Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4502

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7877
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

BPM. Naheffingsaanslag. Artikelen 1, 6 en 12b Wet BPM.

Eiser is op 12 en 23 oktober 2015 gesignaleerd in dezelfde auto met Duits kenteken. De rechtbank oordeelt dat verweerder een vermoeden van duurzaam gebruik van de weg in Nederland voldoende heeft onderbouwd. Eiser wijst erop dat een derde op 13 oktober 2015 met de auto heeft gereden en dat ook aan die derde een naheffingsaanslag BPM is opgelegd, die na bezwaar is vernietigd. Gelet op de verklaring van de derde is het vermoeden van duurzaam gebruik door eiser niet weerlegd. Ook beroep op schending van het verbod van willekeur en het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-09-2017
FutD 2017-2238

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/7877

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

31 augustus 2017

in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 16 november 2016, waarbij het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM), de beschikking belastingrente en de daarbij opgelegde boete ongegrond is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2017. Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn [gemachtigde] en [A] verschenen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

Ontvankelijkheid beroep

1. De uitspraak op bezwaar dateert van 19 september 2016. Eiser stelt dat hij deze niet eerder dan bij e-mail van 16 november 2016 heeft ontvangen. Om die reden heeft eiser op 25 november 2016 aan verweerder het verzoek gedaan om hem te berichten of de uitspraak op bezwaar van 19 september 2016 daadwerkelijk is verzonden. Verweerder heeft bij bericht van 1 december 2016 meegedeeld dat eiser wat betreft de verzending van de uitspraak op bezwaar kan uitgaan van de datum 16 november 2016. Hieruit begrijpt de rechtbank dat de verzending van de uitspraak op of rond 19 september 2016 mogelijk niet op de juiste manier is gebeurd. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de uitspraak op bezwaar zo te zien juist is geadresseerd, maar dat de verzending niet aangetekend heeft plaatsgevonden en het systeem geen uitsluitsel geeft. De rechtbank zal daarom voor het bepalen van de tijdigheid van het instellen van het beroep uitgaan van de verzending van de uitspraak op bezwaar op 16 november 2016. Het op 23 december 2016 bij de rechtbank ingediende beroep is daarom binnen de beroepstermijn en om die reden tijdig ingediend.

Inhoudelijk

2. Eiser woonde in het jaar 2015 in Nederland. Hij is op maandag 12 oktober 2015 om 2.00 uur en op vrijdag 23 oktober 2015 om 17.00 uur door de politie in [Q] staande gehouden. Hij reed beide keren in een Mercedes met een Duits kenteken. Het betrof beide keren dezelfde auto. De politie heeft eiser beide keren meegedeeld dat hij niet met een Duitse auto op de Nederlandse weg mag rijden.

3. Bij brief van 30 oktober 2015 heeft verweerder eiser een kennisgeving naheffingsaanslag BPM en verzuimboete gestuurd ter zake van de constatering van het gebruik van de Nederlandse weg op 12 oktober 2015. Daarbij is eiser in de gelegenheid gesteld te reageren, onder meer in het geval hij het voertuig slechts tijdelijk ter beschikking had. Eiser heeft daarop niet gereageerd. Bij brief van 7 januari 2016 heeft verweerder een mededeling naheffingsaanslag BPM en verzuimboete gestuurd. De verschuldigde BPM is berekend op € 4.783. De verzuimboete bedraagt 10% daarvan, oftewel € 478.

4. De naheffingsaanslag is gebaseerd op artikel 1, zesde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, hierna: Wet BPM. Dit artikellid bepaalt - kort gezegd - dat wanneer een niet geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende persoon, de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig van de weg in Nederland. Deze belasting wordt op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wet BPM geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. In geval van naheffing vloeit dit voort uit artikel 12b van de Wet BPM.

5. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag en de boete dienen te worden vernietigd, omdat hij de auto niet duurzaam in Nederland heeft gebruikt.

