Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4491

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
C/05/314599 / HZ ZA 17-55
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vriendendienst en/of overeenkomst van opdracht. Schending zorgplicht door verzekeraar als gevolmachtigde. Eigen schuld verzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/314599 / HZ ZA 17-55

Vonnis van 6 september 2017

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [naam gemeente] ,

eiser,

advocaat mr. B.W.G. Orth te Blaricum,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THOMA ASSURANTIEADVISEURS B.V.,

gevestigd te Lochem,

gedaagde,

advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Thoma genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 maart 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 juni 2017

  • -

    de akte na comparitie van [eiser]

  • -

    de akte van Thoma

  • -

    de antwoordakte van [eiser]

  • -

    de antwoordakte van Thoma.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is in de periode van [datum] 1999 tot [datum] 2016 werkzaam geweest bij Thoma in de functie van administratief medewerker op de afdeling Debiteurenbeheer.

In 2016 is het dienstverband geëindigd als gevolg van volledige arbeidsongeschiktheid van [eiser] door de ziekte Multiple Sclerose (MS).

2.2.

Thoma houdt zich bezig met advisering en bemiddeling op het gebied van verzekeringen, hypotheken en pensioenen.

2.3.

Met ingang van 1 januari 2000 heeft [eiser] al zijn verzekeringen ondergebracht bij Thoma. In 2011 zijn de verzekeringspolissen overgesloten naar een Thoma privépakket polis.

2.4.

Omstreeks augustus 2011 heeft [naam 1] (hierna: [naam 1] ), werkzaam bij Thoma als manager marketing en ict, [eiser] geattendeerd op de Aegon Woonlastenverzekering. Hij heeft voor [eiser] een indicatieve berekening gemaakt op basis van een uit te keren maandbedrag van € 300,00.

2.5.

Op 18 augustus 2011 heeft [eiser] een e-mail ontvangen van [naam 1] met de volgende bijlagen: offerte Aegon Woonlastenverzekering met een premieberekening voor een totaal verzekerd maandbedrag van € 300,00, Toelichting Aegon Woonlastenverzekering, Aegon woonlastenverzekering Polisvoorwaarden nr. 1425 en een blanco Aanvraagformulier voor de Aegon Woonlastenverzekering (productie 12 van [eiser] ). In de Toelichting Aegon Woonlastenverzekering is onder “9. Fiscaliteit” het volgende opgenomen:

“De premie is fiscaal aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Een eventuele latere uitkering is daardoor belast. De premie voor een eventuele werkloosheidsdekking is niet aftrekbaar en dus is de uitkering belast.”

2.6.

[eiser] heeft het op 18 augustus 2011 ondertekende Aanvraagformulier Aegon Woonlastenverzekering (productie 1 van Thoma) als volgt ingevuld:

“(…) 3. Verzekerd bedrag

Welke woonlasten per maand wilt u verzekeren?

Hypotheeklasten € 500,- (denkt u hierbij ook aan onroerende zaakbelasting en

(max. €2.000,-) premie levensverzekering verbonden met hypotheek)

(…)

4a. Arbeidsongeschiktheidsdekking

Eigen risicotermijn

Werknemer □ 365 dagen

x 730 dagen (standaard)

(…)

Gewenste uitkeringsduur

□ (…)

x tot einddatum verzekering

Houdt u er bij het kiezen van de uitkeringsduur rekening mee dat de verzekering altijd stopt in de maand dat u de 65-jarige leeftijd bereikt.

(…)

5. Premiebetaling

In welke termijnen wenst u de premie te betalen?

