Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4618

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
05/860068-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Veroordeling van een 17-jarige jongen voor verkrachting. Het slachtoffer is een vrouw van middelbare leeftijd. Zij is in het buitengebied ’s avonds van haar fiets getrokken en met veel geweld (keel dichtknijpen, slaan in het gezicht) verkracht.

Bij de dader is sprake van een complex aan niet eerder gediagnosticeerde stoornissen. Verminderde toerekeningsvatbaarheid. Langdurige en intensieve behandeling is noodzakelijk. Daarom verplichte opname in een gespecialiseerde forensische jeugdkliniek.

Geen eerdere veroordelingen en geen eerdere behandelingen. Sanctie: jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ maatregel. Schadevergoeding materieel en immaterieel. Materiële schade bestaande onder andere uit verlies inkomen en kosten huishouden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0732

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/860068-17

Datum uitspraak : 5 september 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[naam]

geboren op 22 januari 1999 te [geboorteplaats],

verblijvende in GGzE De Catamaran, [adres],

raadsvrouw: mr. P.W.E. Hoezen, advocaat te Winterswijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 22 augustus 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de nacht van 19 november 2016 op 20 november 2016 te

Zelhem, gemeente Bronckhorst, in ieder geval in Nederland,

door geweld en/of door één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging

met geweld en/of met één of meer andere feitelijkheden,

een persoon, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen tot het ondergaan van één

of meer handelingen, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van haar

lichaam, immers heeft verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht, en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht, en/of

- één of meer van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] gebracht, en/of

- zich door die [slachtoffer] aan zijn penis laten betasten, en/of

- de borsten van die [slachtoffer] betast, en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht,

waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of die

bedreiging met geweld en/of met die één of meer andere feitelijkheden er in

heeft bestaan dat verdachte

- die [slachtoffer] rond middernacht, op een afgelegen locatie in het buitengebied, heeft opgewacht;

- die [slachtoffer] van haar fiets heeft geduwd en/of naar/tegen de grond heeft

gewerkt;

- die [slachtoffer] richting een zandpaadje heeft getrokken;

- die [slachtoffer] (meermalen) in/tegen haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt;

- boven op die [slachtoffer] is gaan liggen en/of zitten;

- ( meermalen) de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt en/of een hand op haar mond heeft gelegd;

- die [slachtoffer] heeft toegevoegd "Hou je bek, niet praten" of woorden van

gelijke dreigende aard of strekking;

- die [slachtoffer] een bosje in heeft getrokken;

- de onderkleding van die [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken en/of haar jurk kapot heeft getrokken;

- die [slachtoffer] heeft geboden zich uit te kleden;

- die [slachtoffer] heeft geboden hem te pijpen en af te trekken;

- ( meermalen) voorbij is gegaan aan het verbale en/of non-verbale verzet van die [slachtoffer];

art 242 Wetboek van Strafrecht

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pag 32-34;

- de verklaring van verdachte bij de politie, pag 428-429;

- het rapport van het NFI d.d. 22 februari 2017 met betrekking tot het DNA onderzoek;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 22 augustus 2017.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in of omstreeks de nacht van 19 november 2016 op 20 november 2016 te

Zelhem, gemeente Bronckhorst, in ieder geval in Nederland,

door geweld en/of door één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging

met geweld en/of met één of meer andere feitelijkheden,

een persoon, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen tot het ondergaan van één

of meer handelingen, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van haar

lichaam, immers heeft verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht, en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht, en/of

- één of meer van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] gebracht, en/of

- zich door die [slachtoffer] aan zijn penis laten betasten, en/of

- de borsten van die [slachtoffer] betast, en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht,

waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of met die één of meer andere feitelijkheden er in heeft bestaan dat verdachte

- die [slachtoffer] rond middernacht, op een afgelegen locatie in het buitengebied, heeft opgewacht;

- die [slachtoffer] van haar fiets heeft geduwd en/of naar/tegen de grond heeft gewerkt;

- die [slachtoffer] richting een zandpaadje heeft getrokken;

- die [slachtoffer] (meermalen) in/tegen haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt;

- boven op die [slachtoffer] is gaan liggen en/of zitten;

- (meermalen) de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt en/of een hand op haar mond heeft gelegd;

- die [slachtoffer] heeft toegevoegd "Hou je bek, niet praten" of woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

- die [slachtoffer] een bosje in heeft getrokken;

- de onderkleding van die [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken en/of haar jurk kapot heeft getrokken;

- die [slachtoffer] heeft geboden zich uit te kleden;

- die [slachtoffer] heeft geboden hem te pijpen en af te trekken;

- (meermalen) voorbij is gegaan aan het verbale en/of non-verbale verzet van die [slachtoffer].

