Bij brief van 9 maart 2017 heeft de rechtbank op verzoek van verweerder uitstel verleend van de in de tussenuitspraak vermelde hersteltermijn omdat de mogelijkheden van mediation werden onderzocht.

Bij brief van 11 mei 2017 heeft verweerder meegedeeld dat de mediation niet tot concrete oplossingen heeft geleid en dat bij partijen behoefte bestaat aan duidelijkheid over de omgevingsvergunning. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 16 mei 2017 een aanvullende motivering ingediend en, voor zover het betreft het bedrijfsafvalwater, een herstelbesluit genomen.

Eisers hebben hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Bij brief van 18 augustus 2017 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat de samenstelling van de meervoudige kamer is aangepast. Partijen is verzocht toestemming te geven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Partijen hebben deze toestemming vervolgens gegeven.

Overwegingen

Algemeen

1. Het besluit van 16 mei 2017 is deels in de plaats getreden van het besluit van 17 februari 2015, namelijk voor zover het betreft de aanvulling op vergunningvoorschrift 3.1.2 en voor zover het betreft de vergunningvoorschriften 3.1.3 tot en met 3.1.6, over de eisen die worden gesteld aan het lozen van bedrijfsafvalwater. De rechtbank acht, gezien artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de beroepen die eiseres 2 en eiser 3 voor wat betreft het bedrijfsafvalwater tegen het besluit van 17 februari 2015 hebben ingesteld, mede gericht tegen het besluit van 16 mei 2017. Eiser 1 heeft tegen dit aspect van het besluit van 17 februari 2015 geen gronden ingediend.

1.1

Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 17 februari 2015 drie gebreken kent. Om de gebreken te herstellen, heeft zij verweerder opgedragen:

  • -

    waar het betreft de vraag of verweerder terecht toestemming heeft gegeven om binnenplans af te wijken van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Lochem 2010’, nader te motiveren of voor het aspect geluid en voor het aspect visuele hinder Topwood en [derde-partij] naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn;

  • -

    nader te motiveren of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 2.26, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en, indien dat het geval is, het in dat artikellid bedoelde advies te vragen en, wanneer dat advies is uitgebracht, hieraan de gevolgen te verbinden die verweerder geraden voorkomen.

De rechtbank zal de gebreken één voor één bespreken en verweerders herstelpoging beoordelen aan de hand van wat eisers daartegen hebben aangevoerd.

Geluid

3. Verweerder heeft in de aanvullende motivering de geluidproducerende activiteiten van Topwood en van [derde-partij] op een rij gezet (zie bijlage 2 bij de aanvullende motivering). De activiteiten van Topwood zijn ontleend aan het akoestisch onderzoek dat onderdeel uitmaakte van de aanvraag van een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer in december 2000.

Vervolgens heeft verweerder de activiteiten vergeleken en het volgende geconstateerd:

- [derde-partij] heeft beperktere bedrijfstijden dan Topwood;

- [derde-partij] en Topwood hebben vergelijkbare activiteiten in de werkplaats, te weten klein onderhoud en herstelwerkzaamheden;

- [derde-partij] heeft beperktere activiteiten met laden en lossen dan Topwood;

- [derde-partij] heeft aanzienlijk minder vrachtwagenbewegingen per dag dan Topwood. De verkeersaantrekkende werking voor personeel en bezoekers van [derde-partij] is vergelijkbaar met Topwood;

- [derde-partij] is in de reguliere bedrijfssituatie ten opzichte van Topwood gunstiger voor wat betreft de bedrijfstijden van de heftrucks en de mobiele kraan;

- [derde-partij] is minder gunstig dan Topwood waar het betreft de geluidbelasting door het incidenteel shredderen.

Deze vergelijking heeft verweerder tot de conclusie geleid dat [derde-partij] en Topwood voor wat betreft geluid naar invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn. Daartoe heeft verweerder overwogen dat enkel het shredderen minder gunstig is, maar dat dit ten hoogste 12 dagen per jaar is toegestaan in de dagperiode. Daarbij komt, zo stelt verweerder, dat bij Topwood geen incidentele geluidproducerende activiteiten plaatsvonden, maar dat deze wel aangevraagd hadden kunnen worden en waarschijnlijk vergund waren. Bovendien zijn de incidentele bedrijfsactiviteiten volgens verweerder ruimtelijk ondergeschikt. De locatie van de shredderinstallatie maakt slechts een beperkt deel uit van het buitenterrein en de totale bedrijfsvoering. Ook de opslag van het geshredderde rubber is ondergeschikt. Het shredderen leidt bovendien tot minder transportbewegingen, omdat een container meer geshredderd rubber kan bevatten dan hele banden. Dat betekent ook dat de stapels opgeslagen banden lager kunnen blijven, aldus verweerder.