□ jaar □ halfjaar □ kwartaal x maand □ koopsom (eenmalig)

Periodieke betaling vindt plaats □ met acceptgiro (niet mogelijk bij maandbetaling)

□ automatisch

x via tussenpersoon

(…)

6. Vragen over uw gezondheid

a. Heeft u op dit moment gezondheidsklachten? x nee □ ja

b. Als u het laatste jaar bij een huisarts bent geweest,

was een vervolgbehandeling noodzakelijk? x nee □ ja

c. Bent u ooit behandeld door een medisch specialist in verband

met psychische klachten, hart- of rugklachten? x nee □ ja

d. Bent u de laatste 5 jaar 4 weken of langer aaneengesloten geheel

of gedeeltelijk arbeidsongeschikt geweest? x nee □ ja

e. Is u ooit een arbeidsongeschiktheidsverzekering en/of

woonlastenverzekering geweigerd opgezegd of slechts onder

beperkende condities of tegen extra premie geaccepteerd? x nee □ ja

Als u één of meer van deze vragen met ‘ja’ heeft beantwoord dan vragen wij u de uitgebreide gezondheidsverklaring in te vullen (…)

7. Slotvragen en -verklaring

Belangrijk: Toelichting op de reikwijdte van de mededelingsplicht.

Als aanvrager/kandidaat-verzekeringnemer bent u verplicht de gestelde vragen in dit aanvraagformulier zo volledig mogelijk te beantwoorden.

(…)

Belangrijk:

Lees voor de ondertekening van dit formulier hierboven de toelichting op de reikwijdte van de mededelingsplicht.

Door ondertekening van dit aanvraagformulier verklaart de aanvrager/kandidaat-verzekeringnemer dat hij een verzekering wil sluiten tegen de in de bijgevoegde voorwaarden van verzekering omschreven dekking, en dat hij akkoord gaat met de toepasselijkheid van de daarbij behorende, en daarmee een geheel vormende, voorwaarden van verzekering.

Dit formulier is naar waarheid ingevuld en ondertekend door [handgeschreven] [eiser]

(…)

AEGON is aanbieder

AEGON is aanbieder van financiële producten en verkoopt haar producten via het intermediair. Wilt u een advies op maat? Neem dan contact op met uw tussenpersoon. Op basis van een inventarisatie van uw financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid kan uw tussenpersoon u adviseren over producten die passen bij uw persoonlijke situatie. (…)”

2.7.

Bij e-mailbericht van 26 augustus 2011 (productie 2 van Thoma) heeft [naam 2] (hierna: [naam 2] ), als leidinggevende werkzaam bij Thoma, aan [naam 3] van Aegon met betrekking tot de woonlastenverzekering van [eiser] het volgende geschreven:

“(…) Zoals telefonisch besproken, mijn collega [eiser] heeft een aanvraag ingediend voor een woonlastenverzekering. Hij heeft Multiple Sclerose.

De gestelde vragen op het aanvraagformulier (en dan met name vraag 6) zijn door hem naar waarheid ingevuld. Hij heeft op dit moment geen gezondheidsklachten en ook de overige vragen van punt 6 kan hij naar waarheid met nee beantwoorden.

We hebben besproken dat hij in dat geval geaccepteerd kan worden zonder beperkingen, met dien verstande dat bij eventuele arbeidsongeschiktheid, Aegon onderzoek zal doen (hetgeen ook gebruikelijk is) om te verifiëren dat hij het aanvraagformulier naar waarheid heeft ingevuld.

Wij gaan de polis verder opmaken. Nog bedankt voor het uitzoeken!

(…)”

2.8.

Met ingang van 1 oktober 2011 is tussen [eiser] en Aegon een woonlastenverzekering tot stand gekomen die dekking biedt bij arbeidsongeschiktheid.

Op de polis (productie 3 van [eiser] ) is onder meer het volgende vermeld:

“ (…) Verzekerde

Naam : [eiser]

(…)

Maandbedrag hypotheek/huur : € 500,00

Fiscaliteit : De premie voor rubriek Arbeidsongeschiktheid is

aftrekbaar voor de inkomstenbelasting (…)

(…)”

2.9.

Volgens de verklaring van [naam 4] (hierna: [naam 4] ) en [naam 5] (hierna: [naam 5] ) (productie 6 van [eiser] ), beiden werkzaam op de volmachtafdeling bij Thoma, heeft [eiser] hen medio 2013 gevraagd of het uitkeringsbedrag bruto of netto was, en of dit afhankelijk was van het wel/niet aftrekken van de premiebetalingen bij zijn inkomstenbelasting. Zij hebben toen uitgelegd dat in het verleden relaties met een hypotheek-protector de keuze werd gelaten of ze de arbeidsongeschiktheidspremie wel of niet wilden aftrekken en [eiser] verwezen naar het aanvraagformulier van Gema. Of het destijds in 2011 door [eiser] met hen is besproken, kunnen zij zich niet meer herinneren.

