Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4475

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
296953 en 298691
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de tussenbeschikking heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en de verzoeken ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aangehouden. De rechtbank heeft een deskundigenonderzoek bevolen. Aan de deskundige zijn vragen voorgelegd die betrekking hebben op het voornemen van de provincie om (een deel van) de gronden behorende tot het agrarische bedrijf van partijen te verwerven ten behoeve van de aanleg van een rondweg. In beginsel zijn drie scenario’s denkbaar a. algehele bedrijfsverplaatsing; b. reconstructie van het bedrijf ter plaatse; c. bedrijfsbeëindiging. De gestelde vragen hebben betrekking op de haalbaarheid en financiële consequenties. De rechtbank overweegt dat de wens van de vrouw om de boerderij te reconstrueren op dezelfde plek redelijk en billijk is ten opzichte van het recht van de man op een zo groot mogelijke vergoeding. De vrouw krijgt de gelegenheid om een deel van het benodigde bedrag te financieren. Het restant van het bedrag houdt de man van de vrouw tegoed en dient zij uit te betalen op het moment dat zij het bedrijf beëindigt. Indien het de vrouw niet lukt het benodigde bedrag te financieren zullen partijen de onderhandelingen met de provincie moeten voortzetten met liquidatie van het bedrijf als uitgangspunt.

Verder beslist de rechtbank op de gebruiksvergoeding van de woning, de bankrekeningen, de belastingaanslag, de aandelen Friesland Campina, kapitaalpolis, de inboedel, de auto’s, de paarden, de nota’s van mediation, het vakantiegeld van de man, de no-claim van de autoverzekering en de verrekenposten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer(s): 296953 FZ RK 16-298 en 298691 FZ RK 16-598

beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 25 augustus 2017

in de zaak tussen:

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. P.A. Roscam Abbing te Zutphen,

t e g e n

[naam man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, hierna te noemen de man,

advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks te Nijmegen.

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Dit verdere verloop blijkt uit:

  1. de tussenbeschikking van deze rechtbank van 13 december 2016;

  2. het journaalbericht met bijlagen van mr. Roscam Abbing van 13 december 2016;

  3. de brief met als bijlage het deskundigenrapport van ir. Q.G.W. van den Oord ab van 21 juni 2017;

  4. e brief van mr. H. Krans van 29 juni 2017;

  5. het journaalbericht met bijlagen van mr. Schellens-Stoks van 11 juli 2017;

  6. het journaalbericht met bijlagen van mr. Roscam Abbing van 17 juli 2017;

  7. het journaalbericht met bijlagen van mr. Roscam Abbing van 24 juli 2017;

  8. et journaalbericht met bijlagen van mr. Schellens-Stoks van 24 juli 2017.

1.2.

Gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 10 juli 2017 zijn beide partijen, bijgestaan door hun advocaten, waarbij mr. Krans mr. Roscam Abbing in het kader van de zitting heeft vervangen, en voorts de deskundige. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank neemt over hetgeen in voormelde tussenbeschikking is overwogen en beslist. In deze beschikking is de echtscheiding uitgesproken. De verzoeken ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn aangehouden alsmede de beslissing ten aanzien van de kosten van de procedure. Voorts heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen en ir. Q.G.W. van den Oord, werkzaam bij Flynth te Doetinchem, benoemd tot deskundige.

2.2.

Aan de deskundige zijn vragen voorgelegd die betrekking hebben op het voornemen van de provincie om (een deel van) de gronden behorende tot het agrarische bedrijf van partijen te verwerven ten behoeve van de aanleg van de rondweg N345 De Hoven. In beginsel zijn drie scenario’s denkbaar: a. algehele bedrijfsverplaatsing; b. reconstructie van het bedrijf ter plaatse; c. bedrijfsbeëindiging. De gestelde vragen binnen deze scenario’s hebben betrekking op de haalbaarheid en financiële consequenties, uitgaande van de overgelegde jaarstukken van de onderneming van 2010 tot en met 2015 en voor zover beschikbaar de prognose over 2016 in het licht van de door de provincie aangeboden schadeloosstelling en de verplichting van de vrouw tot uitkoop van het aandeel van de man.

De onderneming

het deskundigenrapport

2.3.

Op 21 juni 2017 heeft de deskundige zijn rapport afgerond en de rechtbank geadviseerd. In dit rapport is de deskundige ingegaan op de drie geschetste scenario’s. Binnen de scenario’s A en B heeft hij enkele verschillende varianten doorberekend.

In voortzettingsscenario A (algehele bedrijfsverplaatsing) zal bij scenario A3 – kortweg: 637.500 kg. melk en 42,83 ha. in gebruik (waarvan 7,6 ha. eigendom; van het restant 33,6 ha. in pacht – uitgaand van een maximale pachtprijs overeenkomstig de regionorm tot een overnamesom van € 225.000,-- een haalbare (gezonde) voortzetting mogelijk zijn.