3.1

Eisers hebben meerdere argumenten aangevoerd tegen de conclusie van verweerder. Allereerst plaatsen zij vraagtekens bij de aanname van verweerder voor het aantal vervoersbewegingen van Topwood en van [derde-partij] . Volgens hen zijn die van Topwood te hoog ingeschat en die van [derde-partij] te laag.

Dat betoog treft geen doel. De rechtbank ziet geen concrete aanknopingspunten waarom niet kan worden uitgegaan van de aannames van verweerder. De enkele verwijzing naar de praktijkervaringen van eisers met Topwood en met [derde-partij] , is onvoldoende voor een ander oordeel.

3.2

Voorts heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat het shredderen tot minder transportbewegingen en tot minder opslag leidt. De redenering van verweerder komt de rechtbank op deze punten niet onjuist voor.

3.3

Verder betogen eisers dat bij Topwood geen sprake was van bewerkingsactiviteiten en bij [derde-partij] wel. Reeds daarom levert [derde-partij] wat betreft geluid een grotere invloed op de omgeving op dan Topwood, aldus eisers.

De rechtbank volgt dat betoog niet. Het lag op de weg van verweerder om een vergelijking te maken van de activiteiten van Topwood en [derde-partij] . De kwalificatie van die activiteiten is daarbij niet van belang en draagt niet bij aan de beoordeling van de invloed op de omgeving.

3.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom [derde-partij] , ondanks de geluidbelasting van de incidentele bedrijfsactiviteiten, niettemin vergelijkbaar blijft met Topwood. Verweerder heeft daarbij betekenis mogen toekennen aan het incidentele karakter van de activiteiten en aan de locatie van de shredderinstallatie.

Gegeven deze conclusie ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaken te voorzien door het schrappen van de voorschriften die op deze incidentele activiteit zien.

3.5

Vervolgens wijzen eisers er op dat, nadat de autobanden zijn verwijderd van de metalen velgen, de verwijderde velgen in een container worden gestort. Dit levert volgens hen veel geluid op. Immers, 1 dag in de week worden 200 à 300 banden ontdaan van hun velgen en daarvan worden 50 – 100 velgen gezaagd, aldus eisers.

De rechtbank gaat er vanuit dat verweerder bij de beoordeling van de ruimtelijke impact van het verwijderen van de velgen van de banden, tevens heeft betrokken dat de velgen in een container worden gestort in de aantallen genoemd door eisers. Verweerder heeft daarin geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat [derde-partij] meer invloed op de omgeving heeft dan Topwood. De rechtbank kan er niet aan voorbijgaan dat blijkens het akoestisch rapport van Arcadis van 17 maart 2014 deze activiteiten inpandig plaatsvinden. Daarmee is de ruimtelijke uitstraling, ook wat betreft, geluid, beperkt te noemen. Het betoog faalt.

3.6

Eisers vrezen dat de vervoersbewegingen en de afvalstromen in de toekomst zullen toenemen.

Nog daargelaten dat deze stelling niet nader is onderbouwd, staat deze vrees los van de conclusie of de bedrijven Topwood en [derde-partij] vergelijkbaar zijn. Het betoog faalt.

3.7

Ten slotte wijst de rechtbank erop dat reeds in rechtsoverweging 5.4 van de tussenuitspraak de rechtbank is ingegaan op het betoog van eisers dat verweerder een onjuiste SBI-categorie heeft gehanteerd en op de betekenis van richtafstanden voor de beoordeling die hier aan de orde is.

3.8

De rechtbank concludeert dat verweerder met deze aanvullende motivering voor wat betreft geluid het besluit van 17 februari 2015 van een voldoende deugdelijke motivering heeft voorzien.

Visuele hinder

4. Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat Topwood en [derde-partij] naar aard en omvang van de invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn waar het gaat om visuele hinder.

