Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4365

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
05/121047-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 35-jarige Arnhemmer tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 8 voorwaardelijk. Ook legt de rechtbank een voorwaardelijke rijontzegging van 3 jaar op. De man maakte zich schuldig aan tweemaal een poging tot doodslag, opzetheling, diefstal, wederspannigheid en het beledigen van politieagenten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/121047-16 en 05/720198-16

Datum uitspraak : 22 augustus 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

postadres: [adres 2] .

Raadsvrouw: mr. M.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van de politierechter van 19 september 2016 en de terechtzittingen van de meervoudige kamer van

4 oktober 2016, 29 november 2016, [huisnummer] januari 2017, 4 april 2017 en 8 augustus 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging (wat betreft parketnummer 05/720198-16), ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/121047-16

1.

hij op of omstreeks 9 juni 2016 te Arnhem, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, [slachtoffer 1] (medewerker van politie) en/of [slachtoffer 2] (brigadier van politie), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun

bediening, te weten werkzaam als wijkagent(en), door (met kracht) met zijn, verdachtes beide vuisten in/op/tegen het gezicht/hoofd althans het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan en/of te stompen en/of (vervolgens) (met kracht) bij diens keel (vast) te pakken en/of (vast) te grijpen en/of (vervolgens) (met kracht) met zijn vinger in diens (linker)oog krabben en/of (vervolgens) te rukken en/of te trekken althans zich te beweging tegengesteld aan de richting waarin die ambtena(a)r(en) hem trachtten te geleiden, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een pijnlijk linkeroog en/of een gekneusde pols en/of een kras in de nek bij die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 9 juni 2016 te Arnhem, opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en), [slachtoffer 1] (medewerker van politie) en/of [slachtoffer 2] (brigadier van politie), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in politiedienst (als wijkagent(en) aldaar aanwezig zijnde), in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "tyfuslijer en/of jullie zijn uilkuikens en/of jullie eikeltjes en/of je bent langharige teckel", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Ten aanzien van parketnummer 05/720198-16

1.

Primair

hij, op of omstreeks 25 juni 2016 te Arnhem (Willemsplein), als bestuurder van een personenauto (Citroën C1 gekentekend [ [kenteken] ]), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk de opsporingsambtenaar, [slachtoffer 3] (werkzaam als hoofdagent bij de politie Oost-Nederland) van het leven te beroven, met dat opzet een stopteken gegeven door die [slachtoffer 3] (die zich op dat moment op een afstand van (ongeveer) 25 meter, althans op korte afstand van verdachte bevond) heeft genegeerd en/of (vervolgens) (veel) gas heeft (bij)gegeven en/of (met hoge snelheid) (recht) op die [slachtoffer 3] is afgereden,

welke opzij moest springen teneinde een aanrijding met de door verdachte bestuurde personenauto te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij, op of omstreeks 25 juni 2016 te Arnhem (Willemsplein), als bestuurder van een personenauto (Citroën C1 gekentekend [ [kenteken] ]), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk de opsporingsambtenaar, [slachtoffer 3] (werkzaam als hoofdagent bij de politie Oost-Nederland) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een stopteken gegeven door die [slachtoffer 3] (die zich op dat moment op een afstand van (ongeveer) 25 meter, althans op korte afstand van verdachte bevond) heeft genegeerd en/of (vervolgens) (veel) gas heeft (bij)gegeven en/of (met hoge snelheid) (recht) op die [slachtoffer 3] is afgereden, welke opzij moest springen teneinde een aanrijding met de door verdachte

bestuurde personenauto te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

Primair

hij, op of omstreeks 24 juni 2016 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met zijn, verdachtes, personenauto met hoge snelheid, althans vol gas gevend en/of zonder zijn snelheid te verminderen, is ingereden op die [slachtoffer 4] , die zich (telkens) op korte afstand van verdachte bevond en (telkens) opzij moest springen teneinde een aanrijding met de door verdachte bestuurde personenauto te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij, op of omstreeks 24 juni 2016 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met zijn, verdachtes, personenauto met hoge snelheid, althans vol gas gevend en/of zonder zijn snelheid te verminderen, is ingereden op die [slachtoffer 4] , die zich (telkens) op korte afstand van verdachte bevond en (telkens) opzij moest springen teneinde een aanrijding met de door verdachte bestuurde personenauto te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij, op of omstreeks 2 juni 2016, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 24 juni 2016 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk een personenauto (Citroën C1,

gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als medewerker bij [naam 1] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

4.

hij, op of omstreeks 24 juni 2016 te Arnhem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (Citroën C1, gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/121047-16 1

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde wederspannigheid.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat verdachte het voordeel van de twijfel dient te krijgen. Daar waar twee personen vechten, is het mogelijk dat er ook twee schuldigen zijn.

