Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4508

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
05/720150-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer met een mes in de borst gestoken. 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0714

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720150-17

Datum uitspraak : 1 september 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] , z.v.w.o.v.h.t.l.

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem

raadsman: mr. B. Molenaar, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 augustus 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 6 mei 2017 te Arnhem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans éénmaal met een mes in de borst en/of in de (wijs)vinger, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of één of meermalen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestokenen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 6 mei 2017 te Arnhem, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) steekwond(en) in de borst en/of een klaplong heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met een mes te steken;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 6 mei 2017 te Arnhem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans éénmaal met een mes in de borst en/of in de (wijs)vinger, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of één of meermalen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestokenen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Verzoek tot aanhouding

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting verzocht de zaak aan te houden teneinde de verdachte in het Pieter Baan Centrum klinisch te laten observeren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich verzet tegen aanhouding. Primair heeft de verdediging verzocht om het aanhoudingsverzoek af te wijzen in het kader van de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht tot afwijzing, omdat een opname in het Pieter Baan Centrum geen effect zal hebben, omdat verdachte niet wil meewerken aan het onderzoek.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht, mede gezien de voorhanden gedragskundige rapportage, een onderzoek in het Pieter Baan Centrum niet nodig om te komen tot een beslissing in deze zaak en acht ook overigens een onderzoek niet noodzakelijk. Zij wijst het verzoek tot aanhouding dan ook af.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte is op 6 mei 2016 in Arnhem aangever tegengekomen. Verdachte heeft vervolgens met een mes ten minste twee keer in de richting van de borst van aangever gestoken. Verdachte heeft aangever daarbij geraakt in zijn rechter borstkas boven de tepel en, doordat aangever de steken afweerde, aan de wijsvinger van zijn rechterhand.2 Aangever heeft een klaplong opgelopen, doordat de long is geperforeerd.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een integrale vrijspraak bepleit van al het tenlastegelegde. Ten aanzien van de poging doodslag is aangevoerd dat het levensbedreigende aspect enkel zit in één steek in de borst. Daarvan is volgens de verdediging niet bekend met welke kracht is gestoken. Voorts staat volgens de verdediging niet vast hoe diep in de borst gestoken is. Hierdoor is onvoldoende duidelijk of er sprake is geweest van een levensbedreigende situatie. Een eenzijdige klaplong vereist medisch ingrijpen, maar is niet levensbedreigend. Tevens kan niet worden bewezen dat er sprake is van opzet op de dood, al dan niet in voorwaardelijke zin.

Met betrekking tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is aangevoerd dat de steekwond van 1,5 cm op de borst niet te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel. De hersteltijd is volgens het rapport vier weken. Ook ten aanzien van de klaplong staat vast dat aangever binnen twee dagen het ziekenhuis heeft kunnen verlaten. Beide verwondingen staan de uitoefening van een ambt of beroep niet in de weg. Naar algemeen spraakgebruik zijn de steekwond en de klaplong niet te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel, aldus de verdediging.

Met betrekking tot de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wordt aangevoerd dat twee stekende bewegingen hebben geresulteerd in lichte fysieke schade. Of meerdere keren is gestoken staat niet vast en indien dit wel bewezen wordt geacht, blijkt niet op welk deel het lichaam de steken zijn gericht en met welke kracht is gestoken.

Voorts is de verdediging van mening dat bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever vraagtekens gesteld dienen te worden. De verdediging verwijst daarvoor naar de door verbalisanten geconstateerde warrige indruk van aangever, het drank- en drugsgebruik van aangever ten tijde van het ten laste gelegde feit en het volstrekt paranoïde verhaal over verdachte in de afgelegde verklaringen. De verdediging verwijst voorts naar de onbegrijpelijke en onsamenhangende chatberichten van aangever aan verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij aangever heeft gepoogd van het leven te beroven dan wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (een poging tot) zware mishandeling. Dat verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de borstkas van aangever staat niet ter discussie. Hetzelfde geldt voor de verwondingen die aangever heeft opgelopen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Voor een bewezenverklaring van een poging doodslag moet volgens vaste jurisprudentie sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van het slachtoffer. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet nadacht over de plek waar hij aangever stak.4 De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte ongericht op de borstkas van aangever heeft gestoken. Naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat in de borstkas vitale organen zitten en dat het steken in het bovenlichaam daardoor een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Aangever heeft door het steken met het mes onder andere een klaplong opgelopen. Uit deze verwonding leidt de rechtbank af dat verdachte met een voldoende kracht heeft gestoken om ook daadwerkelijk vitale lichaamsonderdelen te raken.

Uit de ongerichtheid van zijn handelen leidt de rechtbank af dat verdachte niet de opzet had aangever dood te steken, maar door het steken in de richting van de borstkas en door de kracht die verdachte gebruikte, volgt wel dat verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bewust heeft aanvaard. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte in voorwaardelijke zin opzet op de dood van aangever heeft gehad.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 6 mei 2017 te Arnhem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans éénmaal met een mes in de borst en/of in de (wijs)vinger, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of één of meermalen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

poging doodslag.