In voortzettingsscenario B (reconstructie van het bedrijf ter plaatse) zal bij scenario B2 – kortweg: 637.500 kg. melk en 42,83 ha. in gebruik (gelijke eigendomsstatus en condities als heden) – tot een maximale overnamesom van € 175.000,-- een haalbare (gezonde) voortzetting mogelijk zijn. Uitgaande van scenario B2 (*) – kortweg: 552.500 kg. melk en 36,66 ha. – zal tot een maximale overnamesom van € 90.000,-- een haalbare (gezonde) voortzetting mogelijk zijn.

Bij een ongewijzigde bedrijfsvoering (380.000 kg. melk) in combinatie met voortzettingsscenario A of B zal geen sprake zijn van een gezonde en levensvatbare onderneming en zal scenario C (bedrijfsbeëindiging) aan de orde zijn.

Voor wat betreft het beëindigingsscenario (scenario C): het aandeel van de man zal dan afgerond € 922.000,-- bedragen. Na aftrek van de te betalen belasting bij volledig afrekenen van € 335.000,-- (indicatie) zal afgerond € 587.000,-- resteren.

het standpunt van de vrouw

2.4.

De vrouw maakt aanspraak op een reconstructie ter plekke, gelet op haar historische en lokale vergroeidheid met het bedrijf. Zij is bereid de man in deze situatie uit te kopen voor een bedrag van € 175.000,--, waarbij de provinciale schadeloosstelling aan de vrouw toekomt. Uit het rapport van de deskundige blijkt afdoende dat het bedrijf in die situatie levensvatbaar is en gezond zal zijn. De vrouw betwist dat de man aanspraak kan maken op de toekomstige inkomensschade van de vrouw, zoals die door de provincie wordt vergoed. De vrouw lijdt deze schade, de man niet. Dat de man nu, in het licht van de schadeloosstelling door de provincie, een eigen onderneming wenst te starten, mag niet ten laste van de vrouw komen.

het standpunt van de man

2.5.

De man stelt dat de belangrijkste conclusie van de deskundige is dat het bedrijf niet levensvatbaar is op basis van het huidige prestatieniveau. Bij een ongewijzigde bedrijfsvoering kan geen sprake zijn van een gezonde en levensvatbare onderneming en dan is scenario C. aan de orde. Alleen bij een substantiële bedrijfsuitbreiding kan sprake zijn van een levensvatbare onderneming. Naar de mening van de man moet de voortzettingswens van de vrouw worden beoordeeld op basis van de bedrijfsomvang/bedrijfsprestaties tot en met 2016 en niet op basis van uitbreiding. Er is geen enkele redelijke grond en het is ook in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen deelgenoten beheerst, om daarvan af te wijken. Nu de deskundige expliciet heeft geoordeeld dat geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf op basis van de prestaties tot en met 2016, meent de man dat de vrouw moet accepteren dat bedrijfsbeëindiging de beste optie is. De man is dan ook primair van mening dat optie C. het uitgangspunt moet zijn voor de waardering en verdeling van de onderneming, echter op basis van de uiteindelijk te realiseren prijs die de provincie bereid is te betalen op basis van minnelijke verwerving van het geheel. De scenario’s A. en B. zijn niet haalbaar. Zowel bij volledige verplaatsing als bij reconstructie ter plaatse heeft de onderneming volgens de deskundige extra financiering nodig om alle investeringen te kunnen betalen, meer dan het bedrag dat zij maximaal kan lenen volgens de deskundige. De vrouw komt dan een groot bedrag te kort. Daarbij is het de vraag of een bank de financiering aan de vrouw wil verstrekken; er wordt niet alleen gekeken naar de resultaten uit het verleden, maar ook naar het geschetste toekomstperspectief, het opvolgingsperspectief, de ondernemer, het ondernemerschap, cliënthistorie, risico, zekerheden en onderpand. De man verwacht dat de vrouw deze financiering niet kan regelen. Voorts merkt de man op dat de deskundige zich heeft gebaseerd op de situatie dat er nog geen rekening is gehouden met de verplichting van de vrouw om de man uit te kopen; dat is de omgekeerde wereld.

De man is daarnaast van mening dat het volstrekt onzeker is of de vrouw bij reconstructie ter plaatse met dezelfde hoeveelheid grond verder kan. De man heeft daartoe contact gehad met een beleidsmedewerker van de gemeente Zutphen. Die vertelde dat de gemeente zelf meer grond nodig heeft, omdat er plannen zijn voor de aanleg van een parkzone. De rentmeester van de gemeente Zutphen heeft desgevraagd kenbaar gemaakt dat de gemeente geen extra grond beschikbaar heeft en niet verplicht kan worden om vervangende grond ter beschikking te stellen.

nadere overwegingen van de rechtbank

2.6.