Beoordeling door de rechtbank

Op 9 juni 2016 zijn verbalisanten [slachtoffer 1] (medewerker van politie) en [slachtoffer 2] (brigadier van politie), beiden werkzaam als wijkagent, naar de woning van verdachte in Arnhem gegaan. Van buurtbewoners hoorden zij dat zij bang werden van het onberekenbare gedrag van verdachte en dat zij dachten dat hij hulp nodig had.

De verbalisanten klopten meermalen op de voordeur van verdachtes woning. Na lang wachten deed verdachte open. Zij hoorden verdachte schreeuwen. Hij riep onder meer: ‘Jullie zijn toch niks en jullie kunnen toch niks’. Terwijl hij een agressieve houding aannam, schreeuwde hij: ‘Jullie zijn uilskuikens’. [slachtoffer 2] gaf aan dat verdachte hen niet moest beledigen, waarop verdachte schreeuwde: ‘Jij staat hier tegen mij te schreeuwen. Je denkt dat je stoer bent en dat je allemaal praatjes kunt hebben met je lange haar’. Verdachte zei vervolgens dat [slachtoffer 1] wel naar binnen mag, maar [slachtoffer 2] niet. Hierbij keek hij weer agressief in de richting van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] gaf aan dat zijn (vrouwelijke) collega niet alleen naar binnen zou gaan en dat zij alleen even met hem wilden praten. Verdachte schreeuwde toen terwijl hij naar [slachtoffer 2] keek: ‘Hem moet ik niet. Wie denken jullie dat jullie zijn. Jullie zijn eikeltjes’. [slachtoffer 2] gaf verdachte een laatste waarschuwing en zei dat zij verdachte voor belediging zouden aanhouden als hij hen opnieuw zou beledigen. Ook gaf hij aan dat hij zich zorgen maakte over het gedrag van verdachte, terwijl hij ook eens in de veertien dagen de zorg over zijn kinderen had. [slachtoffer 2] gaf verder aan dat hij hierom een zorgmelding zou maken. Verdachte schreeuwde vervolgens naar [slachtoffer 2] : ‘Wat moet je nou, ik pak je nog wel’ en daarna: ‘Tyfuslijer. Je bent niets, je bent een langharige tekkel.’

Hierop gaf [slachtoffer 2] aan dat verdachte werd aangehouden voor belediging. [slachtoffer 2] stak daarbij zijn hand uit naar verdachte. [slachtoffer 2] zag en voelde dat verdachte zijn arm greep en hem mee naar binnen trok zijn woning in. Binnen begon verdachte hem met kracht met vuisten in zijn gezicht, op zijn armen en op zijn bovenlichaam te slaan. [slachtoffer 2] probeerde vergeefs verdachtes armen te pakken om die op zijn rug te kunnen draaien. Daarop greep verdachte met beide handen naar zijn hals om hem bij de keel te grijpen. [slachtoffer 2] duwde zijn handen weg en daarop voelde hij dat verdachte zijn nagels langs zijn sleutelbeen haalde en hem krabde. Dit deed pijn. [slachtoffer 1] probeerde verdachte te laten stoppen met slaan van haar collega door een controletechniek op verdachte toe te passen. Zij voelde dat verdachte zich in een andere richting bewoog dan waar zij hem naartoe wilde bewegen, waarna zij beiden de woning uit vielen.