6. Dat alleen bij duurzaam gebruik BPM geheven kan worden volgt uit het Unierecht, waaronder het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 22 mei 2008, ECLI:EU:C:2008:305. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit mee dat het begrip “gebruik van de weg” in artikel 12b van de Wet BPM verdragsconform dient te worden uitgelegd als “duurzaam gebruik van de weg” dan wel beoogd duurzaam gebruik. Het ligt daarom in de eerste plaats op de weg van verweerder feiten te stellen die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat sprake is van duurzaam gebruik. Alleen dan is er immers grond voor naheffing van BPM.

7. Verweerder heeft in dit verband gewezen op het feit dat eiser in Nederland woont, en ook in 2015 in Nederland woonde, dat hij op 12 oktober 2015 en op 23 oktober 2015 in dezelfde auto is gesignaleerd op de Nederlandse weg en dat eiser niet heeft gereageerd op de kennisgeving. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank een vermoeden van duurzaam gebruik voldoende onderbouwd. Het ligt daarom op de weg van eiser dit vermoeden te ontzenuwen.

8. Eiser heeft gesteld dat hij tweemaal slechts een heel korte periode in de auto heeft gereden. Hij heeft niet toegelicht hoe lang die periodes zijn geweest. Gelet op het tijdstip waarop eiser op 12 oktober 2015 is staande gehouden, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser ten minste al een deel van 11 oktober 2015 over de auto beschikte. Eiser heeft de huurovereenkomst waarover in de stukken wordt gesproken niet overgelegd, zodat de aanvangsdatum van de huur van de auto niet kan worden vastgesteld. Wel heeft de gemachtigde ter zitting een ander stuk overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat sprake is geweest van een korte periode. Dit betreft een uitspraak op bezwaar ten aanzien van de heer [B] uit [Q] , een bekende van eiser. Uit die uitspraak op bezwaar (gedateerd 3 oktober 2016 en gedaan door dezelfde inspecteur die de uitspraak op bezwaar in de onderhavige zaak heeft gedaan) volgt dat aan [B] een naheffingsaanslag BPM is opgelegd ter zake van dezelfde auto, nadat de politie had geconstateerd dat [B] op 13 oktober 2015 gebruik heeft gemaakt van de openbare weg met deze auto. Omdat niet uitgesloten kon worden dat [B] de auto slechts kortstondig had gebruikt, is de naheffingsaanslag na bezwaar vernietigd. [B] heeft blijkens de uitspraak op bezwaar een afschrift van een huurovereenkomst overgelegd en verklaard dat hij de auto slechts even heeft geleend van de heer [X] . Volgens de stelling van eiser betreft dit zijn vader en is de auto door [B] van zijn vader gehuurd.

9. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Hoewel de verklaring dat [B] de auto op 13 oktober 2015 zou hebben gehuurd van de vader van eiser ertoe zou leiden dat het duurzame gebruik door eiser van de auto niet aannemelijk is geworden, constateert de rechtbank dat dit niet is wat [B] heeft verklaard. [B] heeft verklaard dat hij de auto slechts even heeft geleend van de heer [X] . De rechtbank interpreteert de samenvatting van de verklaring aldus dat [B] de auto van eiser heeft geleend en niet van diens vader. Immers, de vader woont in Duitsland en het “even” lenen van een auto rechtvaardigt het vermoeden dat de auto is geleend van iemand uit de omgeving. [B] woont in [Q] en eiser woonde daar op dat moment ook. In dat licht moet de verklaring aldus worden begrepen dat een ander dan [B] (de rechtbank laat in het midden of dat eiser of eventueel zijn vader was) de auto gehuurd had - wat dan uit de huurovereenkomst blijkt - en dat die stelling mede onderbouwde dat [B] de auto alleen maar even had geleend. Hoogstwaarschijnlijk betreft het dezelfde huurovereenkomst die eiser op 12 oktober 2015 heeft getoond aan de politie. Weliswaar is dit niet met zekerheid te zeggen, maar het bewijsrisico ligt - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - in zoverre bij eiser.

