Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4402

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
6183090 / KG ZA 17-56
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

werknemers hebben geluidsopname gemaakt van gesprek met leidinggevende. Werkgever vordert ex 843a Rv afgifte van die opname in verband met een zitting bij het College voor de Rechten van de mens, waar de werknemers een klacht hebben ingediend in verband met vermeende discriminatie. Vordering toegewezen, maar een vertrouwenspersoon mag eerst bepaalde passages ‘schonen’ voordat werkgever de opname ontvangt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1040
JAR 2017/228

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Apeldoorn

zaaknummer / rolnummer: 6183090 / KG ZA 17-56

Vonnis in kort geding van 24 augustus 2017 (bij vervroeging)

in de zaak van

de naamloze vennootschap Achmea Interne Diensten N.V.

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. E.J. Henrichs en mr. M.N. Middelkoop,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. H.A. van Hapert.

Partijen zullen hierna Achmea en [gedaagden], dan wel afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 augustus 2017

  • -

    de mondelinge behandeling op 14 augustus 2017, waarvan aantekening is gehouden door de griffier

  • -

    de pleitnotities van Achmea

  • -

    de pleitnota tevens conclusie van antwoord van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een affectieve relatie en zijn beide in dienst bij (een onderdeel van) Achmea.

2.2.

Op 18 november 2015 heeft tussen [gedaagden] en de heer [naam leidinggevende] (destijds de leidinggevende van [gedaagden], hierna te noemen: [naam leidinggevende]) een gesprek plaatsgevonden. Van dit gesprek heeft [gedaagden] een geluidsopname gemaakt.

2.3.

Op 31 januari 2017 heeft [gedaagde sub 1] een klacht ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens (hierna te noemen het College). [gedaagde sub 2] heeft op 13 februari 2017 een klacht ingediend bij het College. [gedaagden] heeft zich op het standpunt gesteld dat Achmea een verboden onderscheid maakt en intimideert op grond van leeftijd en (chronische) ziekte. [gedaagden] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gedeeltes van de geluidsopname en de transcriptie van die gedeeltes aan het College overgelegd.

2.4.

Achmea heeft een verweerschrift ingediend bij het College. Op 21 juni 2017 heeft [gedaagden] een aanvullend verzoekschrift ingediend bij het College. Het College heeft de mondelinge behandeling bepaald op 14 september 2017 en daarbij reeds aangekondigd dat ook [naam leidinggevende] voor die behandeling is opgeroepen.

3 Het geschil

3.1.

Achmea vordert dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening:

a. primair: [gedaagden] gebiedt om tegen een door de kantonrechter in redelijkheid te bepalen termijn na betekening van het te wijzen vonnis aan Achmea te verstrekken een kopie van de volledige, onbewerkte geluidsopname (als digitaal geluidsbestand via overdracht op CD, DVD of andere gegevensdrager dan wel per e-mail of op andere elektronische wijze); dan wel

b. subsidiair: [gedaagden] gebiedt om Achmea vanaf een door de kantonrechter in redelijkheid te bepalen datum in staat te stellen de geluidsopname te beluisteren en te transcriberen;

c. zowel primair als subsidiair bepaalt dat indien [gedaagden] na betekening van het te wijzen vonnis niet aan het gebod voldoet, Achmea een direct opeisbare dwangsom verbeurt van € 25.000,00 voor iedere overtreding van dit gebod, te vermeerderen met een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze overtreding voortduurt;

d. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding, alsmede in de gebruikelijke nakosten (zowel met als zonder betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak.

3.2.

Aan deze vordering legt Achmea - samengevat - het volgende ten grondslag. Ten behoeve van haar verdediging bij het College wenst Achmea te beschikken over de volledige geluidsopname. De door [gedaagden] geselecteerde fragmenten geven een onvolledig beeld van het gesprek en Achmea acht het in het belang van haar verdediging noodzakelijk dat het College de geluidsfragmenten in de juiste context kan beoordelen. In dat verband heeft zij het College diverse keren gevraagd of het College de volledige geluidsopname bij [gedaagden] wilde opvragen, maar het College heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven. Achmea vordert daarom thans op grond van het bepaalde in artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.), van [gedaagden] een kopie van de volledige geluidsopname. Achmea heeft daarbij een rechtmatig belang, omdat [gedaagden] weigert de geluidsopname te verstrekken, [gedaagden] slechts een deel van de geluidsopname in het geding hebben gebracht, terwijl Achmea vermoedt dat de geluidsopname tevens fragmenten kan bevatten die de stellingen van [gedaagden] in een ander perspectief kunnen stellen. Bovendien kan Achmea geen beroep meer doen op de herinneringen van [naam leidinggevende], omdat [naam leidinggevende] niet langer in dienst is bij Achmea. Voorts is voldoende duidelijk en concreet omschreven waarvan Achmea een kopie wenst en ten slotte betreft de geluidopname de rechtsbetrekking tussen Achmea en [gedaagden]

3.3.