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

verkrachting

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Omtrent verdachte is een multidisciplinair rapport opgemaakt.

Door H. van der Most van Spijk, kinder- en jeugdpsychiater, is psychiatrisch onderzoek verricht naar de persoon van verdachte. Uit het door Van der Most van Spijk opgemaakte Pro Justitia rapport van 30 juni 2017 blijkt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van een autismespectrum stoornis met kenmerken van een aandacht deficiëntie-/hyperactiviteitstoornis van het overwegend onoplettende type met vooral concentratieproblemen en impulsiviteit en daarmee samenhangende leerproblemen.

Daarvan was ook sprake bij het plegen van het tenlastegelegde en het beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Deze autisme spectrum problematiek uit zich bij verdachte vooral in een forse achterstand in zijn sociaal emotionele ontwikkeling, beperkte coping vaardigheden en een egocentrische manier van omgaan met de buitenwereld. Verdachte heeft onvoldoende zicht op zijn eigen gedrag en emoties, evenmin is hij voldoende in staat om zich in te leven in anderen en heeft hij geen overzicht over sociale situaties. Op momenten van boosheid of negatief gedrag hoort hij een stem, die hem kan aanzetten tot bepaald gedrag. Hij ervaart dan ook paniek en soms ziet hij voorwerpen op andere plekken in de ruimte dan waar ze horen. Zijn gewetensontwikkeling is lacunair en er is sprake van agressieregulatie problematiek. Verdachte weet heel goed wat wel en niet kan, maar kan dit niet toepassen op het moment van impulsdoorbraken. Bij het tenlastegelegde leek er meer sprake van een agressieve dan een seksuele impulsdoorbraak, waarbij hij de stem als dwingend ervoer en waarover hij geen controle had. Geadviseerd wordt om verdachte het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen.

Door P.M.A. van Oss, GZ-psycholoog is psychologisch onderzoek verricht naar de persoon van verdachte. Uit het door Van Oss, opgemaakte Pro Justitia rapport d.d. 29 juni 2017 blijkt, zakelijk weergegeven, dat verdachte bekend is met leer-en gedragsproblemen en forse agressieregulatieproblemen, samenhangend met een autismespectrumstoornis met AD(H)D kenmerken. Er is sprake van een cognitief informatieverwerkingsprobleem dat zich vooral manifesteert op het sociaal-emotionele vlak in de zin van een onvermogen tot reflecteren en mentaliseren. Verdachte heeft weinig zicht op zijn eigen gevoelens en die van anderen en kan zijn (agressieve) emoties moeilijk reguleren en controleren, waarbij de realiteitstoetsing onder druk kan komen te staan. Ook de gewetensontwikkeling is in het verlengde van de sociaal-emotionele ontwikkeling verstoord geraakt. Een psychotische stoornis kon bij verdachte niet worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten. Samenhangend met de autismespectrumproblematiek is bij verdachte sprake van overmatig sterke gerichtheid op eigen behoeftebevrediging, in combinatie met een gebrek aan empathie en sociale gevoeligheid, waardoor grensoverschrijdend (agressief) gedrag naar anderen gefaciliteerd wordt, zeker wanneer er sprake is van oplopende stress. De psycholoog adviseert verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog over en zal uitgaan van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Verdachte is strafbaar, nu geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie gelijk aan de periode van het voorarrest en tot onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel).

Ter zitting heeft de officier toegelicht dat hij, naar aanleiding van de adviezen van de psychiater en de psycholoog om aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, aanvullend vragen heeft gesteld met betrekking tot de duur van de noodzakelijk geachte behandeling van verdachte, ten aanzien van zowel het klinische als het aansluitende ambulante deel.