Om te beginnen overweegt de rechtbank dat zij in de overwegingen hierna het rapport van de deskundige tot uitgangspunt zal nemen. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de man dat het rapport op onjuiste gronden is opgesteld, zoals bijvoorbeeld de taxatie van de panden en de uitbreiding van de veestapel. De deskundige heeft gebruik gemaakt van een eerdere taxatie van de boerderij opgesteld door een beëdigd rentmeester NVR en taxateur landelijk vastgoed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat deze taxatie een onjuist uitgangspunt is voor het deskundigenrapport. Het enkele feit dat de taxatie in het kader van mediation heeft plaatsgevonden is daarvoor onvoldoende.

2.7.

Ten aanzien van de uitbreiding van de veestapel overweegt de rechtbank dat deze ontwikkeling van het bedrijf noodzakelijk is om gezond te blijven en een toekomst te hebben. Daarbij overweegt de rechtbank dat gebleken is dat ook in de huidige situatie het aantal stuks vee uitgebreid kan worden, zonder dat de bedrijfsgebouwen uitgebreid worden. Het huidige bedrijf bezit deze potentie dus al. De rechtbank acht het dan ook redelijk uit te gaan van een grotere veestapel bij voortzetting van het bedrijf en gaat voorbij aan het standpunt van de man dat uitgegaan moet worden van de huidige capaciteit van het bedrijf en niet van een ontwikkeling van de capaciteit.

2.8.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat drie scenario’s denkbaar zijn betreffende de toekomst van de boerderij van partijen: a. algehele bedrijfsverplaatsing; b. reconstructie van het bedrijf ter plaatse; c. bedrijfsbeëindiging. Uit het rapport van de deskundige komt naar voren dat ieder scenario een ander kostenplaatje met zich brengt. De rechtbank zal ieder scenario, voor zover relevant, afzonderlijk bespreken.

scenario A.

2.9.

Nu de vrouw uitdrukkelijk geen algehele verplaatsing van het bedrijf wenst, zal de rechtbank niet ingaan op dit scenario. Immers de man kan de vrouw niet verplichten zich elders te vestigen.

scenario B.

2.10.

De vrouw wenst de boerderij over te nemen en te reconstrueren op dezelfde plek. De deskundige heeft dit scenario uitgesplitst in drie deelscenario’s. De eerste variant betreft een reconstructie van het bedrijf ter plaatse gelijk aan heden, met 42,83 ha. grond met gelijke eigendomssituatie en condities ter beschikking van het bedrijf zonder financiering ten behoeve van uitkoop van het aandeel van de man (scenario B1). De tweede variant betreft een reconstructie van het bedrijf ter plaatste gelijk aan heden met 42,83 ha. grond met gelijke eigendomssituatie waarbij zoveel extra financiering is opgenomen dat een juist lonende voortzetting ontstaat (scenario B2). Voorts is een alternatief opgenomen waarin na reconstructie van het bedrijf ter plaatse als alternatief is uitgegaan van 36,66 ha. en 552.500 kg. melk, waarbij zoveel extra financiering is opgenomen dat een juist lonende voortzetting ontstaat. Dit is scenario B2 (*).

2.11.

De provincie zal in de situatie dat de boerderij wordt gereconstrueerd op dezelfde locatie, uitgaand van het huidige bod, € 850.923,-- uitkeren. Uit producties 14 en 15 van de deskundige blijkt dat de vrouw in die situatie, naast het te ontvangen bedrag van de provincie, € 414.223,-- moet investeren in herbouw en uitbouw van het bedrijf. Zij kan dan nog € 175.000,-- lenen om aan de man uit te betalen in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De deskundige gaat daarbij uit van een bedrijfswinst die oploopt tot € 68.100,--.

2.12.

Zoals hiervoor overwogen, wordt ervan uitgegaan dat de provincie in deze situatie € 850.923,-- zal uitkeren. Aangezien als peildatum voor de waardering van de onderneming als uitgangspunt de datum van verdeling geldt, is de rechtbank van oordeel dat de gehele vordering op de provincie in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen valt. Hoewel de omvang van het bedrag nog niet definitief vaststaat zolang er geen eindovereenstemming is, is tussen partijen niet in discussie dat het bedrag in elk geval niet lager zal worden. Gelet hierop is de vordering voldoende bepaalbaar, ook al betreft het een toekomstige vordering. Er is weliswaar nog geen sprake van een opeisbare vordering, maar de belangstelling van de provincie heeft een waardeverhogend effect op de onderneming (althans de grond), waarmee in de verhouding tussen partijen rekening dient te worden gehouden. Het opeisbaar worden is bovendien nog slechts afhankelijk van de instemming van partijen met het bod, waarvoor eerst duidelijkheid moet komen over de verdeling en de vraag of de vrouw de onderneming ter plaatse kan voortzetten.

2.13.