2.10.

Op 23 oktober 2015 schrijft [naam 2] per e-mail (productie 12 van [eiser] ) aan [naam 6] , accountmanager Inkomen bij Aegon, naar aanleiding van een reactie van de belastingdienst aan [eiser] het volgende:

“(…) We spraken elkaar een paar weken geleden over de woonlastenverzekering van JW [eiser] . Deze verzekering loopt nu provinciaal. Wij hebben deze polis destijds in volmacht geaccepteerd op basis van een netto uitkering. Dit bleek in de praktijk niet meer te kunnen. De klant heeft de premies nooit afgetrokken, maar de Belastingdienst accepteert niet dat er netto wordt uitgekeerd. Zie hiervoor de bijgevoegde reactie van de Belastingdienst op een verzoek van de klant.

Omdat de polis toen wel op deze wijze is geaccepteerd, komen we nu met een probleem te zitten. We spraken laatst al over een mogelijke oplossingsrichting, namelijk door de verzekerde bedragen met terugwerkende kracht te verhogen tot het niveau waarop

de bruto uitkering overeenkomt met de netto uitkering die bedoeld was. Ik hoor graag van je of dit de oplossing is die ik de klant zou kunnen gaan voorleggen. Bedankt voor je moeite alvast!

(…)”

De reactie dezelfde dag van [naam 6] luidt:

“Ik ga het bespreekbaar maken, je hoort van mij.”

2.11.

Aegon heeft niet willen meewerken aan de hiervoor genoemde oplossing.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

I. voor recht zal verklaren dat Thoma jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schending van haar zorgplicht en/of voor de door haar ondergeschikte(n) aan [eiser] toegebrachte fout en dat Thoma uit dien hoofde gehouden is de schade te vergoeden die [eiser] dientengevolge heeft geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente,

II. Thoma zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding van een bedrag van € 48.790,00, vermeerderd met de wettelijke rente, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente,

III. Thoma zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan deze vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de volgende stellingen ten grondslag.

Tussen Thoma, in haar hoedanigheid van assurantietussenpersoon, en [eiser] , als opdrachtgever bestaat een overeenkomst van opdracht voor wat betreft het afsluiten van de verzekeringen in het Thoma privépakket. [eiser] stelt dat Thoma haar zorgplicht als assurantietussenpersoon heeft geschonden door zich naar [eiser] op te stellen als collega en niet als assurantietussenpersoon. Subsidiair is Thoma aansprakelijk op grond van artikel 6:170 Burgerlijk Wetboek (BW). Thoma heeft erkend dat zij bij de totstandkoming van de woonlastenverzekering niet zorgvuldig heeft gehandeld door de offerte en de aanvraag “tussendoor te doen”. Als [eiser] geweten had dat zijn netto uitkering geen € 500,00 zou zijn, had hij een hoger verzekerd bedrag gekozen. Hij zou ook door Aegon zijn geaccepteerd, omdat tot een bedrag van € 1.250,00 per maand zonder enige beperking werd verzekerd. Door de fouten van Thoma en/of haar medewerkers heeft [eiser] schade geleden. Hij kan de bestaande verzekering niet meer herverzekeren. Door zijn ziekte kan [eiser] zijn schade niet beperken, omdat hij volledig arbeidsongeschikt is verklaard.

In plaats van € 500,00 per maand ontvangt [eiser] vanaf 13 juni 2016 per maand een bedrag van € 295,00, zodat de schade € 205,00 per maand is. Met als einddatum 1 april 2036 bedraagt de totale schade € 48.790,00 (238 maanden).

Gelet op de brief van 30 september 2016 van DAS is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 30 september 2016, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum.

4 Het verweer

4.1.