[slachtoffer 2] zag verdachte en [slachtoffer 1] naar buiten vallen en zag dat verdachte daarbij erg agressief om zich heen bleef slaan met beiden vuisten. Hierop greep hij verdachte vast, waarbij verdachte met zijn linkerhand op het gezicht van [slachtoffer 2] duwde om afstand tussen hen te creëren. Verdachte maakte daarbij een knijpbeweging en [slachtoffer 2] voelde dat verdachte daarbij met een vinger in zijn linkeroogbal kraste. Ook dit deed pijn. Terwijl [slachtoffer 2] verdachte op zijn buik legde en zijn linkerhand in de handboei deed, bleef verdachte zich tegen de aanhouding verzetten. Hierop drukte [slachtoffer 2] de handboei strakker dicht om verdachte een pijnprikkel te geven om het verzet te breken. Verdachte werkte nog steeds niet mee en probeerde zich weer om te draaien. Nadat [slachtoffer 1] erbij kwam om te helpen ook de rechterarm van verdachte op zijn rug te krijgen, konden de handboeien dichtgemaakt worden. Even later ging verdachte opnieuw in verzet. Hij bleef zich in tegenstelde richting bewegen als waar de verbalisanten hem heen wilden hebben. Daarbij draaide hij zijn rechterhand, die in de handboei zat, zo dat de rechterhand weer naast zijn lichaam was. Toen [slachtoffer 2] de hand van verdachte weer op zijn rug probeerde te krijgen, bleef verdachte zich verzetten. Verdachte bleef proberen zich om te draaien.2

[slachtoffer 2] is naar de huisarts geweest. De huisarts constateerde dat hij een gekneusde linker pols had. Hij had ook een kras in het witte oogvlies, naast het hoornvlies, als gevolg van het krabben door verdachte. Zijn oog is met verband afgeplakt om het rust te geven en hij heeft oogzalf voorgeschreven gekregen. Verder had hij nog een kras op zijn sleutelbeen.3

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid ten aanzien van de verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , terwijl dit ten aanzien van [slachtoffer 2] tot lichamelijk letsel heeft geleid. De verklaring van verdachte dat [slachtoffer 2] is begonnen met slaan en dat hij zich daartegen heeft verdedigd, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, p. 6 t/m 8;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 augustus 2017.

Ten aanzien van parketnummer 05/720198-16 4

Ten aanzien van de feiten 1 t/m 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan tweemaal een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (feiten 1 en 2, telkens subsidiair), verduistering (feit 3) en diefstal (feit 4).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Met betrekking tot feit 1 bevat het dossier onvoldoende bewijs dat verdachte de bestuurder van de auto was. Verder is aangevoerd dat geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van feit 2 wordt betwist dat verdachte kwam inrijden op [slachtoffer 4] en dat [slachtoffer 4] telkens opzij moest springen om een aanrijding te voorkomen. De verklaringen van [slachtoffer 4] en getuige [getuige 4] lopen op cruciale punten uiteen. Ook hier was geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Met betrekking tot de feiten 3 en 4 is aangevoerd dat dit een civiele kwestie betreft. Verdachte had het kenteken op zijn naam staan. De kentekenhouder wordt vermoed eigenaar te zijn van het voertuig. Zodoende ontbrak het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening en dient verdachte van de verduistering en diefstal vrijgesproken te worden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de feiten in chronologische volgorde beoordelen.

Ten aanzien van feit 3 (verduistering)

Aangever [slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij zijn auto, een Citroën C1, met kenteken

[kenteken] , in april 2016 heeft uitgeleend aan verdachte. Verdachte mocht de auto gebruiken totdat [slachtoffer 5] de auto had verkocht. Verdachte zou de auto klaar maken voor de verkoop. Op de site van de RDW stond dat de auto op 2 juni 2016 op verdachtes naam was overgeschreven. Daarvoor had [slachtoffer 5] geen toestemming gegeven. Hij had de autopapieren enkel aan verdachte meegegeven, omdat hij met verdachte had afgesproken dat verdachte de auto APK zou laten keuren.5

De verklaring van [slachtoffer 5] wordt ondersteund door de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 1] heeft eind mei 2016 gezien dat [slachtoffer 5] (rechtbank: [slachtoffer 5] ) zijn autopapieren aan [verdachte] (rechtbank: verdachte) heeft gegeven. Verdachte gebruikte die auto soms. Hij hoorde verdachte zeggen dat hij de papieren nu alleen nodig had om de auto voor de APK te laten keuren. Daarna zou hij de auto en de papieren aan [slachtoffer 5] teruggeven. Rond 30 mei zou [verdachte] op vakantie gaan. Hij zou het van tevoren regelen.6 [getuige 2] heeft in gelijke zin verklaard.7

Verdachte heeft verklaard dat hij de auto op 2 juni 2016 op zijn naam heeft gezet.8

De rechtbank stelt, gelet op de verklaringen van [slachtoffer 5] , [getuige 1] en [getuige 2] , vast dat [slachtoffer 5] de eigenaar van de auto was en dat hij de auto aan verdachte had uitgeleend uitsluitend zodat verdachte daarin kon rijden en de auto APK kon laten keuren. Door de auto en de bijbehorende papieren niet aan [slachtoffer 5] terug te geven en de auto, zonder dat [slachtoffer 5] hiermee had ingestemd, op 2 juni 2016 op zijn naam te (laten) zetten, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank zich de auto wederrechtelijk toegeëigend. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verduisteren van de auto.