4.1

Gelet op de stukken is voor de beoordeling van de visuele hinder in de eerste plaats van belang de opslag op het perceel. Topwood sloeg hout op. In de aanvullende motivering staat dat op 16 mei 2006 een nadere eis aan Topwood werd opgelegd om het risico op brand te beperken. Kort gezegd kwam deze nadere eis erop neer dat het hout niet hoger mocht worden opgestapeld dan tot 6 m, waarbij op sommige plekken het hout getrapt gestapeld moest worden, in treden met een hoogte van maximaal 2, 4 en 6 m. Verder moest een afstand van 8 tot 12 m worden aangehouden tot de perceelsgrens (zie bijlage 4 bij de aanvullende motivering). Verweerder heeft in de aanvullende motivering verder gesteld dat de hoogte van de opslag bij [derde-partij] maximaal 6 m is. Die hoogte wordt bepaald door de hoogte die de kraan op het terrein maximaal kan bereiken.

4.2

Eisers betogen dat, gezien de voorwaarden die zijn gesteld aan de opslag in de nadere eis, de opslag van Topwood minder visuele hinder veroorzaakt dan die van [derde-partij] . Dat bedrijf stapelt volgens hen banden op tot aan de rand van het perceel, tot een grotere hoogte dan Topwood deed. Zij hebben ter onderbouwing foto’s overgelegd.

4.3

Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 5.4 van de tussenuitspraak, is voor de beoordeling van deze hinder van belang de visuele uitstraling op de omgeving van de inrichting van de activiteiten van Topwood, zoals die op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan verricht mochten worden, vergeleken met die van [derde-partij] . Uitgaande van dat toetsingskader kan de rechtbank er niet aan voorbij gaan dat in het voor het perceel geldende bestemmingsplan noch voor Topwood noch voor [derde-partij] enige beperking is gesteld aan de hoogte of de begrenzing van de opslag op het perceel. Daarvan uitgaand kan niet worden gezegd dat [derde-partij] voor wat betreft visuele hinder een grotere invloed op de omgeving heeft dan Topwood. Weliswaar is aan Topwood een nadere eis gesteld waarin beperkingen zijn opgenomen aan de opslag, maar die eis is niet gesteld op grond van het bestemmingsplan. Aan die eis kan in het kader van een beoordeling van de ruimtelijke invloed op grond van het bestemmingsplan, zoals hier aan de orde, niet de betekenis worden toegekend die eisers eraan toekennen.

4.4

Voor de beoordeling van de visuele hinder is daarnaast van belang de zichtbaarheid van de opslag op het perceel.

Verweerder heeft hierover in de aanvullende motivering gesteld, kort gezegd, dat de omgeving van het terrein de afgelopen jaren niet is gewijzigd en dat begroeiing de opslag onttrekt aan het zicht. [derde-partij] heeft aangegeven aan de zuidzijde het terrein af te schermen door een hekwerk met klimplanten, wat een verbetering is ten opzichte van de situatie bij Topwood, aldus verweerder.

Eisers hebben hier tegenin gebracht, kort gezegd, dat niet geborgd is dat het hekwerk met klimplanten zal worden gerealiseerd. De opslag is vanuit het westen van de terreiningang en vanuit de oostzijde goed zichtbaar. Het grootste deel van het jaar onttrekt de begroeiing de opslag niet aan het zicht, aldus eisers.

De rechtbank is van oordeel dat Topwood en [derde-partij] vergelijkbaar zijn in dit opzicht. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat, zoals eerder gezegd, het bestemmingsplan geen beperkingen stelt aan de opslag. Evenmin stelt het bestemmingsplan eisen aan de landschappelijke inpassing van de inrichting. Zie in dit verband ook rechtsoverweging 5.6 van de tussenuitspraak. Voorts kan de rechtbank er niet aan voorbij gaan dat er geen aanknopingspunten zijn dat de zichtbaarheid van het terrein in de tijd dat Topwood er was gevestigd, anders was dan het geval is nu [derde-partij] er is gevestigd.

4.5

De conclusie is dat ook voor wat betreft het aspect visuele hinder het besluit van 17 februari 2015 aldus is voorzien van een deugdelijke motivering.

Tussenconclusie afwijken van het bestemmingsplan

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat Topwood en [derde-partij] naar aard en omvang een vergelijkbare invloed hebben op de omgeving. Dat betekent dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, van de Wabo.

De rechtbank ziet voorts geen aanknopingspunten dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruikt heeft kunnen maken.