Ingevolge artikel 1:100 BW hebben de echtgenoten tussen wie een gemeenschap van goederen bestond, in beginsel een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Afgezien van de in de wet genoemde gevallen, is een afwijking van deze regel niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap. De door de vrouw gestelde gronden bieden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grondslag voor afwijking van een verdeling bij helfte.

2.14.

Binnen scenario B heeft de deskundige vier deelberekeningen uitgewerkt (bijlage 17 bij het rapport). Gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt van de verdeling bij helfte heeft de man recht op zijn aandeel naar de maatschapsakte + 50% van het verschil tussen de waarde in het economische verkeer (hierna:WEV) en 50% van de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (hierna: WEVAB) + 50% van de inkomens-/herinvesteringsschade. Op grond van de maatschapsakte is de vrouw weliswaar gerechtigd de onderneming over te nemen tegen de verpachte waarde, maar op grond van het huwelijksvermogensrecht bestaat daarvoor geen grond. Daarom dient aan de man bovenop het aandeel op grond van de maatschapsakte niet slechts de helft van het verschil tussen de WEV en de WEVAB te worden vergoed, maar het verschil tussen de WEV en 50% van de WEVAB.

2.15.

Op grond van de maatschapsakte heeft de man recht op een bruto vergoeding van € 99.638,--. De man betwist weliswaar dat hij gebonden is aan de gemaakte afspraken, echter hij heeft zijn standpunt dat de onderliggende taxaties niet bruikbaar zijn niet met inhoudelijke argumenten onderbouwd. De rechtbank verwijst daarbij naar de eerdere overwegingen hieromtrent. Daarom oordeelt de rechtbank dat de deskundige bruikbare uitgangspunten heeft gehanteerd en stelt de rechtbank het aandeel van de man op basis van de maatschapsakte op € 99.638,--.

2.16.

Vervolgens heeft de man recht op 50% van het verschil tussen de WEV en 50% van de WEVAB. De WEV bedraagt € 527.215,--. De WEVAB bedraagt € 312.500,--. De helft hiervan is € 156.250,--. 50% van (€ 527.215,-- minus € 156.250,--) = € 185.482,50.

2.17.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de man recht heeft op een vergoeding van de inkomens- en herinvesteringsschade. Deze schade is door de provincie vastgesteld op € 289.208,--. De rechtbank deelt de helft van dit bedrag toe aan de man zijnde € 144.604,--.

2.18.

Uitgaande van de voormelde bedragen komt in totaal € 429.724,50 (voor belastingen) toe aan de man.

scenario C.

2.19.

In deze situatie wordt het bedrijf beëindigd en krijgt zowel de man als de vrouw € 921.782,-- bruto uitgekeerd.

keuze

2.20.

De vrouw wenst de boerderij te reconstrueren op dezelfde plek en de man wenst de boerderij te beëindigen. De rechtbank zal op basis van de redelijkheid en billijkheid een afweging maken.

2.21.

In de tussen partijen geldende maatschapsakte is opgenomen dat in geval van ontbinding van de maatschap op de gronden, genoemd in artikel 17.1, alsmede ingeval van ontbinding van de maatschap ingevolge het bepaalde in artikel 17.2 sub b t/m e, de overblijvende vennoot het recht heeft om de maatschapsactiviteiten hetzij alleen, hetzij met anderen, voort te zetten, mits zijn wens daartoe schriftelijk te kennen gevende aan de defungerende vennoot, of diens rechtverkrijgenden, binnen drie maanden na de ontbinding van de maatschap (artikel 19 van de maatschapsakte).

2.22.

In het op 12 november 2015 door partijen gesloten deelconvenant zijn partijen overeengekomen dat de maatschap wordt ontbonden per 1 januari 2014 en dat de vrouw de onderneming vanaf die datum voortzet als eenmanszaak. Voor de afrekening van ieders aandeel ter zake de maatschap [naam maatschap] geldt als peildatum 1 januari 2014. Dit laat onverlet de aanspraken van de man op zijn aandeel in de eventueel na de peildatum te ontvangen schadeloosstelling van de provincie Gelderland in verband met de voorgenomen grondaankoop/onteigening en het recht van de man om gezamenlijk met de vrouw de onderhandelingen te voeren.

2.23.

Voorts overweegt de rechtbank dat, gelet op de door de deskundige gepresenteerde prognoses, een redelijk handelend ondernemer in alle redelijkheid kan beslissen de onderneming voort te zetten. Er is sprake van een levensvatbare onderneming met ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst.

2.24.

Gelet op de afspraken in de maatschapsakte, het deelconvenant en de prognose voor de toekomst, acht de rechtbank de wens van de vrouw om de boerderij voort te zetten redelijk en billijk ten opzichte van de man. Daaraan doet niet af dat het aan de man uit te keren bedrag ingeval de onderneming geliquideerd zal worden ongeveer € 300.000 netto hoger is. Aannemelijk is - gelet op de bedragen vermeld in scenario A - dat in geval van liquidatie de uitkering voor geen van beiden hoog genoeg zal zijn een levensvatbare onderneming van vergelijkbare omvang op een nieuwe locatie te beginnen.