De auto was privébezit van [slachtoffer 5] , zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel dat hij het feit in dienstbetrekking heeft gepleegd.

Alternatief scenario: verdachte was eigenaar van de auto geworden

Verdachte heeft verklaard dat hij en [slachtoffer 5] hadden afgesproken dat verdachte de auto zou kopen voor een bedrag van € 2.500,-. Dit hadden zij per WhatsApp en telefoon afgesproken. Hij had de auto al onder zich en hield deze dan ook onder zich. Verdachte heeft geprobeerd de aankoopsom bij [slachtoffer 5] thuis af te geven, maar dat kon niet want [slachtoffer 5] wilde de deur niet opendoen. Hij wimpelde verdachte af. Toen heeft verdachte zijn oude werkgever gebeld en die heeft gezegd dat hij het verder met [slachtoffer 5] zou regelen, aldus verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat dit alternatief scenario niet aannemelijk is geworden. Niet alleen wordt de verklaring van verdachte weerlegd door de verklaringen van [slachtoffer 5] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , ook bevat het dossier geen enkel aanknopingspunt dat wijst op het bestaan van de gestelde koopovereenkomst. Een schriftelijke overeenkomst is niet overgelegd. Ook heeft verdachte de gestelde aankoop van de auto niet anderszins onderbouwd, bijvoorbeeld met prints van het (gestelde) WhatsApp-contact tussen hem en [slachtoffer 5] over de aankoop van de auto. Zodoende is niet aannemelijk geworden dat verdachte op enig moment de nieuwe eigenaar van de auto is geworden.

Ten aanzien van feit 4 (diefstal)

[naam 2] heeft namens [slachtoffer 5] aangifte gedaan van diefstal van de auto, een Citroën C1, met kenteken [kenteken] . De auto was op 22 juni 2016 bij [naam 3] gebracht door een bergingsbedrijf. Op 24 juni 2016 is de auto weggenomen van het terrein van [naam 3] . Daarvoor was geen toestemming gegeven.9 Verdachte heeft verklaard dat hij de auto van het terrein van [naam 3] te Arnhem heeft meegenomen.10

Nu, zoals hiervoor al is overwogen, de auto aan [slachtoffer 5] toebehoorde, was het door verdachte zonder toestemming meenemen van de auto wederrechtelijk. Daar was verdachtes opzet ook op gericht. Hij wist immers dat hij niet de eigenaar was van de auto en heeft deze desondanks van het terrein meegenomen.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de auto.

Ten aanzien van feit 3 (poging tot doodslag [slachtoffer 4] )

Verdachte heeft verklaard dat hij de auto, Citroën C1, met kenteken [kenteken] , op 24 juni 2016 van het terrein van [naam 3] te Arnhem heeft meegenomen. Diezelfde avond is hij met de auto naar de Graslaan in Arnhem gegaan en heeft hij [slachtoffer 4] (rechtbank: [slachtoffer 4] ) gezien.11

[slachtoffer 4] heeft verklaard hij op 24 juni 2016, omstreeks 20:30 uur, zijn auto parkeerde op de Graslaan in Arnhem. Hij zat nog in de auto toen verdachte in een rode Citroën C1 kwam langsrijden. [slachtoffer 4] stapte uit en liep richting de woning van zijn vriend [naam 4] . Verdachte stond toen met de auto op de hoek van de Ranonkelstraat met de Graslaan. Hij hoorde verdachte flink gassen. De afstand tussen waar [slachtoffer 4] de Graslaan over wilde steken tot aan de plek waar hij verdachte in zijn auto zag staan, was rond de 60 meter (dan wel 30 à 35 meter, want er zaten zo’n 7 à 8 huizen tussen12). [slachtoffer 4] stak zijn beide armen uit om verdachte duidelijk te maken van: ‘Wat ben je nou van plan?’ Boven het gassen uit hoorde [slachtoffer 4] verdachte tegen hem schreeuwen: ‘Kankerlijer, wat moet je nou, ik pak jou, ik rij je dood, ik maak je kapot’ of woorden van gelijke strekking.

