Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4558

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4085
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Een getrouwd persoon, die niet is gescheiden van tafel en bed, kan niet tevens met een derde persoon (die bijstandsgerechtigd is) op grond van een gezamenlijke huishouding worden aangemerkt als gehuwd op grond. Derhalve kan ook niet de bijstandsgerechtigde persoon worden aangemerkt als gehuwde met de getrouwde persoon, ookal is er sprake van een gezamenlijke huishouding. Wel kan de getrouwde persoon, indien hij zijn hoofdverblijf heeft op hetzelfde adres als de bijstandsgerechtigde, worden aangemerkt als kostendelende medebewoner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/4085

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.E. Beukers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk te Nijkerk, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeksters aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen en het aan verzoekster verleende voorschot van € 840,- teruggevorderd.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2017. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Verzoeksters ontving samen met de heer A. [de man] bijstand naar de norm voor gehuwden. Per besluit van 13 juni 2017 heeft verweerder de bijstand van verzoekster en [de man] ingetrokken met ingang van 11 augustus 2016. Op 29 mei 2017 heeft verzoekster opnieuw bijstand aangevraagd.

3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat alleen spoedeisend belang wordt aangenomen ten aanzien van verzoeksters aanvraag om bijstand.

4. Verweerder heeft verzoeksters aanvraag om bijstand afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder geeft daarbij aan dat bij besluit van 13 juni 2017 verzoeksters bijstand met ingang van 11 augustus 2016 is ingetrokken, omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met [naam] en tijdens de aanvraag niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden.

5. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Op grond van vaste jurisprudentie van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2016:301) ligt indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Dit is een ander toetsingskader dan bedoeld is in artikel 4:6 van de Awb.

6. Overwogen wordt dat verzoekster bij de aanvraag voor bijstand heeft aangegeven dat er in haar leefsituatie niets is veranderd ten opzichte van de situatie ten tijde van het intrekkingsbesluit. Dit neemt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval echter niet weg dat verweerder toch had moeten beoordelen of verzoekster niettemin recht op bijstand had. De voorzieningenrechter acht hiervoor van doorslaggevend belang dat verweerder bij het besluit van 13 juni 2017, waarbij verzoeksters bijstand is ingetrokken vanwege een gezamenlijke huishouding met [naam] , is uitgegaan van een onjuist uitgangspunt. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.

7.1

In artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw is bepaald, voor zover van belang, dat in deze wet als gehuwd mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Vast staat dat [naam] ten tijde in geding (en nog steeds) getrouwd is met [naam] . Omdat ten tijde in geding [naam] getrouwd is kan hij, slechts als ongehuwd worden aangemerkt indien hij duurzaam gescheiden leeft van zijn vrouw, [naam] . Ter zitting heeft [naam] verklaard dat zijn vrouw samen met hun zoon woont in hun gezamenlijke woning aan de [adres] te [woonplaats] . Voorts heeft [naam] ter zitting verklaard dat hij ongeveer drie keer per week bij zijn vrouw en zoon thuis verblijft en daar onder andere zijn administratie doet, met zijn vrouw overlegt en met zijn zoon bezig is. Tevens staat hij op dat adres ingeschreven en ontvangt hij daar de post. Gelet hierop is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven tussen [naam] en [naam] . Dat betekent dat [naam] geen ongehuwde is in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw.

7.2

Indien [naam] niet duurzaam gescheiden leeft van zijn vrouw en dus gehuwd is in vorenbedoelde zin, kan hij op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw niet op grond van een gezamenlijke huishouding met een derde worden aangemerkt als tevens gehuwd met die derde. De voorzieningenrechter wijst in dit verband ook op een uitspraak van de CRvB van 17 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2848). Voorgaande brengt met zich mee dat verzoekster evenmin op grond van een gezamenlijke huishouding met [naam] kan worden aangemerkt als tevens gehuwd met [naam] . Dit brengt mee dat verzoekster zelfstandig rechtssubject is voor de verlening van bijstand. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 derde lid van de Pw tussen verzoekster en [naam] . Verweerder heeft deze onjuiste opvatting ook ten grondslag gelegd aan het bestreden primaire besluit.

8. Verzoekster heeft dus zelfstandig recht op bijstand. Echter is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat [naam] wel kan worden aangemerkt als een kostendelende medebewoner als bedoeld in artikel 19a, eerste lid van de Pw. Ter zitting heeft [naam] verklaart dat hij ongeveer vier à vijf keer per week (ook ’s nachts) verblijft bij verzoekster in het chalet op chaletpark [naam chaletpark] . Daarnaast heeft hij verklaard dat hij vaak vanuit zijn werk naar het chalet gaat en daar met verzoekster eet. De voorzieningenrechter neemt daarom vooralsnog aan dat [naam] en verzoekster beiden hun hoofdverblijf hebben in genoemd chalet.

9. Gelet op rechtsoverweging 7 en 8 wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en schorst het primaire besluit tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat op grond van artikel 22a, eerste lid van de Pw, aan verzoekster met ingang van 3 augustus 2017, bijstand (op basis van voorschot) wordt toegekend ter hoogte van 50% naar de norm voor gehuwden.

10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter;

- schorst het primaire besluit tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 990,-;

- gelast dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht groot € 46,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.J.H. Boerhof, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.