2.25.

De rechtbank neemt voor de uitkoop van de man het overwogene onder scenario B tot uitgangspunt. In totaal komt € 429.724,50 (bruto) toe aan de man. De rechtbank houdt echter rekening met een claim latente inkomstenbelasting welke claim de rechtbank toerekent aan de vrouw. De man heeft zijn stelling dat een uitkering fiscaal neutraal kan plaatsvinden onvoldoende onderbouwd. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de claim kan doorschuiven naar zijn eigen op te starten onderneming en de vrouw heeft dit betwist. Ook de stelling dat een herinvesteringsreserve gevormd kan worden is niet onderbouwd. Daar komt bij dat de vrouw begrensd is ter zake van de hoogte van een uit te keren bedrag. Ook in dat licht acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw een netto bedrag uitkeert aan de man en dat de latente inkomstenbelastingschuld aan haar wordt toegerekend. Daarbij ziet de rechtbank aanleiding ook over de inkomens-/herinvesteringsschade een latente claim van 20% te berekenen. Dit betekent dat het netto bedrag dat aan de man toekomt (voor het overige aansluitend bij de getallen uit bijlage 17 van het deskundigenrapport) uitkomt op € 236.534,50 + 80% x € 144.604,-- = € 352.217,70.

2.26.

Op basis van de te verwachten bedrijfswinst, zoals door de deskundige berekend, kan de vrouw naar alle waarschijnlijkheid een bedrag van € 175.000,-- financieren bij een bank. De deskundige is daarbij uitgegaan van een te verwachten bedrijfswinst die hoger is dan het bedrijfsresultaat toen partijen nog bij elkaar waren. De onderbouwing hiervoor is gelegen in het feit dat de deskundige als uitgangspunt heeft genomen dat per geproduceerde kg. melk € 0,07 beschikbaar moet zijn voor aflossing, investering en reservering (in de langetermijnprognose opgenomen als reserveringscapaciteit). Ook heeft hij rekening gehouden met een bedrag van € 19.300,-- aan privéonttrekkingen en een bedrag aan belastingen, heeft hij gecorrigeerd voor afschrijvingen en heeft hij een bedrag van € 12.500,-- aan vervangingsinvesteringen opgenomen. Het bedrag van € 19.300,-- is min of meer gebaseerd op de feitelijke onttrekkingen in 2014, 2015 en 2016 en ligt beneden het gemiddelde bedrag voor melkveebedrijven, aldus de deskundige. Het bedrag van € 12.500,-- is gebaseerd op kengetallen van 1.500 melkveebedrijven in het bedrijfsvergelijkingssysteem van Flynth.

2.27.

Uitgaand van een productie van 637.500 kg. melk per jaar bedraagt de wenselijke reserveringscapaciteit € 44.625,--. De rechtbank constateert dat de reserveringscapaciteit in de langetermijnprognose B2 (bijlage 15 bij het deskundigenrapport) vanaf 2020 boven dat bedrag uitkomt, mede als gevolg van het feit dat door aflossingen minder rente verschuldigd zal zijn. Dit wordt mede verwoord in de marge die vanaf 2020 ontstaat. Dit brengt mee dat er naar het oordeel van de rechtbank een grotere leencapaciteit beschikbaar is voor de vrouw.

2.28.

De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat het bedrag aan privéonttrekkingen van € 19.300,-- te hoog is, maar ziet hierin wel enige ruimte voor de vrouw eventueel moeilijke jaren door te komen. Voor 2018 is uitgaand van de cijfers in het deskundigenrapport sprake van een sterk negatieve marge. Dit heeft te maken met een eenmalige buitengewoon hoge post accountants- en advieskosten. Nu dit volgens de prognose het jaar zal zijn waarin de vrouw de schadeloosstelling ontvangt en extra geld zal lenen om onder meer de nieuwe veehuisvesting te plaatsen, is niet onderbouwd waarom ook in dat jaar rekening moet worden gehouden met daarbovenop een vervangingsinvestering van € 12.500,--. Dat het gemiddelde bedrijf een dergelijk bedrag besteedt, kan voor dat jaar geen reden zijn hiermee rekening te houden, nu de onderneming als gevolg van de uitvoerige investeringen die gedaan moeten worden in 2018 op dit punt niet met een gemiddeld bedrijf kan worden vergeleken. Als deze post wordt geëlimineerd, is de marge ook in 2018 al licht positief.

2.29.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de onderneming nog levensvatbaar is als de bedrijfswinst € 3.000,-- per jaar lager uitkomt. Dit bedrag is daarmee beschikbaar om als rente op een extra lening te betalen. Uitgaand van het door de deskundige gehanteerde rentepercentage van 4, betekent dit dat aannemelijk is dat eiseres € 75.000,-- meer kan lenen en aan de man € 250.000,-- kan uitbetalen.