Thoma concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] in zijn vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, althans zijn vorderingen zal afwijzen, met zijn veroordeling in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente, indien de voldoening van deze kosten niet binnen 14 dagen nadat het vonnis is gewezen, plaatsvindt.

4.2.

Thoma betwist dat tussen een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW is gesloten. Er zijn geen bemiddelingskosten in rekening gebracht. Hier is sprake geweest van collegiaal overleg, hooguit van een vriendendienst.

Toerekenbaar tekortschieten is niet aan de orde. Voorts meent Thoma niet gehouden te zijn om [eiser] te wijzen op het feit dat een uitkering onder de woonlastenverzekering belast zou zijn, omdat [eiser] dit al wist, althans Thoma mocht hiervan uitgaan. Het staat duidelijk vermeld op het polisblad. Voor aansprakelijkheid ingevolge artikel 6:170 BW bestaat geen grond. [eiser] heeft niet gesteld welke ondergeschikte van Thoma welke onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd en evenmin stellingen ingenomen over de andere wettelijke vereisten van artikel 6:170 BW. Bovendien ontbreekt het causaal verband tussen de gestelde fout en de vermeende schade en betwist Thoma dat [eiser] een verzekering met een twee keer zo hoog verzekerd bedrag met een verdubbeling van de premie zou hebben afgesloten. Voorts zou hij in verband met de MS ook niet zijn geaccepteerd door Aegon voor een hoger maandbedrag dan € 500,00 bruto. Er is minimaal sprake van 50% eigen schuld van [eiser] . Bij de schadevaststelling is ten onrechte geen rekening gehouden met de hoger verschuldigde premie en met het feit dat bij een bedrag ineens de uitkering moet worden gekapitaliseerd.

5 De beoordeling

5.1.

In de kern gaat deze zaak over de vraag of Thoma verantwoordelijk kan worden gehouden voor de verstrekking aan [eiser] van volgens [eiser] onjuiste informatie bij het aangaan van de woonlastenverzekering met als gevolg dat hij de uitkering krachtens deze verzekering thans bruto ontvangt, terwijl [eiser] bij het afsluiten van de verzekering ervan uitging dat de uitkering netto zou zijn.

Aansprakelijkheid

5.2.

Als grondslag voor zijn vordering heeft [eiser] een beroep gedaan op schending door Thoma van haar zorgplicht als assurantietussenpersoon. [eiser] stelt dat tussen Thoma in hoedanigheid van assurantietussenpersoon en [eiser] als opdrachtgever een overeenkomst van opdracht is gesloten. De zorgplicht van de assurantietussenpersoon houdt in dat hij bemiddelt, adviseert en begeleidt voor, bij en na de totstandkoming van de verzekering. Hierbij dient deze zich actief op te stellen. Thoma heeft erkend dat medewerkers van Thoma zich in het hele traject van aanvraag, offerte en afsluiten van de woonlastenverzekering hebben opgesteld als collegae in plaats van de relatie te plaatsen in de verhouding assurantietussenpersoon-opdrachtgever. Dit levert een schending van de zorgplicht op, aldus [eiser] .

5.3.

Thoma voert aan dat van schending van een zorgplicht geen sprake kan zijn, omdat geen overeenkomst van opdracht is gesloten. Van enige opdracht van [eiser] aan Thoma om te bemiddelen bij de totstandkoming van de woonlastenverzekering en hem daaromtrent te adviseren blijkt in het geheel niet. Thoma heeft zo’n opdracht ook nimmer geaccepteerd. Dat blijkt ook uit het feit dat aan [eiser] nimmer kosten in rekening zijn gebracht ter zake van het afsluiten van de woonlastenverzekering, aldus Thoma. Veeleer is sprake geweest van collegiaal overleg en - voor zover collegae behulpzaam zijn geweest bij het afsluiten van de woonlastenverzekering - is dat te beschouwen als een vriendendienst. Van toerekenbaar tekortschieten van (werknemers van) Thoma in de nakoming van een overeenkomst is geen sprake, aldus Thoma.

5.4.