[slachtoffer 4] stak de Graslaan over en op dat moment zag hij verdachte in zijn auto hard zijn kant op rijden. [slachtoffer 4] bleef midden op de weg staan, omdat hij dacht dat verdachte blufte. Hij bleef hem wel in de gaten houden. Verdachte bleef in volle vaart op [slachtoffer 4] afrijden. Hij minderde geen snelheid. [slachtoffer 4] was intussen een beetje naar links gelopen, waar auto’s geparkeerd stonden. Tussen deze auto’s was ruimte. Hij heeft tot het allerlaatste moment gewacht, totdat hij zeker wist dat als hij niet zou wegspringen hij zou worden aangereden. Verdachte was hem tot zo’n twee à drie meter met de auto genaderd en reed nog steeds recht op hem af. Hij schat dat verdachte toen tussen de 50 en 60 kilometer per uur reed. Om een aanrijding te voorkomen is [slachtoffer 4] snel tussen twee geparkeerde auto’s gaan staan. Hij zag en voelde dat verdachte in zijn auto hem rakelings voorbij reed. Verdachte raakte net niet de geparkeerde auto’s.

Verdachte ging even later weer met de auto op de hoek van de Ranonkelstraat met de Graslaan staan. Weer was verdachte flink aan het gassen met de auto. Hij liet de auto flink in de toeren komen. [slachtoffer 4] hoorde verdachte schreeuwen: ’Wil je nog meer, wil je nog meer, kankerlijer, ik pak jou, ik maak je dood’, of woorden van gelijke strekking. [slachtoffer 4] stond weer op het midden van de straat, ter hoogte van Graslaan nummer [huisnummer] . [slachtoffer 4] liep in de richting van twee geparkeerde auto’s aan de rechterzijde van de weg. [slachtoffer 4] maakte armgebaren van: ‘Wat flik jij me nou?’. Weer kwam verdachte in Cheungs richting hard aangereden. Verdachte minderde geen vaart en kwam weer net zo hard als de eerste keer zijn richting opgereden en bleef doorrijden. [slachtoffer 4] liep uit voorzorg al wat naar de geparkeerde auto’s rechts. Hij zag dat verdachte in zijn richting bleef sturen. Op het laatste moment sprong [slachtoffer 4] tussen de geparkeerde auto’s. [slachtoffer 4] zag en voelde dat verdachte in de auto weer rakelings voorbijreed. De geparkeerde auto’s werden net niet geraakt. [slachtoffer 4] keek om en zag verdachte hard wegrijden. Iets verder zag hij dat verdachte de auto stilzette. Hij kon horen dat verdachte aan het schreeuwen was.13

De verklaring van [slachtoffer 4] wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 3] .

[getuige 3] heeft verklaard dat zij, omstreeks 20.45 uur, het geluid van piepende banden hoorde. Zij zag de rode auto van verdachte op de hoofdweg van de Graslaan. Direct voor haar huis (nummer [huisnummer] ) loopt de parallelweg van de Graslaan. Daartussen zit een grasveld. Verdachte was met de auto afgeslagen in de richting van de parallelweg. Hij reed heel hard door. Ze zag dat [slachtoffer 4] (rechtbank: [slachtoffer 4] ) net op tijd kon wegspringen. Verdachte parkeerde de auto voor haar huis. Ze hoorde dat [slachtoffer 4] verdachte toeriep waar hij mee bezig was. Daarna reed verdachte weer met piepende banden weg in de richting van de hogere nummers van de Graslaan. [slachtoffer 4] stond nog op de Graslaan. Heel kort daarna zag [getuige 3] verdachte weer van rechts aan komen rijden op de parallelweg. Hij reed weer heel hard. Zij zag dat [slachtoffer 4] nog net op tijd kon wegspringen. Hij kon nog net wegduiken voor een geparkeerde auto. Zij had het idee dat verdachte met de auto vol rechtdoor tegen de huizen aan zou rijden, maar hij heeft kennelijk toch de bocht kunnen nemen. Verdachte reed met een rotgang. Zij ging naar buiten om [slachtoffer 4] op te vangen en hoorde verdachte alleen maar schelden. Zij hoorden hem zoiets zeggen als: ‘Ik maak je kapot, ik krijg je wel’.14

De rechtbank gaat op grond van het voorgaande uit van het volgende.