2.30.

Het resterende bedrag van € 102.218,--, verminderd met het bedrag dat de man de vrouw verschuldigd is in verband met de overige posten die verdeeld en verrekend moeten worden, blijft de vrouw schuldig aan de man tegen een rente van 2% per jaar, die zij jaarlijks aan de man dient uit te betalen. Op het moment dat de vrouw de onderneming in de huidige vorm beëindigt, dan wel uiterlijk het moment dat zij de pensioengerechtigde leeftijd volgens de AOW-wetgeving bereikt of op het moment dat zij de onderneming overdraagt, dient de vrouw het resterende bedrag aan de man uit te keren. Uiteraard staat het de vrouw vrij de man eerder (geheel of gedeeltelijk) te betalen.

2.31.

De rechtbank acht het redelijk de vrouw een termijn te bieden van twee maanden na de datum van deze beschikking om de financiering van minimaal € 250.000,-- te realiseren. Indien en voor zover zij na afloop van deze termijn geen financiering heeft kunnen realiseren om de man zijn aandeel uit te keren, dienen de onderhandelingen met de provincie erop gericht te worden dat de onderneming zal worden geliquideerd. In dat geval komt aan elk van partijen de helft van het uiteindelijk door de provincie uit te betalen bedrag toe.

2.32.

Mocht de vrouw de onderneming voortzetten en uiteindelijk van de provincie een hoger bedrag dan € 850.923,-- ontvangen, dan dient zij ook de helft van het meerdere aan de man uit te betalen.

Overige posten

gebruiksvergoeding bedrijf en vergoeding voortzetten bedrijf

2.33.

De man heeft zijn verzoek om een gebruiksvergoeding van het bedrijf ingetrokken. De rechtbank hoeft derhalve niet te beslissen op dit verzoek.

2.34.

De vrouw heeft haar verzoek om de man te veroordelen om aan haar een vergoeding te voldoen ter zake van door haar verrichte arbeidsinspanningen op de boerderij ingetrokken. Ook op dit verzoek hoeft dus niet meer te worden beslist.

gebruiksvergoeding woning

2.35.

De man verzoekt de rechtbank een gebruiksvergoeding vast te stellen, nu de vrouw het genot heeft van de echtelijke woning. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.36.

De rechtbank overweegt als volgt. Het is de keuze van partijen geweest dat de vrouw de onderneming zou voortzetten. Daaruit vloeit voort dat de vrouw de voormalige echtelijke woning bewoont. Nu het gegeven dat de vrouw in de woning woont, voortvloeit uit eerder gemaakte afspraken van partijen, waarbij niets is afgesproken over (de aanspraak op) een vergoeding voor dat woongenot, zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.

bankrekeningen

2.37.

Partijen zijn eenstemmig over de verdeling van de bankrekeningen, in die zin dat elk de rekeningen behoudt die op zijn of haar naam staan en dat de saldi per 1 januari 2014 bij helfte zullen worden gedeeld. De saldi op de Rabo Totaalrekening, de Rabo Internetspaarrekening en de Rabo Directrekening die de vrouw behoudt bedragen in totaal € 898,48. Het saldo van de Rabo Directrekening van de man bedraagt € 1.769,07. Dit betekent dat de man aan de vrouw de helft van het verschil, oftewel € 435,29, dient te vergoeden.

belastingaanslag 2013 ten name van de man

2.38.

Partijen zijn eenstemmig over de wijze waarop de belastingaanslag 2013 moet worden verrekend. Zowel de voorlopige aanslag 2013 als de naderhand ontvangen teruggave is ontvangen c.q. betaald van de gezamenlijke rekening. De man dient € 1.285,50 aan de vrouw te vergoeden.

aandelen Friesland Campina

2.39.

Partijen zijn eenstemmig over de verdeling van de aandelen, ieder houdt de aandelen die op zijn c.q. haar naam staan. Het waardeverschil is € 150,--, wat betekent dat de man aan de vrouw € 75,-- dient te vergoeden. Voorts zijn partijen eenstemmig over het feit dat de uitgekeerde prestatietoeslagen aan de vrouw toekomen. In dit verband dient de man aan de vrouw nog € 4.790,07 te vergoeden.

2.40.

Nu de vrouw erkent dat aan de man de rente toekomt die hem is uitgekeerd op de vrije leden rekening, voor zover die betrekking heeft op de waarde van de obligaties per januari 2014, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen. De rechtbank volgt de man in zijn berekening, die uitkomt op € 1.952,25.

2.41.

Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de waardestijging van de ledenobligaties van de man na 1 januari 2014 verrekend dient te worden. De obligaties van de man zijn tot 31 december 2016 in waarde gestegen met € 6.750,--. Dit bedrag komt aan de vrouw toe. In totaal dient de man dus aan de vrouw te betalen € 75,-- + € 4.790,07 -/- € 1.952,25 + € 6.750,-- = € 9.662,82.