[gedaagden] heeft geconcludeerd dat de kantonrechter Achmea niet ontvankelijk zal verklaren, althans haar vorderingen te weigeren, met veroordeling van Achmea in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagden] heeft vooreerst aangevoerd dat Achmea thans geen belang heeft bij haar vordering, omdat er reeds een procedure aanhangig is bij het College. Die procedure is met voldoende waarborgen omkleed en het College heeft nog geen oordeel gegeven over de klacht van [gedaagden] en evenmin over het verloop van de procedure, aldus [gedaagden] De vraag wat nodig is om tot een weloverwogen oordeel te komen dient, volgens [gedaagden], door het College zelf beantwoord te worden. Daarom moet Achmea niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

4.2.

Niet ter discussie staat dat de procedure bij het College met voldoende waarborgen is omkleed. Evenmin staat ter discussie dat Achmea beschikt over dezelfde stukken als het College. Zoals Achmea echter heeft betoogd, is het haar te doen om te kunnen beschikken over dezelfde stukken als [gedaagden] Omdat dat nu niet het geval is, komt volgens Achmea de ‘equality of arms’ in het geding . Achmea acht het dan ook in het belang van haar verdediging, namelijk ter onderbouwing van haar verweer, noodzakelijk reeds voorafgaand aan de procedure bij het College te kunnen beschikken over de geluidsopname. Daarmee heeft Achmea naar voorlopig oordeel van de kantonrechter thans voldoende belang bij de vordering en behoeft zij niet - zoals door [gedaagden] betoogd - de beslissing van het College af te wachten. Bovendien heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 8 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY6111) overwogen dat noch uit de tekst van artikel 843a Rv, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel voortvloeit dat geen plaats is voor een vordering op grond van artikel 843a Rv in kort geding, terwijl reeds een bodemprocedure aanhangig is. Achmea is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

4.3.

Voor toewijzing van de vordering op grond van het bepaalde in artikel 843a Rv., dient sprake te zijn van een rechtmatig belang bij bepaalde bescheiden, aangaande een rechtsbetrekking waarin Achmea partij is.

Bij de beoordeling van een dergelijke vordering in kort geding, speelt bovendien de onomkeerbaarheid van de gevraagde voorziening een rol.

Rechtmatig belang

4.3.1.

[gedaagden] heeft aangevoerd dat Achmea geen rechtmatig belang bij de geluidsopname heeft. Achmea stelt slechts dat zij vermoedt dat de geluidsopname tevens fragmenten kan bevatten die de stellingen van [gedaagden] weerspreken, aldus [gedaagden] Volgens [gedaagden] had Achmea aan [naam leidinggevende] dienen te vragen wat ontbreekt en nadien aan [gedaagden] moeten aangeven om welke aanvullende informatie het gaat. Ter zitting heeft Achmea op dit verweer gereageerd door te verwijzen naar passages uit haar verweerschrift (in de procedure bij het College), waarin gespecificeerd is aangegeven op welke punten in het gesprek, althans in de geluidsopname, er fragmenten missen en wat [naam leidinggevende] anders heeft gezegd of nader heeft toegelicht in het gesprek, hetgeen door [gedaagden] niet concreet is weersproken. Dat brengt mee dat de kantonrechter voorshands van oordeel is dat Achmea een rechtmatig belang heeft in de zin van artikel 843a Rv.

Bepaalde bescheiden

4.3.2.

[gedaagden] heeft aangevoerd dat het begrip ‘bepaalde bescheiden’ slechts betekenis heeft in samenhang met het begrip ‘rechtmatig belang’. Omdat Achmea een kopie van de gehele geluidsopname wil ontvangen, is niet vast te stellen of Achmea daarbij wel een rechtmatig belang heeft, aldus [gedaagden] Achmea had volgens [gedaagden] immers aan moeten geven om welke delen van de geluidsopname het gaat.

Achmea heeft daarover aangevoerd dat het voor beide partijen duidelijk is om welke geluidsopname het gaat, zodat daarmee voldaan is aan de voorwaarde van artikel 843a Rv.

Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft Achmea voldoende beschreven om welke geluidsopname het gaat. Dat is ook voor [gedaagden] volkomen helder. Bovendien heeft Achmea aangevoerd dat zij afziet van een kopie van de geluidsopname ten aanzien van de delen van de geluidsopname waarop persoonlijke en medische gegevens van [gedaagden] zijn besproken, alsmede ten aanzien van het deel waarbij [naam leidinggevende] de ruimte heeft verlaten. Achmea is bereid een vertrouwenspersoon te laten beoordelen welke passages uit de kopie van de opname verwijderd mogen worden. En tenslotte heeft Achmea, zoals hiervoor reeds is overwogen, in haar verweerschrift ten behoeve van de procedure bij het College aangegeven bij welke delen van de geluidsopname zij belang denkt te hebben.

Partij bij de rechtsbetrekking

4.3.3.

[gedaagden] heeft in dit verband verwezen naar de wetsgeschiedenis, waaruit volgens hem volgt dat het moet gaan over een rechtsbetrekking waarover een geschil is gerezen of wordt verwacht, waarbij zowel de aanspraak als het mogelijke geschil duidelijk moeten kunnen worden geduid. Omdat het debat over de inhoud van het procesdossier nog bij het College moet worden gevoerd, is er volgens [gedaagden] nog geen geschil gerezen over de inhoud van het procesdossier.

De kantonrechter kan [gedaagden] in dit standpunt niet volgen. Partijen staan immers als werkgever en werknemers in een rechtsbetrekking tot elkaar, terwijl er in dat kader tussen partijen een geschil is ontstaan waarop de geluidsopname betrekking heeft.

4.4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Achmea een rechtmatig belang heeft bij een kopie van de geluidsopname, met uitzondering van de passages waarin specifieke medische en persoonlijke gegevens van [gedaagden] worden besproken, en met uitzondering van het fragment dat is opgenomen terwijl [naam leidinggevende] de ruimte waarin het gesprek werd gevoerd, had verlaten. Omdat de zitting 14 september 2017 wordt gehouden en Achmea de geluidsopname nodig heeft om haar verweer te onderbouwen, kan van Achmea niet worden gevergd dat zij een bodemprocedure afwacht.

4.5.

De vordering van Achmea zal dan ook worden toegewezen. Daarbij is het aan partijen om zo spoedig mogelijk in gezamenlijk overleg een vertrouwenspersoon aan te wijzen. In het geval niet binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis tot gezamenlijke aanwijzing is overgegaan, zal Achmea zelf een vertrouwenspersoon dienen aan te aanwijzen. De termijn waarbinnen [gedaagden] de geluidsopname aan Achmea dient te verstrekken, zal worden bepaald op twee werkdagen na het moment van aanwijzing van de vertrouwenspersoon. De gevorderde dwangsom kan toegewezen worden.

4.6.

Als de in het ongelijk gestelde partij, zal [gedaagden] worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De gevorderde nakosten worden toegewezen tot een half salarispunt van het toegewezen salaris met een maximum van € 100,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding

5.1.

gebiedt [gedaagden] om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis
- nadat in gezamenlijk overleg met Achmea een vertrouwenspersoon is aangewezen of, indien gezamenlijk overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, door Achmea een vertrouwenspersoon is aangewezen - :
1. aan de vertrouwenspersoon een kopie te verstrekken van de gehele geluidsopname van het gesprek tussen [gedaagden] en [naam leidinggevende] op 18 november 2015, en gebiedt [gedaagden] vervolgens :
2. om binnen twee werkdagen daarna, de geluidsopname aan Achmea ter beschikking te stellen met uitzondering van de door de vertrouwenspersoon geselecteerde fragmenten waarin specifieke medische en persoonlijke gegevens van [gedaagden] worden besproken en met uitzondering van het fragment dat is opgenomen terwijl [naam leidinggevende] de ruimte waarin het gesprek werd gevoerd, had verlaten (als digitaal geluidsbestand via overdracht op CD, DVD of andere gegevensdrager dan wel per e-mail of op andere elektronische wijze),
- onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor overtreding van ieder gebod tot afgifte, te vermeerderen met een dwangsom van € 500 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat een overtreding voortduurt, tot (in totaal) een maximum van € 25.000,00;

5.2.

veroordeelt [gedaagden], in die zin dat als de een betaalt de ander zal zij bevrijd, in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Achmea vastgesteld op:

€ 80,42 voor explootkosten;

€ 117,00 voor griffierecht en

€ 500,00 voor salaris gemachtigde

5.3.

veroordeelt [gedaagden], in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de na deze procedure ontstane kosten, begroot op een bedrag van € 100,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de kosten va betekening indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2017.