Verdachte reed van een afstand van minimaal 30 à 35 meter vanuit stilstand met piepende banden hard in de richting van [slachtoffer 4] . [slachtoffer 4] stond op dat moment midden op de weg. Verdachte reed in volle vaart recht op [slachtoffer 4] af. Vanuit het midden van de weg is [slachtoffer 4] naar de zijkant van de weg gelopen waar geparkeerde auto’s stonden. [slachtoffer 4] wist net op tijd weg te springen en een aanrijding te voorkomen. Verdachte reed rakelings langs de geparkeerde auto’s, waaruit volgt dat verdachte in de richting van [slachtoffer 4] heeft bijgestuurd. Anders was hij immers op het midden van de weg blijven rijden en was hij niet rakelings langs de geparkeerde auto’s gereden. Vlak voordat verdachte met piepende banden op [slachtoffer 4] afreed riep verdachte nog dat hij [slachtoffer 4] zou pakken en zou doodrijden. Na het missen van [slachtoffer 4] riep verdachte opnieuw dat hij [slachtoffer 4] zou pakken en zou doodrijden. Vervolgens reed verdachte weer, vanuit stilstand, hard en met piepende banden recht op [slachtoffer 4] af. [slachtoffer 4] stond weer midden op de weg. Ook ditmaal liep [slachtoffer 4] in de richting van aan de zijkant van de weg geparkeerde auto’s en ook nu reed verdachte rakelings langs de geparkeerde auto’s en heeft hij dus opnieuw bijgestuurd in de richting van [slachtoffer 4] .

Hoewel de exacte snelheid waarmee verdachte op [slachtoffer 4] afreed niet kan worden vastgesteld, kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van de voornoemde bewijsmiddelen worden aangenomen dat die snelheid hoog is geweest, zeker in de gegeven omstandigheden. [slachtoffer 4] spreekt over ‘hard’ en ‘in volle vaart’ rijden, wat bevestiging vindt in de waarnemingen van getuige [getuige 3] , die spreekt over ‘heel hard’ doorrijden en met ‘een rotgang’ rijden. Door met een hoge snelheid op de midden op de weg staande [slachtoffer 4] af te rijden, bestond naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 4] zou worden aangereden en dat hij bij die aanrijding zou komen te overlijden. Hierbij is van belang dat, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, voetgangers ten opzichte van een auto kwetsbare verkeersdeelnemers zijn.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de gedragingen van verdachte, namelijk het tot twee keer toe met hoge snelheid op [slachtoffer 4] afrijden onder het doen van de genoemde uitlatingen, naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht zijn op het bewerkstelligen van een aanrijding met [slachtoffer 4] , dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg daarvan, namelijk de dood, willens en wetens heeft aanvaard. Aldus was het opzet van verdachte, minst genomen in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer 4] gericht. Dat dat gevolg niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan het handelen van [slachtoffer 4] .

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer 4] .

Ten aanzien van feit 4 (poging tot doodslag [slachtoffer 3] )

Gebeurtenissen in de avond van 24 juni 2016 en in de nacht van 24 op 25 juni 2016

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat verdachte in de avond van 24 juni 2016 met de auto naar zijn huis in De Laar, Arnhem, is gekomen. Hij is die nacht samen met vriendin [naam 5] en verdachte in het centrum van Arnhem op stap geweest. Ze zijn met de auto naar de stad gereden en hebben deze geparkeerd op de Blauwe Golven onder de Nelson Mandelabrug. Na ongeveer twee uur zijn ze terug naar de auto, een C1, gelopen. Verdachte heeft [getuige 5] en [naam 5] daarna weer bij [getuige 5] thuis afgezet. Dat was rond 02.05 uur à 02.10 uur. Verdachte had die avond een donkerblauwe blazer aan, die hij van [getuige 5] had geleend.15