De officier stelt dat de beantwoording van de vragen door de psychiater bij brief van

12 augustus 2017 en de psycholoog bij brief van 18 augustus 2017, zijn zorgen of de periode van een voorwaardelijke PIJ-maatregel toereikend zal zijn voor de noodzakelijk geachte van klinische behandelduur van verdachte, niet heeft kunnen wegnemen. Teneinde te waarborgen dat de behandeling van verdachte goed kan worden afgerond, eist de officier van justitie daarom, in afwijking van de adviezen van de psychiater en psycholoog, om aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte stelt dat in de strafrechtelijke afdoening de nadruk dient te liggen op de behandeling van verdachte. Zij zich kan vinden in het advies van de psychiater en de psycholoog aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

De psychiater en in aansluiting daarop de psycholoog, ter zake deskundig, zijn met betrekking tot de verwachte noodzakelijke (klinische) behandelduur van verdachte duidelijk in hun beantwoording dat de duur van de voorwaardelijke PIJ-maatregel daartoe toereikend zal zijn. Voorts heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de psychiater desgevraagd nog een aantal contra-indicaties heeft genoemd om aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Verdachte realiseert zich dat hij behandeling nodig heeft en hij is daartoe gemotiveerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een buitengewoon ernstig zedendelict. Verdachte heeft het 57-jarige slachtoffer in de nacht van 19 op 20 november 2016 op gewelddadige wijze van haar fiets geduwd en in de richting van een zandpad geduwd. Op haar verzet heeft verdachte haar geslagen en haar keel dicht gedrukt. Hij heeft het slachtoffer gedwongen tot verregaande seksuele handelingen en haar ook verkracht. Na ongeveer 20 minuten is verdachte, na het slachtoffer te hebben bedreigd dat hij haar en of haar kinderen iets aan zou doen als zij de politie zou inschakelen, weggefietst. Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar veelal nog jarenlang last van en de herinneringen eraan hindert hen in hun dagelijkse functioneren.

Dat het door verdachte toegepaste geweld en de seksuele handelingen een enorme impact op het slachtoffer en haar naasten heeft, blijkt ook uit de door het slachtoffer ter terechtzitting voorgelezen verklaring. Daaruit blijkt onder meer dat de dreiging en agressie die zij heeft ervaren vreselijk waren. Zij is alsmaar bang geweest dat verdachte haar dood ging maken omdat hij meerdere keren haar keel dicht drukte. Maanden later ziet zij verdachte nog telkens voor zich staan en voelt zij de doodsangst en dreiging van die bewuste avond. De verkrachting heeft, van een levendig en gelukkig mens, een wrak van haar gemaakt. Zij heeft angsten dat de dreigementen van verdachte waar worden gemaakt. Het slachtoffer heeft diverse onderzoeken op sporen gehad, PEP medicatie als bescherming tegen HIV, SOA testen, slaapmedicatie en medicatie om de angst en paniek te temperen. Daarnaast heeft zij EMDR gehad. Zij heeft maanden pijn gehad in haar onderlichaam, buik, zitvlak en bovenbenen en zij had het voortdurend koud. Het slachtoffer krijgt nog steeds therapie om de pijn te hanteren en zij heeft tot op heden haar werkzaamheden met jongeren met gedragsproblemen niet kunnen hervatten.

De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat in voormeld rapporten van de psychiater en psycholoog de kans op herhaling bij verdachte van zowel een seksueel als niet-seksueel delict als hoog wordt ingeschat. Om de kans op recidive te verminderen en zijn ontwikkeling te bevorderen acht de psychiater aanvullend procesdiagnostiek binnen een klinische setting van belang. Daarnaast zal verdachte in eerste instantie klinisch en later ook ambulant psycho-educatie moeten krijgen over autismespectrumproblematiek. Een gedwongen kader is vooral noodzakelijk vanwege de langdurige en intensieve behandeling, die nodig is om de recidive kans te verlagen, en deze benodigde behandeling is niet op een andere wijze te organiseren.

Door beiden is geadviseerd om verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaar, met als voorwaarde dat verdachte zich moet houden aan de behandeling, ook als dit een opname in een forensisch psychiatrische jeugdkliniek betekent, bijvoorbeeld “de Catamaran” te Eindhoven.