De stelling van Thoma dat geen sprake is van een overeenkomst van opdracht, maar van collegiaal overleg en een vriendendienst lijkt in te houden dat het één het ander uitsluit. Dat hoeft niet zo te zijn. Vastgesteld moet worden welke betekenis in dit verband aan “vriendendienst” moet worden toegekend. Bij vriendendiensten kan sprake zijn van eenvoudige toezeggingen tot hulp en bijstand in de particuliere sfeer die (doorgaans) niet als overeenkomst van opdracht zullen worden opgevat. Anderzijds kan hierbij worden gedacht aan dienstverlening (al dan niet zijnde een opdracht in de zin van de wet) waar geen loon tegenover staat.

In dit geval staat vast dat het gaat om handelen in het kader van beroep en bedrijf: er is immers een woonlastenverzekering ten behoeve van [eiser] afgesloten door tussenkomst van Thoma hetgeen tot haar bedrijfsactiviteiten hoort. Dat in dit geval geen loon in de zin van bemiddelingskosten zijn afgesproken, mag doorgaans ongebruikelijk zijn, maar is voor werknemers van een dergelijk bedrijf die via datzelfde bedrijf een verzekering afsluiten, niet ongewoon. Het staat niet in de weg aan het oordeel dat wel degelijk sprake kan zijn van een overeenkomst van opdracht.

5.5.

Feitelijk is het zo gegaan dat [naam 1] [eiser] heeft geattendeerd op de mogelijkheid van het afsluiten van een woonlastenverzekering, een op dat moment nieuw product waarvoor [naam 1] doende was om de aanvraagformulieren en de voorwaarden om te zetten naar het label en systeem van Thoma. Hij heeft voor [eiser] een indicatieve berekening gemaakt. Om [eiser] in staat te stellen over deze verzekering met zijn vrouw te overleggen heeft [naam 1] per e-mail van 18 augustus 2011 aan [eiser] de in 2.5 genoemde stukken gestuurd.

In dezelfde periode heeft [eiser] over deze verzekering gesproken met [naam 4] en [naam 5] , medewerkers van de volmachtafdeling. [eiser] heeft het aanvraagformulier bij de volmachtafdeling ingeleverd. Omdat [eiser] de summiere gezondheidsvragen op zich naar waarheid had ingevuld, maar het aan [naam 2] bekend was dat [eiser] leed aan MS, heeft [naam 2] dit bij Aegon toegelicht. [eiser] is met MS geaccepteerd voor de woonlastenverzekering voor een verzekerd maandbedrag van € 500,00.

5.6.

Juridisch laten de feitelijke handelingen zich als volgt duiden. Het attenderen op de mogelijkheid van een woonlastenverzekering is een uitnodiging om in onderhandeling te treden. Het per e-mail toesturen van het aanvraagformulier kan worden opgevat als een uitnodiging tot het doen van een aanbod. Deze beide fasen zijn geïnitieerd door (een medewerker van) Thoma, zodat een opdracht van de zijde van [eiser] niet meer aan de orde was.

Het vervolgens inleveren van het aanvraagformulier bij Thoma kan worden aangemerkt als een aanbod van de zijde van [eiser] . Op het aanvraagformulier is opgenomen dat Aegon de aanbieder van deze verzekering is en dat deze verzekering wordt verkocht via het intermediair, in dit geval Thoma. Voor een advies op maat wordt verwezen naar de tussenpersoon die “Op basis van een inventarisatie van uw financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid u [kan[ adviseren over producten die passen bij uw persoonlijke situatie.” (zie 2.6 slot)

Dat voor deze verzekering geen zorgplicht geldt, zoals door Thoma ter zitting is aangevoerd, vermag de rechtbank daarom niet in te zien. Hierbij merkt de rechtbank op dat uit de ‘Premieberekening Aegon Woonlastenverzekering’ blijkt dat de adviseur/tussenpersoon, in dit geval Thoma, bij een verzekerde som van € 300,00 bijna 17,5% van de verschuldigde premie ontvangt, zodat het argument dat Thoma geen ‘loon’ ontvangt, niet juist is.