Op camerabeelden is te zien dat een man op 25 juni 2016 om 02.27.32 uur op het Nieuwe Plein reed, komende vanuit de richting van het Roermondsplein (Blauwe Golven). De auto betrof een Citroën C1. De auto werd geparkeerd op het verharde gedeelte tussen het fietspad en de weg op ongeveer tien meter voorbij het begin van de Rijnstraat. De bestuurder stapte uit en liep de Rijnstraat in, in de richting van de (Blikken) bioscoop. Om 02.28.48 verdween hij uit beeld. De man droeg een donkere jas gelijkend op een colbert. Tot ongeveer 02.26.00 uur zwierf de man over de Korenmarkt. Hij liep daar alleen. Om 02.36.26 uur liep hij in de richting van de Korte Hoogstraat. De man had iets in zijn hand dat leek op een witte slinger van ongeveer 10 tot 15 centimeter. Verder had hij schoenen aan die voor en achter een witte zool hadden. De man kwam samen met twee andere mannen om 02.38.11 uur bij de Citroën C1 aan. De man (met het donkere colbert) stapte in de auto en reed hard weg in de richting van het Willemsplein. Om 02.38.54 verdween hij uit beeld. Om 02.39.00 waren vier (geüniformeerde) politieagenten in beeld. Twee van hen waren te paard en de andere twee op mountainbikes. Zij stonden op het Willemsplein ter hoogte van de Korenstraat op het trottoir. Om 02.40.07 uur werd de aandacht van de agenten getrokken, aangezien zij allen plotseling in de richting van de Rabobank keken. De twee bikers fietsen enkele seconden daarna in de richting vanwaar hun aandacht was getrokken. De agenten te paard gingen er achter aan. Om 02:40:07 verdwenen zij uit beeld.16

Verbalisanten [slachtoffer 3] en [verbalisant 3] (bikers) hoorden op 25 juni 2016, omstreeks 02:40 uur, een auto vol gas geven en het toerental van de auto hoog oplopen, waarna de auto met piepende banden optrok. Zij zagen dat de auto het rode sein van het verkeerslicht negeerde en ter hoogte van de Korenstraat in zuidelijke richting reed. De verbalisanten staken de weg over, omdat de weg afbuigt en de auto daarom terug in richting van de Willemstunnel zou komen. [slachtoffer 3] ging in het midden van de dubbele rijbaan staan. De auto stopte wel voor het verkeerslicht ter hoogte van de kruising met de Jansbuitensingel. Op het moment dat de auto groen licht kreeg, gaf hij gas en reed de auto in de richting van de verbalisanten. Hierop gaf [slachtoffer 3] vanuit het midden van de weg de bestuurder van de auto een duidelijk zichtbaar stopteken door zijn rechterhand op te heffen en de bestuurder door middel van lichtsignalen naar de zijkant van de weg te geleiden. In zijn linkerhand had hij zijn opvallende dienstfiets vast, welke hij overdwars op de weg voor hem had gezet. [slachtoffer 3] stond in het licht van de ontstoken straatlantaarns.

[slachtoffer 3] zag dat de auto, een rode Citroën C1, even inhield, licht afremde en een vreemde stuurbeweging maakte. Hierdoor leek het alsof de bestuurder twijfelde over wat hij ging doen. Vervolgens hoorde hij dat de bestuurder weer vol gas gaf. Hij zag de koplampen van de auto helderder oplichten, waaruit hij opmaakte dat de auto hard optrok. Hij zag de koplampen van de auto in zijn richting komen. Hij hoorde en zag dat de auto bleef versnellen. Op het laatste moment stapte [slachtoffer 3] naar links weg om niet aangereden te worden. De dienstfiets werd vol geraakt door de auto, toen hij deze van zich afduwde om zich zo snel mogelijk uit de richting van de auto te bewegen. Hij schat dat de auto de dienstfiets met een snelheid van 40 à 50 km per uur raakte. Hij kon de auto nipt ontwijken, waarbij de geschatte afstand tussen hem en de auto op het moment van passeren enkele tientallen centimeters betrof.

Verbalisant [verbalisant 3] zag dat zijn collega [slachtoffer 3] bijna werd aangereden en dat de dienstfiets werd aangereden door de rode Citroën. Hierop gooide [verbalisant 3] zijn dienstfiets in de richting van de auto om deze te doen stoppen. De auto reed vol tegen zijn fiets aan, accelereerde door en reed de Willemstunnel in met een geschatte snelheid van 80 à 90 km per uur. Hij schat dat de auto hem passeerde op een snelheid van 50 à 60 km per uur. De auto passeerde ook hem op een afstand van enkele tientallen centimeters.

