Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4489

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
C/05/321860 / KG RK 17/562
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen, uit de enkele omstandigheid dat de rechter betrokken is geweest bij de berechting van de strafzaak tegen een persoon die verzoeker een medeverdachte noemt, kan niet worden afgeleid dat de rechter blijk heeft gegeven van een vooringenomenheid jegens de persoon van verzoeker. Dat wordt niet anders in het geval dat in de strafzaak van de medeverdachte ook het een en ander is overwogen over het handelen van verzoeker dat voorwerp van berechting vormt. De rechter heeft in het vonnis weliswaar aandacht besteed aan feiten en omstandigheden die in beide zaken van belang kunnen zijn, maar daarbij en daarmee is nog niets gezegd over de (rechts)positie van verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/321860 / KG RK 17/562

Beschikking van 24 augustus 2017

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. H.C. Leemreize,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2017 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

  • -

    het schriftelijke verweer van de rechter van 4 augustus 2017;

  • -

    de overlegde pleitaantekeningen door de raadsman van verzoeker.

Bij de mondelinge behandeling is de raadsman van verzoeker, mr. R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem, verschenen. Mr. Frijns heeft het standpunt van verzoeker in overgelegde pleitaantekeningen toegelicht. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek tot strekt tot wraking van de rechter als rechter in de zaak met nummer

05/031935-17 tegen verzoeker als verdachte.

2.2

Namens verzoeker wordt gesteld dat het wrakingsverzoek slaagt omdat kort gezegd in de eerdere strafzaak tegen een verdachte van mishandeling van verzoeker, al een uitspraak is gedaan over de schuld van verzoeker. De rechter heeft een aantal uitlatingen in die eerdere zaak gedaan die geen andere conclusie toelaten dan dat een beroep op noodweer door verzoeker, die wordt verdacht van mishandeling van deze persoon, zal stranden en dat de rechter dus tot een veroordeling zal komen. De uitlatingen van de rechter zijn dusdanig dat ze in ieder geval in onderlinge samenhang bezien tot de schijn van vooringenomenheid leiden.

2.3

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en voert verweer. Zij stelt het volgende. In de zaken, meer in het bijzonder in de beide tenlasteleggingen, is naar het oordeel van de rechter sprake van twee verschillende, in tijd en naar hun aard voldoende duidelijk te onderscheiden feiten. Tussen de beide mondelinge behandelingen lag relatief veel tijd. Verzoeker was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling van de eerdere zaak en uit het dossier was ook af te leiden dat verzoeker en de ander elkaar uit de weg wensten te gaan. Om die reden heeft de rechter besloten in de zaak van de ander meteen uitspraak te doen en daarmee niet te wachten tot na de de mondelinge behandeling van de zaak van verzoeker. De rechter heeft daarbij naar haar mening de motivering van haar oordeel zorgvuldig en afgebakend geformuleerd, juist om daarmee het nemen van een voorschot op de zaak tegen verzoeker te voorkomen.

3 De beoordeling

3.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 36 en 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering/ 512 en 513 Wetboek van Strafvordering/ 8:15 en 8:16 Algemene wet bestuursrecht en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is.

Met inachtneming hiervan overweegt de wrakingskamer het volgende.

3.2

Uit de enkele omstandigheid dat de rechter betrokken is geweest bij de berechting van de strafzaak tegen een persoon die verzoeker een medeverdachte noemt, kan niet worden afgeleid dat de rechter blijk heeft gegeven van een vooringenomenheid jegens de persoon van verzoeker. Dat wordt niet anders in het geval dat in die eerdere strafzaak beslissingen zijn genomen over het handelen van verzoeker dat voorwerp van berechting vormt. Het behoort immers tot de normale, wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in artikelen 348 en 350 Sv vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan verzoeker is tenlastegelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande, en daarbij hetgeen zij heeft beslist in een andere zaak (tegen een andere verdachte) buiten beschouwing te laten. De rechter heeft in het vonnis in de eerdere zaak weliswaar aandacht besteed aan feiten en omstandigheden die in beide zaken van belang kunnen zijn, maar daarbij en daarmee is nog niets gezegd over de (rechts)positie van verzoeker. Zo wordt verzoeker daarin niet als dader van mishandeling van die andere persoon aangeduid. De overweging in dit vonnis dat er aan beide kanten sprake was van “agressie” en van een oververhitte reactie, staat ook niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer. De gang van zaken levert naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook geen zwaarwegende aanwijzingen als hiervoor bedoeld op. Het verzoek is mitsdien ongegrond.

4 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door de mrs. H.P.M. Kester- Bik, M.J. van Lee en M.J.C. van Leeuwen in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Verhagen en in openbaar uitgesproken op 24 augustus 2017.

- de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.