[eiser] mag verwachten dat ten behoeve van de totstandkoming van de verzekering jegens hem de vereiste zorgvuldigheid door Thoma in acht wordt genomen. Het had in dit geval op de weg van Thoma gelegen om op het moment dat het aanvraagformulier bij de volmachtafdeling werd ingeleverd niet alleen ten behoeve van Aegon de medische gegevens aan te vullen met het gegeven dat [eiser] MS had, maar tevens na te gaan of [eiser] voldoende geïnformeerd was over de verzekering. Juist om redenen dat hij werknemer van Thoma was, zijn hele verzekeringspakket had ondergebracht bij Thoma, een en ander erg informeel is verlopen en gezien zijn persoonlijke medische situatie. Gesteld noch gebleken is dat Thoma dit heeft gedaan.

5.7.

Voor zover Thoma ter zitting heeft benadrukt dat sprake is van het afsluiten van een verzekering als gevolmachtigd agent van Aegon en dat [eiser] met Thoma geen bemiddelingsovereenkomst heeft gesloten, kan dit niet afdoen aan het hiervoor gegeven oordeel. In beide gevallen is sprake van een zorgplicht van Thoma jegens [eiser] . Dat de inhoud van de zorgplicht mogelijk kan verschillen, is in dezen niet relevant. Voorts heeft Thoma de rechtsgevolgen die verbonden zijn aan de hoedanigheid van gevolmachtigd agent niet nader uitgewerkt. Nog daargelaten of deze omstandigheid aan [eiser] kan worden tegengeworpen, omdat aan [eiser] naar eigen zeggen het onderscheid niet bekend was en hij dat kennelijk niet uit de informatie over de woonlastenverzekering heeft afgeleid en ook niet hoefde af te leiden, aangezien niet gebleken is dat [eiser] over enige relevante juridische kennis beschikt.

5.8.

Voorts heeft Thoma aangevoerd dat zij [eiser] niet erop had hoeven wijzen dat de uitkering onder de woonlastenverzekering belast zou zijn, aangezien [eiser] dit al wist, althans dat Thoma ervan mocht uitgaan dat hij hiervan op de hoogte was. [eiser] heeft het verzekerd bedrag verhoogd tot € 500,00 bruto en dit leidt tot een netto-uitkering van € 295,00, nagenoeg gelijk aan het verzekerde bedrag dat [eiser] volgens Thoma in eerste instantie had aangevraagd. Bovendien wordt duidelijk op het polisblad vermeld dat de premie aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting (en dus is de uitkering belast), aldus nog steeds Thoma. [eiser] heeft voornoemd betoog betwist.

5.9.

Thoma wordt niet gevolgd in haar betoog. Het is immers niet de vraag of [eiser] wist dat de uitkering belast was; dat kon hij inderdaad weten op grond van de informatie die hij van [naam 1] per e-mail over de woonlastenverzekering had ontvangen (zie 2.5 en 2.8). Het gaat erom dat bij [eiser] het idee had post gevat dat hij een keuze had om wel of niet de premie in aftrek te brengen, omdat in het verleden door Thoma de Hypotheek-protector, ook een woonlastenverzekering, werd aangeboden met de mogelijkheid om deze keuze te maken. Werd de premie niet in aftrek gebracht, dan was een eventuele uitkering niet belast. Uit de overgelegde verklaringen van [naam 4] en [naam 5] blijkt dat dit medio 2013 aan [eiser] is gezegd met verwijzing naar het aanvraagformulier van Gema. Of dit ook aan de orde is geweest ten tijde van het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst, kunnen zij zich niet herinneren. Volgens [naam 1] , die een bureau heeft naast [naam 5] , is in de periode van de eerste berekening tot de uiteindelijke polis tussen [eiser] en [naam 5] gesproken over de vraag of de eventuele uitkering belast zou zijn of niet. Aan [eiser] is gezegd dat als je de premie niet als aftrekpost had gebruikt, de uitkering niet belast was. Op zich is dit ook niet verwonderlijk, omdat volgens de verklaring van Thoma ter zitting deze keuzemogelijkheid pas is vervallen per 1 januari 2011, hetzelfde jaar waarin onderhavige polis is afgesloten. Voorts is ook het feit dat [eiser] de premie daadwerkelijk niet in aftrek heeft gebracht voor de inkomstenbelasting, waarmee hem in feite een voordeel ontging, een aanwijzing dat hij de gegeven informatie dat een keuze kon worden gemaakt om de premie niet af te trekken en de uitkering dan onbelast te ontvangen, voor juist heeft gehouden. Tot slot bevestigt de email van 23 oktober 2015 van [naam 2] aan Aegon in feite deze gang van zaken. Dat de tekst van deze email aldus is geformuleerd om de kansen voor [eiser] bij Aegon te vergroten en dat hieruit niet mag worden afgeleid dat wordt erkend dat Thoma een fout heeft gemaakt, mag zo zijn. Het staat niet in de weg aan het oordeel dat uit de beschikbare overgelegde en ter zitting afgelegde verklaringen in combinatie met de feitelijke gang van zaken voldoende vaststaat dat Thoma niet ervan mocht uitgaan dat de door [eiser] afgesloten woonlastenverzekering beantwoordde aan zijn doelstellingen, omdat zij op geen enkele wijze heeft geverifieerd of dat zo was.