10. In dit licht is de verklaring van eiser dat hij slechts tweemaal kortstondig met de auto heeft gereden niet geloofwaardig. Ongeacht of hij dan wel zijn vader de auto heeft gehuurd, is er geen enkele aanwijzing dat de vader feitelijk over de auto beschikte. Het feit dat eiser de auto heeft uitgeleend aan [B] bevestigt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser degene was die zich als bezitter gedroeg en kon bepalen wat er met de auto gebeurde, ook in de periode tussen 12 en 23 oktober 2015. Daarmee heeft eiser het vermoeden dat hij op 12 oktober 2015 duurzaam gebruik van de weg maakte in Nederland niet ontzenuwd. Ook indien met een huurauto langere tijd in Nederland wordt gereden is in beginsel BPM verschuldigd. Dat eiser (vooralsnog) geen beroep heeft gedaan op de teruggaveregeling bij export maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De naheffingsaanslag is dan ook terecht opgelegd.

11. Eiser heeft nog aangevoerd dat de naheffingsaanslag is opgelegd in strijd met het verbod van willekeur en het vertrouwensbeginsel. Daarvoor wijst hij op het feit dat het bezwaar van [B] gegrond is verklaard “op pragmatische gronden (onder meer de mogelijkheid dat u wel voor een vrijstelling in aanmerking kwam)”. Dit dient er volgens eiser toe te leiden dat de naheffingsaanslag die aan hem is opgelegd evenzeer dient te worden vernietigd.

12. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de gegrondverklaring van het bezwaar van [B] verband houdt met de beleidswijziging die op dat moment op stapel stond. Er is enige tijd sprake van geweest dat een enkele constatering van het rijden op de Nederlandse weg met een auto met buitenlands kenteken al leidde tot een naheffingsaanslag BPM. De jurisprudentie legde echter strengere eisen aan. Daarom is in de loop van 2015 besloten dat een eerste constatering nog slechts leidt tot een waarschuwing en pas een tweede constatering tot een naheffingsaanslag. [B] is slechts eenmaal met de auto gesignaleerd. Vooruitlopend op de beleidswijziging is besloten de naheffingsaanslag te vernietigen. In het geval van eiser was daartoe geen aanleiding, omdat hij op 23 oktober 2015 nogmaals rijdend in de auto was gesignaleerd.

13. De rechtbank begrijpt uit de verklaring van verweerder dat de gegrondverklaring van het bezwaar van [B] te maken heeft met het feit dat in de jurisprudentie van onder andere deze rechtbank van verweerder wordt verlangd dat hij feiten stelt en onderbouwt die het oordeel kunnen dragen dat sprake is van duurzaam gebruik. Een enkele constatering van het rijden op de Nederlandse weg met een auto met buitenlands kenteken zonder bijkomende omstandigheden is in de regel niet voldoende. In het geval van eiser is er een bijkomende omstandigheid, bestaand uit de tweede constatering op 23 oktober 2015, die de duurzaamheid van het gebruik van de Nederlandse weg nader kan onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dat licht niet gezegd worden dat sprake is van willekeur. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel gaat niet op, alleen al vanwege het feit dat de uitspraak op het bezwaar van [B] niet aan eiser is gericht. Daarmee kan jegens eiser dus geen vertrouwen zijn gewekt. Ook daarbij is voorts van belang dat de situaties van [B] en eiser verschillend zijn.

14. De hoogte van de naheffingsaanslag is voor het overige niet in geschil. Dit geldt ook voor de hoogte van de boete, aangezien daartegen geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij niet kon vermoeden dat hij BPM verschuldigd zou zijn, overweegt de rechtbank dat sprake is van een verzuimboete en dat het feit dat eiser niet vermoedde dat het gebruik van de auto in Nederland tot belastingplicht zou leiden onvoldoende is om te concluderen tot afwezigheid van alle schuld.

15. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

16. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.