De rechtbank neemt in aanmerking dat bij beschikking van deze rechtbank van

10 augustus 2017 de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 11 augustus 2017 is geschorst waarbij als bijzondere voorwaarde onder meer is gesteld dat verdachte gedurende de schorsing zal verblijven bij forensische kliniek “De Catamaran” te Eindhoven en daar zal meewerken aan de behandeling.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft in de brief van 15 augustus 2017 eveneens geadviseerd aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De Raad kan zich vinden in de uitkomsten en het advies van de Pro Justitia rapportages en acht het noodzakelijk dat verdachte bij de Catamaran blijft en de noodzakelijke behandeling gecontinueerd wordt. Het delict, voortgekomen uit de vastgestelde stoornis, is zeer ernstig en de kans op herhaling is (vooralsnog) hoog. Klinische behandeling in een gedwongen kader is noodzakelijk gezien het gegeven dat langdurige behandeling nodig is om de kans op recidive te verlagen en verdachte te beschermen, zolang hij nog is overgeleverd aan zijn eigen agressieve en seksuele impulsen. Verdachte staat open voor behandeling voor de onlangs gediagnosticeerde problematiek en er is sprake van een sociaal netwerk, dat intensief bij de behandeling betrokken moet worden. De ouders van verdachte staan ook achter de behandeling, zijn bereid mee te werken en steunen verdachte, aldus de Raad.

Alles overwegende komt de rechtbank tot oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 172 dagen, met aftrek van het voorarrest (deze duur is gelijk aan het voorarrest).

De rechtbank zal naast de onvoorwaardelijke jeugddetentie een voorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen.

De rechtbank acht deze maatregel in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals uit de rapporten en het onderzoek terechtzitting is gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Ook aan de overige voorwaarden van artikel 77s Wetboek van Strafrecht is voldaan.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, met de hierna te melden bijzondere voorwaarden passend en geboden.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Daarnaast is verdachte nog niet eerder behandeld voor zijn – pas onlangs gediagnosticeerde - problematiek.

Aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel zal de rechtbank naast de algemene voorwaarde de bijzondere voorwaarden verbinden dat verdachte verplicht wordt mee te werken aan een opname in een forensisch psychiatrische jeugdkliniek, zoals de Catamaran te Eindhoven.

De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

De rechtbank onderschrijft het belang dat de inmiddels gestarte – in eerste instantie klinische – intensieve en gespecialiseerde behandeling van verdachte binnen de Catamaran wordt gecontinueerd. Binnen de klinische setting zal de voorts aanvullende procesdiagnostiek kunnen plaatsvinden. De rechtbank maakt, mede aan de hand van de nadere beantwoording door de psychiater en de psycholoog van de door de officier van justitie gestelde vragen en hetgeen hierover ter zitting is besproken, de inschatting dat voor het klinische deel van de behandeling van verdachte geruime tijd nodig zal zijn. Daarom wordt bepaald dat de verplichting tot klinische behandeling geldt voor maximaal één jaar. Daarbij merkt de rechtbank op dat, indien de termijn van de noodzakelijk geachte klinische opname onverhoopt de termijn van een jaar mocht overschrijden, het op de weg van de officier van justitie ligt om een wijziging van de bijzondere voorwaarden te vragen.

Tevens zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] en een locatieverbod met betrekking tot de omgeving van de woning van het slachtoffer opleggen. Deze verboden worden nodig en geboden geacht, aangezien uit de slachtofferverklaring blijkt van angst bij het slachtoffer te worden geconfronteerd met verdachte.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 29.568,58 materiële schade, een bedrag van € 16.000,-- immateriële schade en een bedrag van € 5.000,-- integriteitsschade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verder wordt gevorderd verdachte te veroordelen in de proceskosten ad € 2.682,-- en de kosten van tenuitvoerlegging. Tevens vordert de benadeelde partij aan verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen ten aanzien van de reis- en parkeerkosten, de ziektekosten, het verlies arbeidsvermogen over 2016 en de eerste helft van 2017, de kleding, de fiets, de kosten van de afschriften van de dossiers en de stookkosten. De post verlies zelfwerkzaamheid vanwege toekomstig verlies arbeidsvermogen zijn in het kader van de onderhavige procedure niet eenvoudig van aard en dienen in een civiele procedure te worden vastgesteld. Om diezelfde reden dienen ook de posten verlies zelfwerkzaamheid met betrekking tot de huishouding en het tuin- en huisonderhoud niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het gevorderde bedrag ter zake van de integriteitsschade wordt geacht in het door de rechtbank vast te stellen immateriële schadevergoeding te zijn begrepen. De proceskosten naar de mening van de officier van justitie voor toewijzing vatbaar.