6 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 5 juli 2017;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, opgesteld door dhr. [naam 1] , gedateerd 8 mei 2017;

- een trajectconsult van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, opgesteld door [naam 2] , psychiater, gedateerd 18 mei 2017;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, opgesteld door mw. [naam 3] , gedateerd 11 augustus 2017;

- een psychologische rapportage, opgesteld door drs. [naam 4] , GZ-psycholoog, gedateerd 11 augustus 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte had kort voor onderhavig incident in Duitsland aangifte gedaan van mishandeling door aangever. Daarna had verdachte problemen met aangever vanwege sleutels die verdachte volgens aangever aan hem moest teruggeven. Verdachte was door aangever meermalen in het openbaar aangesproken op teruggave van de sleutels. Hij heeft vanwege de eerdere mishandeling en de daaropvolgende confrontaties met aangever besloten een mes mee te nemen uit angst voor een volgende confrontatie. Vervolgens is verdachte aangever ook daadwerkelijk tegengekomen en heeft hij aangever gestoken in zijn borst en vinger. De rechtbank tilt zwaar aan het feit dat verdachte er voor heeft gekozen een mes mee te nemen. Door zich te begeven op plaatsen waarvan verdachte wist dat aangever daar regelmatig kwam is hij de confrontatie met aangever bovendien niet uit de weg gegaan. Voorbijgangers, waaronder een kind, zijn getuige geweest van het incident. Door zijn handelen heeft verdachte pijn en letsel bij aangever veroorzaakt. Er mag van geluk worden gesproken dat aangever geen ernstiger letsel heeft opgelopen of zelfs is overleden. Door aangever met een mes in de borst te steken, heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Dergelijke geweldsmisdrijven, waarbij gebruik wordt gemaakt van een wapen zoals in dit geval een mes, worden door slachtoffers als zeer bedreigend en beangstigend ervaren. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van aangever, waarin hij zegt: “Mijn long liep vol bloed. Ik had zuurstofgebrek en was kortademig. Ik dacht dat ik doodging.” Ook blijkt uit de slachtofferverklaring dat het handelen van verdachte een enorme impact op hem heeft gehad en nog altijd heeft. Daarnaast versterken zulke feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging echter ook rekening met het feit dat aangever een aanzienlijke rol heeft gehad in het ontstaan van het conflict. De rechtbank acht aannemelijk dat het handelen van aangever voorafgaand aan het incident bij verdachte gevoelens van onveiligheid heeft opgeroepen.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging voorts rekening met het uittreksel justitiële documentatie d.d. 5 juli 2017, waaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen in verband met het bezit van een steekwapen.

De rechtbank heeft kennis genomen van een reclasseringsadvies van 11 augustus 2017, waaruit naar voren komt dat er zorgen zijn omtrent een aantal leefgebieden van verdachte, waaronder huisvesting, dagbesteding en sociale contacten. De reclassering heeft diagnostisch geen duidelijk beeld van verdachte kunnen krijgen, wegens het feit dat verdachte geen openheid van zaken geeft. De kans op recidive wordt door de reclassering als gemiddeld geschat, nu hij én aangever zich beiden in het daklozencircuit bevinden.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de psychologische rapportage van 11 augustus 2017, waaruit naar voren komt dat er aanwijzingen zijn voor een mogelijke autismespectrum stoornis en/of persoonlijkheidsproblematiek. Er wordt geen aanleiding gezien om een psychiatrische stoornis in engere zin te vermoeden.

De rechtbank acht het, om de kans op recidive in de toekomst te verminderen, aangewezen dat verdachte hulp en begeleiding krijgt in de vorm van reclasseringstoezicht. De rechtbank ziet echter geen aanleiding voor het opleggen van een behandeling.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur passend.

Alles overziende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, passend. Aan het voorwaardelijk gedeelte zal de rechtbank reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde verbinden.

9 Ten aanzien van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen mes.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht het inbeslaggenomen mes vatbaar voor verbeurdverklaring nu met betrekking tot dit goed het bewezenverklaarde is begaan en het aan verdachte toebehoort.

10. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het primair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.652,08, bestaande uit € 2.500,- immateriële schadevergoeding en € 152,08 materiële schadevergoeding met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toewijzing van de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot betaling van het bedrag van € 2.652,08 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gezien het feit dat zij een algehele vrijspraak bepleit.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen tot € 152,08 materiële schade heeft geleden. De rechtbank acht deze vordering van materiële schade, die niet dan wel onvoldoende door verdachte dan wel diens raadsman is weersproken, in zoverre gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht, rekening houdend met min of meer vergelijkbare zaken, een immateriële schadevergoeding van € 2.500,- billijk. Dit bedrag aan immateriële schade zal de rechtbank echter matigen nu sprake is van een bepaalde mate van eigen schuld van de benadeelde partij, aangaande wat zich voorafgaand aan het incident heeft afgespeeld in Duitsland. De rechtbank zal het bedrag aan immateriële schade dan ook toewijzen tot een bedrag van € 2.000,-.

De totale toegewezen schade komt daarmee op een bedrag van € 2.152,08, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij(en).

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 6 mei 2017.

11 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24, 27, 33, 33a, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

12 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 5;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 10 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;

 stelt de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen drie dagen na het einde van zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal melden bij de Reclassering Nederland, Regiokantoor Oost, aan de Nieuwe Oeverstraat 65, te (6811 JB) Arnhem, en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

 geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een (steak)mes.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

 wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot bedrag van € 2.152,08,- (tweeduizendhonderdtweeënvijftig euro en acht cent), ter zake van materiële en immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

 bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.152,08,- (tweeduizendhonderdtweeënvijftig euro en acht cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 31 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen en mr. A. Bril, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 september 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PLON4R017063/SPARTA, gesloten op 23 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 21; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 151; proces-verbaal van verhoor van verdachte in het kader van de vordering tot inbewaringstelling.

3 Letselrapportage betreffende [slachtoffer] (30-05-1984) d.d. 8 mei 2017, opgemaakt door forensisch arts [naam 5] , p. 47-49.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.