5.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Thoma op voormelde gronden haar zorgplicht jegens [eiser] niet is nagekomen en zij aansprakelijk is voor de hieruit voor [eiser] ontstane schade.

Causaal verband

5.11.

[eiser] heeft gesteld dat – de tekortkoming/onjuiste informatie weggedacht - de hoogte van de premie voor een verzekerd bedrag van € 500,00 netto geen probleem zou zijn. Voorts heeft [eiser] met verwijzing naar de in de Toelichting Aegon Woonlastenverzekering onder 4. opgenomen zinssnede “U kunt maximaal € 2.500 per maand verzekeren, namelijk (…). Als het totaal verzekerd maandbedrag hoger is dan € 1.250 is een onderbouwing van het verzekerd bedrag noodzakelijk. Bij aanvraag wordt een kopie van de koop- of huurovereenkomst of een jaaropgave van de hypotheekverstrekker gevraagd” gesteld dat hieruit kan worden opgemaakt dat [eiser] zonder enige beperking tot maximaal een bedrag van € 1.250,00 - de rechtbank begrijpt: bruto - per maand had kunnen verzekeren. Aangezien [eiser] met zijn aanvraag al was geaccepteerd door Aegon, was hij ook geaccepteerd bij een hoger verzekerd maandbedrag tot maximaal € 1.250,00 bruto. Thoma heeft het causaal verband tussen de toerekenbare tekortkoming en de gestelde schade betwist. Volgens Thoma zou [eiser] geen woonlastenverzekering hebben afgesloten tegen een twee keer zo hoge premie, terwijl bovendien Aegon de verplichting tot een hogere uitkering niet had willen accepteren gelet op de medisch belaste situatie van [eiser] in de vorm van MS. [eiser] heeft deze stellingen van Thoma betwist.

5.12.

Wat betreft de hogere premie voor een hoger verzekerde som wordt het volgende overwogen. Volgens het polisblad van de woonlastenverzekering betaalt [eiser] € 218,00 premie per 6 maanden, hetgeen per maand neerkomt op € 36,33. [eiser] heeft dit bedrag niet in aftrek gebracht voor de inkomstenbelasting. Een verzekerde som van € 1.000,00 zou neerkomen op een verdubbeling van de premie, maar deze premie zou dan wel in aftrek worden gebracht voor de inkomstenbelasting. Dit impliceert dat de feitelijke verhoging beperkt is en niet zodanig is dat [eiser] om financiële redenen de verzekerde som niet zou hebben verhoogd.