ABN AMRO polis

2.42.

Partijen zijn eenstemmig over het feit dat elk de uitkering op de eigen polis bij ABN AMRO behoudt zonder nadere verrekening.

inboedel

2.43.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de man de door hem gevraagde spullen (muntenverzameling, miniatuurvrachtwagens en -auto’s en sterrenkijker) krijgt. Afgesproken is dat de vrouw deze spullen binnen twee weken na de zitting naar het kantoor van haar raadsman zou brengen alwaar de man deze spullen kon ophalen. Nu partijen zich hierover niet nader hebben uitgelaten, gaat de rechtbank ervan uit dat de inboedelgoederen zijn verdeeld en dat geen beslissing van de rechtbank meer nodig is.

auto’s

2.44.

De vrouw heeft ter zitting ingestemd met toedeling van de auto’s aan de man, onder verrekening van de helft van de waarde van € 1.250,--. De man dient dus € 625 aan de vrouw te vergoeden.

paarden

2.45.

De vrouw heeft ter zitting ingestemd met toedeling van de drie paarden aan de man, waarbij de man de helft van de waarde van de paarden aan de vrouw dient te vergoeden. De rechtbank stelt de waarde van de paarden op € 1.500,--, zodat de man € 750,-- aan de vrouw dient te vergoeden.

nota’s Accon

2.46.

De vrouw stelt dat de man een deel van de nota’s van Accon aan de vrouw dient te vergoeden, nu deze nota’s gedeeltelijk betrekking hebben op het mediationtraject dat partijen hebben doorlopen.

2.47.

De man is van mening dat de vrouw heeft nagelaten uitgesplitste nota’s over te leggen. Er zijn geen bewijsstukken waaruit blijkt welke facturen betrekking hebben op de mediation en welke op de zakelijke facturatie. Op basis van door Accon aan de man verstrekte informatie komt de man aan een totaal van € 4.903,-- (exclusief btw) als kosten voor mediation. De man is bereid de helft van dit bedrag te voldoen. De btw heeft de vrouw teruggevraagd, dus dat zijn geen kosten.

2.48.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat een deel van de kosten van Accon betrekking heeft op de mediation. De hoogte van het bedrag is in geschil. De specificaties op de achterzijde van de overgelegde nota’s geven slechts zeer beperkt inzicht in het doel van de werkzaamheden. Met name de term “estate planning” laat ruimte voor interpretatie. Daar komt bij dat blijkens de mail van Accon aan de man na 13 oktober 2014 aan partijen afzonderlijk nota’s zijn gestuurd, zodat de man vanaf dat moment al de helft van de kosten heeft gedragen. In dit licht is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar vordering hoger is dan het bedrag dat de man heeft erkend. De rechtbank bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw moet vergoeden daarom op € 2.451,50.

vakantiegeld van de man

2.49.

De man erkent dat de helft van het vakantiegeld dat hij heeft opgebouwd van mei tot en met december 2013 aan de vrouw toekomt. Blijkens de loonstrook van de man van december 2013 is het opgebouwde vakantiegeld € 1.069,60 bruto. Rekening houdend met 42% inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen is dit netto € 620,37. De helft hiervan, oftewel € 310,18, komt toe aan de vrouw.

no-claim

2.50.

De vrouw stelt dat zij haar no-claim op de verzekering van de auto is kwijtgeraakt doordat de man niet wilde meewerken aan de wijziging van de verzekering. De auto’s hebben altijd op naam van de man gestaan. De man wilde er niet aan meewerken dat de vrouw als bestuurder van (een van) de auto’s aangemerkt zou worden. De vrouw moest hierdoor opnieuw beginnen met het opbouwen van haar no-claimkorting.

2.51.

De man heeft ter zitting toegelicht dat hij geprobeerd heeft de no-claim van partijen op naam van hun zoon te stellen. Dat is niet gelukt.

2.52.

De rechtbank overweegt dat de vrouw niet inzichtelijk heeft gemaakt welke schade zij heeft geleden door het handelen van de man en zal haar verzoek op dit punt dan ook afwijzen.

overige verrekenposten

2.53.

De man heeft ingestemd met vergoeding van de prolongatiepremie van de verzekeringen bij ABN Amro over 2014. Dit is een bedrag van € 3.106,58. De vrouw heeft vergoeding van nog twee bedragen gevorderd. Deze zijn in 2013 betaald. De vrouw heeft niet onderbouwd dat de

betalingen betrekking hebben op een periode ná 1 januari 2014, zodat de vordering voor het meerdere moet worden afgewezen.

2.54.