De officier van justitie stelt dat de gevorderde schadevergoedingsmaatregel dient te worden afgewezen. Verdachte zal nog langdurig behandeld moeten worden en hij heeft geen inkomen. Een eventueel op te leggen vervangende hechtenis zou de noodzakelijk geachte behandeling kunnen doorkruisen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte stelt dat, nu duidelijk is dat het slachtoffer schade heeft geleden, het aan de rechtbank is om tot een bedrag te komen dat in enige mate recht doet aan hetgeen haar is aangedaan en de gevolgen die zij heeft ondervonden. Het vaststellen van de schadevergoeding mag daarbij evenwel geen onevenredige belasting van de strafzaak opleveren.

De raadsvrouw stelt dat toekomstig verlies van arbeidsvermogen, nog daargelaten dat niet duidelijk is hoe dit bedrag tot stand is gekomen, dient te worden afgewezen.

Teneinde niet in een discussie belanden over iedere schadepost, hetgeen een onevenredige belasting van de strafzaak zou opleveren, geeft de raadsvrouw de rechtbank in overweging om een lumpsum bedrag tussen de € 5.000,-- en € 7.500,-- toe te wijzen, welk bedrag in ieder geval ziet op de reiskosten, een groot deel van de zorgkosten en overige kosten, waaronder kleding en hulp van derden. Met betrekking tot de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de raadsvrouw gewezen op een drietal uitspraken, waarin lagere bedragen zijn vastgesteld. De toe te wijzen immateriële schadevergoeding ziet mede op eventueel geleden integriteitsschade.

Beoordeling door de rechtbank

materiele schade:

Nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard, acht de rechtbank met betrekking tot de materiële schade, op basis van de overgelegde stukken, in totaal € 8.199,42 materiële schade toewijsbaar.

Dit bedrag laat zich als volgt uitsplitsen:

- reiskosten € 464,82 (waarvan 369 km in 2016 en 1.172,2 km in 2017 voor diverse

bezoeken aan ziekenhuis, artsen, politie e.d, gesprek OvJ, 15 augustus 2017 te Zutphen,

zitting 22 augustus 2017 te Zutphen, uitspraak te Zutphen en consulten psycholoog Kramer ivm EMDR-behandeling;

  • -

    parkeerkosten € 14,--;

  • -

    ziektekosten € 2.144,46 (schade door zorgkosten 2016 € 418,31 en door zorgkosten 2017 € 1.726,15);

  • -

    verlies arbeidsinkomen € 791,-- (verlies 2016 € 81,60 en € 68,40, verlies eerste helft 2017 € 342,-- en € 171,--, vervangingskosten € 128,--);

  • -

    kledingstukken € 288,90;

  • -

    kosten afschriften dossiers € 150,74 (€ 80,--, € 24,70 en € 46,04).

De enkele betwisting namens verdachte van de kosten van verlies van het zelfwerkzaamheid voor de huishouding en voor tuin- en huisonderhoud, acht de rechtbank onvoldoende, zodat de gevorderde vergoeding ter zake van de huishouding van totaal € 3.428,-- en ter zake van het tuin- en huisonderhoud van € 427,50 toewijsbaar is.

Met betrekking tot de fiets van de benadeelde partij (aangeschaft in 2009 voor € 799,--) stelt de rechtbank de schade, rekening houdend met een afschrijvingspercentage van 10 % per jaar, op € 240,--.

De rechtbank zal de gevorderde hoge(re) stookkosten van € 294,84 niet-ontvankelijk verklaren, nu het causaal verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de opgevoerde stookkosten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is aangetoond.

Met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde toekomstige schade door het verlies aan arbeidsvermogen met ingang van november 2017 (door de advocaat van de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 19.232,28, het toekomstige verlies voor de yogalessen ad € 342,-- en de toekomstige vervangingskosten van € 128,--) is de rechtbank van oordeel dat de begroting van toekomstige schade tot een onevenredige belasting van het strafgeding zal leiden en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vorderingen daarom in zoverre niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De overige door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding zal de rechtbank, gebruik makend van haar schattingsbevoegdheid, toewijzen tot een bedrag van

€ 250,-- en voor het overige niet ontvankelijk verklaren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een aantal posten, zoals parkeerkosten en vervangingskosten dubbel zijn vermeld, terwijl ten aanzien van een aantal posten, zoals traktaties voor vrienden en politie, postzegels en kantoormiddelen het rechtstreekse causale verband tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde schade onvoldoende is aangetoond.

immateriële schade:

Aangaande de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Het strafbare feit vormt een dusdanige ernstige normoverschrijding en inbreuk op de integriteit van het slachtoffer, dat dit reeds immateriële schadevergoeding rechtvaardigt (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519).

