Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4474

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3264
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

afmeren schip in strijd met de geldende bestemming, last onder bestuursdwang, geen concreet zicht op legalisatie want geen aanvraag om een omgevingsvergunning, geen sprake van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/3264

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: A. Menhart),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel te Kerkdriel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2017. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was namens [belanghebbende] aanwezig [belanghebbende]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Vogel.

Overwegingen

1. Eerst twee opmerkingen vooraf. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voor deze uitspraak relevante wettelijke bepalingen zijn weergegeven in de bij deze uitspraak gevoegde bijlage.

2. Verzoeker is eigenaar van motorschip [schip]. Het schip ligt aangemeerd aan de meerpalen in het water grenzend aan het terrein [locatie] in [locatie]. Op die plaats is het bestemmingsplan ‘Buitengebied, buitendijks deel’ van toepassing. Het bestemmingsplan bepaalt dat die plaats de bestemming ‘water’ heeft. Verweerder is van mening dat het aanmeren van het schip in strijd is met die bestemming. Hij heeft verzoeker op 5 januari 2017 opgedragen het schip te verwijderen. Doet hij dat niet dan verbeurt hij een dwangsom. Verzoeker heeft deze last naast zich neergelegd. Het schip ligt er nog steeds. Daarom heeft verweerder verzoeker in het bestreden besluit nogmaals opgedragen het schip te verwijderen. Doet hij dat niet dan zal verweerder het schip laten wegslepen, op kosten van verzoeker. Dat wordt bestuursdwang genoemd.

3. Verzoeker heeft een bezwaarschrift tegen het bestreden besluit ingediend. Dat bezwaarschrift is in behandeling bij verweerder. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter het bestreden besluit te schorsen totdat op zijn bezwaarschrift is beslist. Indien de voorzieningenrechter dat verzoek toewijst, hoeft verzoeker voorlopig het schip niet te verwijderen.

4. In artikel 14.1.1 van het bestemmingsplan is bepaald dat percelen met de bestemming ‘water’ primair bestemd zijn voor het verkeer te water. Verzoeker heeft betoogd dat onder ‘verkeer te water’ ook het afmeren van een schip moet worden begrepen en dat het afmeren van de boot daarom niet in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder staat op het standpunt dat onder ‘verkeer te water’ varen moet worden verstaan en niet afmeren.

De voorzieningenrechter is het met de uitleg van verweerder eens. Deze uitleg sluit aan op het algemeen taalgebruik: ‘verkeer te water’ is het maken van verkeersbewegingen, varen dus. Als het schip is afgemeerd, vaart het niet meer en is er geen sprake meer van ‘verkeer te water’. Tot hetzelfde oordeel kwam overigens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 14 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC0530. Dit betekent dat het afmeren van een schip binnen de bestemming “water” in strijd is met het bestemmingsplan. Uit artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgt dat het verboden is om zonder vergunning in strijd te handelen met het bestemmingsplan. Omdat verzoeker geen vergunning heeft voor het afmeren, begaat hij dus een overtreding. Dat betekent dat verweerder bevoegd is daartegen op te treden en verzoeker op te dragen de boot te verwijderen.

5. Verzoeker heeft aangevoerd dat er sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Verweerder kan immers besluiten om alsnog een vergunning te verlenen voor het aanmeren. Als dat gebeurt dan begaat verzoeker geen overtreding meer, aldus verzoeker. Verweerder heeft gezegd dat hij niet van plan is om een vergunning te verlenen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen concreet zicht op legalisatie is. Verzoeker heeft geen aanvraag om een omgevingsvergunning bij verweerder ingediend. Dat is een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen beoordelen of er een concreet zicht op legalisatie is.

6. Verzoeker heeft aangevoerd dat het schip noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van de scheepswerf die daar in de buurt ligt. De scheepswerf heeft geen bestaansrecht meer als het schip niet langer mag worden afgemeerd. Vanwege het belang van het voortbestaan van de scheepswerf moet verweerder afzien van de last, aldus verzoeker. Verweerder bestrijdt dat het bestaansrecht van de scheepswerf in het geding komt. Hij wil niet afzien van de last.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voorbestaan van de scheepswerf in het geding is. Bovendien is evenmin komen vast te staan dat de boot niet kan worden afgemeerd bij de scheepswerf zelf of ergens anders in de buurt. Ter zitting is nog uitgebreid ingegaan op een onder leiding van de provincie Gelderland gestart traject om te bekijken of er een oplossing kan worden gevonden voor het probleem van de scheepswerf. Dit traject bevindt zich echter nog in een startfase. Verweerder heeft ook hierin geen reden hoeven zien om alsnog van handhaving af te zien. Het is immers de verantwoordelijkheid van verzoeker om het schip af te meren waar het juridisch mogelijk is.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar waarschijnlijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

8. Er is geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.