Voor het argument van Thoma dat Aegon [eiser] niet voor een hoger verzekerd bedrag had willen accepteren vanwege de belaste medische situatie van [eiser] geldt het volgende. De stelplicht en bewijslast van de stelling dat [eiser] voor een hoger verzekerd bedrag zou zijn geaccepteerd door Aegon ligt bij [eiser] . Vervolgens ligt het op de weg van Thoma om gemotiveerd verweer te voeren. De bijzonderheid van dit argument van Thoma is dat de gegevens hierover zich in de sfeer van Aegon bevinden, voor wie Thoma als gevolmachtigd agent optreedt. Dit brengt een verzwaarde motiveringsplicht mee voor Thoma. Van Thoma had daarom mogen worden verwacht dat zij het beleid van Aegon op dit punt had kenbaar gemaakt om op deze wijze [eiser] aanknopingspunten voor bewijslevering te bieden. Thoma heeft volstaan met de opmerking dat het de vraag is of Aegon [eiser] voor een hoger verzekerd bedrag in combinatie met de ziekte MS had geaccepteerd en dat het ingevolge artikel 150 Rv aan [eiser] is om dit aan te tonen. Dit kan niet beschouwd worden als een gemotiveerde betwisting, zodat op grond van artikel 149 lid 1 slotzin Rv de stelling van [eiser] als vaststaand wordt beschouwd.

Eigen schuld [eiser]

5.13.

Terecht heeft Thoma aangevoerd dat het ook op de weg van [eiser] had gelegen om bij Thoma te informeren hoe het precies was geregeld met de aftrekbaarheid van de premie. Weliswaar mocht [eiser] in beginsel afgaan op de namens Thoma verstrekte informatie over de keuzemogelijkheid, maar vanaf het moment dat hij over alle door [naam 1] per e-mail verstuurde informatie beschikte, had hij - vanwege het feit dat bij de fiscaliteit geen keuzemogelijkheid werd vermeld - zich moeten afvragen of de informatie waarover hij beschikte wel juist was. Tijdens het gesprek dat [naam 2] met [eiser] heeft gehad over de antwoorden op de medische vragen van het aanvraagformulier, had [eiser] de gelegenheid om dit aan de orde te stellen. [naam 2] was bovendien de leidinggevende van [naam 5] en [naam 4] en naar mag worden aangenomen bij uitstek gekwalificeerd om hierover de juiste informatie te verstrekken. Door dit na te laten heeft [eiser] mede bijgedragen aan het ontstaan van de schade.

5.14.

Wat betreft het aandeel van Thoma en van [eiser] in het ontstaan van schade heeft het volgende te gelden. Zowel Thoma als [eiser] was in de gelegenheid om het onderwerp van de fiscaliteit aan de orde te stellen. Thoma vanuit de op haar rustende zorgplicht en [eiser] om te voorkomen dat hij met een onjuiste voorstelling van zaken de woonlastenverzekering zou aangaan. Aangenomen mag worden dat als één van beiden het onderwerp aan de orde had gesteld, het aanvraagformulier op de door [eiser] gewenste wijze met een maandbedrag van € 500,00 netto was ingevuld. Ieders aandeel in het ontstaan van de schade is dan even groot.

De billijkheid brengt mee dat rekening moet worden gehouden met het feit dat het primair aan Thoma is als professional die handelt in het kader van beroep en bedrijf om haar zorgplicht na te komen jegens [eiser] , die in deze verhouding als consument heeft te gelden, waarvan niet is gebleken dat hij over relevante kennis omtrent fiscaliteit beschikt. [eiser] heeft geen nadere feiten of omstandigheden gesteld die van belang zijn in het kader van de billijkheidscorrectie. Een en ander afwegende bepaalt de rechtbank het aandeel van Thoma op 60% en het aandeel van Thoma op 40%.

Schade

5.15.

Wat betreft de omvang van de schade zijn de verweren van Thoma steekhoudend. Bij de vaststelling van de schade moet rekening worden gehouden met de hogere premie die [eiser] verschuldigd zou zijn geweest, moet [eiser] aantonen welk bedrag hij netto heeft overgehouden van het verzekerde maandbedrag, zal bij een bedrag ineens gekapitaliseerd moeten worden en zal bepaald moeten worden welk deel van de schade op grond van eigen schuld voor rekening van [eiser] blijft. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de bepaling van de omvang van de schade.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 september 2017 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder 5.15, waarna de wederpartij op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,

6.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2017.

St/MK