De vrouw heeft voorts gesteld nog een aantal privékosten van de man te hebben betaald tot een bedrag van € 674,42. De man heeft dit betwist. De vrouw heeft haar stellingen niet nader onderbouwd. De rechtbank gaat hieraan daarom voorbij.

resumé

2.55.

Op grond van het voorgaande wordt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen als volgt vastgesteld.

2.56.

Aan de vrouw wordt toegedeeld:

  • -

    de onderneming

  • -

    haar bankrekeningen

  • -

    de helft van de aandelen Friesland Campina

  • -

    de uitkering op haar kapitaalverzekering ABN Amro

2.57.

Aan de man wordt toegedeeld:

  • -

    zijn bankrekeningen

  • -

    de helft van de aandelen Friesland Campina

  • -

    de uitkering op zijn kapitaalverzekering ABN Amro

  • -

    (de opbrengst van) de auto’s

  • -

    de paarden

2.58.

De vrouw is aan de man in verband met de verdeling een bedrag verschuldigd van € 352.217,70, te vermeerderen met de helft van het bedrag dat zij bij voortzetting van de onderneming meer ontvangt van de provincie dan € 850.923,--. Dit bedrag heeft betrekking op de meerwaarde in de onderneming.

2.59.

De man is aan de vrouw een bedrag verschuldigd van € 17.341,37. Dit is als volgt opgebouwd:

- helft verschil banksaldi

€ 435,29

- aandelen Friesland Campina

€ 9.662,82

- helft waarde auto’s

€ 625,--

- helft waarde paarden

€ 750,--

- aandeel nota’s Accon

€ 2.451,50

- helft vakantiegeld t/m december 2013

€ 310,18

- prolongatiepremie ABN Amro

€ 3.106,58

Totaal

€ 17.341,37

2.60.

Het voorgaande betekent dat de vrouw per saldo aan de man dient te betalen € 334.876,33. Hiervan dient zij € 250.000,-- binnen twee maanden te betalen aan de man. Voor het restant van € 84.876,33 geldt hetgeen daarover hiervoor is overwogen.

kosten deskundige

2.61.

In voormelde tussenbeschikking is aan partijen verzocht ieder de helft van het voorschot op het honorarium van de deskundige te voldoen. Partijen hebben vervolgens ieder € 13.515,70 voldaan. Het eindbedrag van de factuur van de deskundige beloopt € 27.031,40. De rechtbank zal het Landelijk Dienstencentrum opdracht geven de factuur van de deskundige te voldoen. De kosten van de deskundige blijven voor rekening van partijen gezamenlijk, elk voor de helft.

2.62.

De deskundige heeft een afzonderlijke vergoeding voor de zitting verzocht. Hij heeft echter niet verzocht om een verhoging van het voorschot, zoals in de brief van de rechtbank aan de deskundige is vermeld. Nu partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld zich hierover uit te laten, wordt deze vergoeding afgewezen en stelt de rechtbank de totale kosten van de deskundige vast op het hiervoor genoemde bedrag van € 27.031,40.

overig

2.63.

In de omstandigheid dat de man en de vrouw gewezen echtelieden zijn, ziet de rechtbank aanleiding de kosten van deze procedure als volgt te compenseren.

2.64.

Het verzoek deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is toewijsbaar, nu daartegen geen verweer is gevoerd en de rechtbank, alle belangen afwegend, toewijzing van de uitvoerbaarheid aangewezen acht.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast, zoals overwogen onder punten 2.54. tot en met 2.60. van deze beschikking;

3.2.

bepaalt dat de vrouw aan de man binnen twee maanden na deze beschikking een bedrag van € 250.000,-- (zegge: tweehonderdvijftigduizend euro) dient te betalen ten titel van verdeling;

3.3.

bepaalt dat de vrouw aan de man voorts de helft van het bedrag dat zij bij voortzetting van de onderneming meer ontvangt van de provincie dan € 850.923,-- dient te betalen, binnen twee weken nadat de vrouw de gelden heeft ontvangen van de provincie, bij gebreke van tijdige betaling is de vrouw wettelijke rente verschuldigd;

3.4.

bepaalt dat de vrouw het restantbedrag van € 84.876,33 (vierentachtigduizend achthonderdzesenzeventig euro en drieëndertig eurocent) vooralsnog verschuldigd blijft;

3.5.

bepaalt dat de vrouw over het niet door haar betaalde restantbedrag een rentevergoeding aan de man verschuldigd is ter grootte van 2% per jaar, telkens uiterlijk op 31 december van het desbetreffende jaar te voldoen;

3.6.

bepaalt dat de vordering van de man ter zake van het restantbedrag direct opeisbaar wordt wanneer de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, zij de onderneming in de huidige vorm beëindigt of zij de onderneming overdraagt;

3.7.

compenseert de kosten van dit geding, inclusief de kosten van de deskundige, aldus dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft;

3.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.9.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Eskes, S. Djebali, M.J.C. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van R. Westendorp-Hertgers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2017.