Eisen aan het lozen van bedrijfsafvalwater

6. Verweerder heeft, zo blijkt uit de aanvullende motivering, in reactie op de tussenuitspraak en gelezen artikel 2.26, eerste lid, van de Wabo, het aanvraagformulier, de reactienota en de tussenuitspraak voor advies doorgestuurd naar het Waterschap Rijn en IJssel. Op 9 januari 2017 is het advies ontvangen.

6.1

Het waterschap adviseert in de eerste plaats om een maatwerkvoorschrift op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer te nemen. Dat maatwerkvoorschrift moet zien op een onderzoeksverplichting om het afstromende water van het niet verontreinigde hemelwater binnen een gestelde termijn af te koppelen van het gemeentelijk vuilwaterriool.

Eisers voeren aan dat onduidelijk is of dit maatwerkvoorschrift opgelegd zal worden. Verder kan het waterschap niet oordelen over de lozing op het Twentekanaal omdat Rijkswaterstaat daarover het bevoegd gezag is, aldus eisers.

Wat ook van dit betoog zij, verweerder moet worden gevolgd dat het al dan niet opleggen van een maatwerkvoorschrift zal dienen plaats te vinden op grond van het Activiteitenbesluit. Daarmee valt dit buiten de omvang van het geding.

6.2

Het waterschap adviseert voorts om voorschrift 3.1.2 aan te vullen en daarnaast nieuwe voorschriften 3.1.3 tot en met 3.1.6 op te nemen. Verweerder heeft vervolgens bij het herstelbesluit van 16 mei 2017 die voorschriften, zoals voorgesteld door het waterschap, overgenomen en verbonden aan de omgevingsvergunning. Deze voorschriften maken derhalve integraal onderdeel uit van de vergunning.

Het betoog van eiseres 2 en eiser 3 dat voorschrift 3.1.2 niet bestaat in de omgevingsvergunning, ontbeert feitelijke grondslag. Blijkens het besluit van 17 februari 2015 bevindt zich in hoofdstuk 3 van de vergunningvoorschriften, dat ziet op afvalwater, de voorschriften 3.1.1 en 3.1.2.

Voorts is volgens eiseres 2 en eiser 3 onduidelijk hoe de aanvullende voorschriften zich verhouden tot het Activiteitenbesluit.

Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, doet dit betoog echter niet af aan de rechtmatigheid van de aanvullende voorschriften.

Voor zover eiseres 2 en eiser 3 betogen dat niet duidelijk is wat de lozingsbelasting is van [derde-partij] en of voldaan kan worden aan de eisen van het Activiteitenbesluit, betreft dit de handhaving van het Activiteitenbesluit. Dit valt buiten de omvang van dit geding.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres 2 en eiser 3, voor zover gericht tegen het besluit van 16 mei 2017, ongegrond is.

Conclusie, griffierecht en proceskosten

7. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en op de gebreken die in de tussenuitspraak zijn geconstateerd, zijn de beroepen gegrond voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 17 februari 2015. De rechtbank vernietigt dat besluit. Omdat verweerder in zijn aanvullende motivering de gebreken in dat besluit heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen daarvan in stand. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres 2 en eiser 3 voor zover gericht tegen het besluit van 16 mei 2017 ongegrond.

8. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 17 februari 2015, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers de door hen betaalde griffierechten vergoedt.

9. Vanwege de gegrondverklaring van de beroepen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor eiser 1 vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Voor de proceskostenvergoeding voor eiseres 2 en eiser 3 geldt het volgende. Zij zijn beiden vertegenwoordigd door mr. Hoen. Die heeft namens elk van hen op gelijke gronden beroep ingesteld. Mr. Hoen heeft beide partijen vertegenwoordigd ter zitting en heeft namens elk van hen een nagenoeg gelijkluidende schriftelijke zienswijze gegeven op de tussenuitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dat leidt ertoe dat de proceskosten voor eiseres 2 en eiser 3 tezamen worden vastgesteld op € 1.237,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van eisers, voor zover gericht tegen het besluit van 17 februari 2015, gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 17 februari 2015;

  • -

    laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 februari 2015 in stand;

  • -

    verklaart de beroepen van eiseres 2 en eiser 3, voor zover gericht tegen het besluit van 16 mei 2017, ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op de betaalde griffierechten van € 167 (eiser 1), € 331 (eiseres 2) en € 167 (eiser 3) aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 1 tot een bedrag van € 1.237,50;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 2 en eiser 3 tot een bedrag van € 1.237,50, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B.J. Zippelius en mr. L.M. Koenraad, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Saedt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.