De benadeelde partij heeft in spanning gezeten over eventuele opgelopen SOA’s en HIV. Bovendien volgt uit de bij de vordering ingediende stukken dat door de gedraging van verdachte bij het slachtoffer een psychische beschadiging is ontstaan. Op dit punt wordt in het bijzonder verwezen naar bijlage 8.5 waarin door psychologenpraktijk Kramer als diagnose PTTS wordt vermeld, waarvoor EMDR wordt ingezet. Er is sprake van herbelevingen, spanningsklachten en slaapproblemen bij het slachtoffer. Zij heeft tot op heden haar werkzaamheden als coördinerend begeleidster nog niet kunnen hervatten.

Zowel door de verdediging als door de advocaat van de benadeelde partij is met betrekking tot de hoogte van de immateriële schadevergoeding verwezen naar een aantal - in meer of mindere mate vergelijkbare - uitspraken.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat, gezien de ernst van het onderhavige feit en de gevolgen voor het slachtoffer in aanmerking nemend, een bedrag van € 10.000,-- ter zake van de immateriële schadevergoeding passend is.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de integriteitsschade van € 5.000,-- niet ontvankelijk verklaren, nu in het kader van de onderhavige strafzaak onvoldoende kan worden beoordeeld in hoeverre de gestelde integriteitschade schade reeds valt onder het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding.

Aldus komt de rechtbank tot een materiele schadevergoeding van € 8.199,42 en een immateriële schadevergoeding van € 10.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2016. De rechtbank zal de benadeelde partij wat betreft het meer of anders gevorderde niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal verdachte daarnaast veroordelen in de proceskosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op € 2.682,-- (3 punten ad € 894,-- per punt). De kosten met betrekking tot de tenuitvoerlegging worden tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie en de raadsman van verdachte, wél aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van de benadeelde partij om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. Gelet op de leeftijd van verdachte en de noodzaak dat de behandeling van verdachte zo min mogelijk wordt doorkruist, zal de rechtbank het aantal dagen jeugddetentie beperken tot één dag.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77h, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 242 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

• veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 172 (honderdtweeënzeventig dagen);

• beveelt dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

 legt aan verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 3 jaren;

 bepaalt, dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende voorwaarden niet heeft nageleefd;

de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in art. 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren
door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

- wordt verplicht mee te werken aan een opname in een forensisch psychiatrische jeugdkliniek, zoals de Catamaran in Eindhoven, voor de duur van maximaal één jaar;

- wordt verplicht mee te werken aan ambulante voortzetting van de behandeling, zodra dit verantwoord en mogelijk wordt geacht;

- op geen enkele manier contact zal opnemen of onderhouden met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2], wonende aan de [adres 2], voor de duur van twee jaar;

- zich niet zal begeven binnen een straal van 100 meter van het adres [adres 2] voor de duur van twee jaar;

 waarbij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 18.199,42 (achttienduizend honderdnegenennegentig euro en tweeënveertig cent)

te weten € 8.199,42 materiële schade en € 10.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 2.682,--;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 18.199,42 (achttienduizend honderdnegenennegentig euro en tweeënveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 (één) dag jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    heft op het - geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.C. Cremers, (voorzitter, tevens kinderrechter), mr. A.A.M. Bӧgemann en mr. M.J. Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.B. Geven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 september 2017.

Mr. Ouweneel is buiten staat mede te ondertekenen.

RECHTBANK GELDERLAND

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

Parketnummer:Fout! De documentvariabele ontbreekt. 05/860068-17Fout! De documentvariabele ontbreekt.

Uitspraak d.d. 5 september 2017

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter terechtzitting van 5 september 2017.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

en , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte,

[naam]

geboren op 22 januari 1999 te Seoul,

verblijvende in GGzE De Catamaran, [adres],

is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De raadsvrouw, mr. P.W.E. Hoezen, is niet / wel verschenen.

De rechter spreekt het vonnis uit

en wijst verdachte op de mogelijkheid om binnen veertien dagen na heden hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen.

Waarvan proces-verbaal,

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door A.P. Horstink, politie eenheid Oost, Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016568810, gesloten op 31 maart 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.