Direct nadat de auto in de Willemstunnel uit het zicht verdween merkte [slachtoffer 3] dat zijn ringvinger bebloed en ontveld was. Hij wist niet of hij door de fiets of door de auto was geraakt, maar wel dat hij dit letsel als gevolg van de handelingen van de bestuurder heeft opgelopen. Beide dienstfietsen waren dusdanig beschadigd geraakt dat hiermee niet meer verder

gefietst kon worden.17

Later heeft [slachtoffer 3] nog verklaard dat zijn dienstfiets door de aanrijding werd weggeslingerd. Verder heeft hij nog aan zijn eerdere verklaring toegevoegd dat de bestuurder kennelijk schrok van zijn lichtsignalen en daarom een korte stuurbeweging maakte en even inhield. Echter binnen enkele seconden hoorde hij dat de auto flink toeren maakte en zag hij dat de koplampen in positie verhoogden, waaruit hij opmaakte dat de auto vol gas gaf. De auto reed vanaf een geschatte afstand van 20 à 25 meter met vol gas op hem af.18

Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , te dienstpaard, zagen dat de twee bikers (rechtbank: [slachtoffer 3] en [verbalisant 3] ) met hun opvallende dienstfiets op de weg gingen staan en aan de bestuurder van de rode auto, ruim op tijd, een zeer duidelijk stopteken gaven. Zij zagen dat de bestuurder van de auto hieraan geen gehoor gaf en recht op [slachtoffer 3] afreed. [slachtoffer 3] had zijn dienstfiets vast en kon zelf nog net op tijd opzij springen. Zijn fiets werd geramd door de rode auto.

Verbalisant [verbalisant 4] zag, vlak nadat de rode auto op zijn collega [slachtoffer 3] was afgereden en de auto de mountainbikes van [slachtoffer 3] en daarna [verbalisant 3] had geraakt, dat de bestuurder een man met bruin haar was en dat de auto voorzien was van kenteken [kenteken] . Verbalisant [verbalisant 6] zag dat de bestuurder alleen in de auto zat en dat hij het raam van de bestuurderszijde open had. Zij zag dat de auto een rode Citroën Cl betrof. Zij heeft het kenteken van de auto nagetrokken en herkende de bestuurder van de foto in het politieregistratiesysteem als de eigenaar van de auto. Dit betreft verdachte.19 Zij zag dat de bestuurder een zwart colbertje en een witte blouse aan had. Zij herkende de bestuurder voor 90 procent op de foto. Zij had goed zicht.20

Gebeurtenissen op 25 juni 2016

Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij op 24 juni 2016, tussen ongeveer 19.00 uur en 20.30 uur, in Heteren werd aangesproken door een jongeman die interesse had in één van zijn scooters. Hij zou de volgende ochtend naar zijn bedrijf in Driel komen om naar een scooter te kijken. Op
25 juni 2016, omstreeks 12.15 uur, zag hij diezelfde jongeman in zijn bedrijf in Driel. Hij vroeg of hij zijn auto, een rode Citroën C1, mocht inruilen tegen een scooter. Hij had de auto in het dorp geparkeerd. De jongeman vertelde dat hij een probleem had met de auto en met de auto was gestrand. Hij overlegde een kopie van zijn rijbewijs, waarop [getuige 6] de jongeman herkende. De jongeman gaf de sleutels van de rode Citroën C1 en de kentekenkaart behorende bij het voertuig aan [getuige 6] . Het betrof de Citroën C1, met kenteken [kenteken] . De auto stond geregistreerd als gestolen. Het rijbewijs staat op naam van verdachte.21 Aan de sleutelbos die [getuige 6] had gekregen zat een soort kralenlint, wit van kleur met zwarte letters erop, hij dacht dat er een naam geschreven stond.22

Bij de insluitingsfouillering van verdachte is een kralenketting aan zijn sleutelbos aangetroffen. Verbalisant [verbalisant 7] herkende deze kralenketting als de witte slinger die hij in de handen had gezien van de bestuurder van de rode Citroën C1, die hij op de camerabeelden van de Korenmarkt had gezien. In de woning van verdachte zijn schoenen aangetroffen die een gelijkenis vertoonden met de schoenen die de bestuurder van de auto aan had op dezelfde camerabeelden. Die schoenen hadden ook aan de voor- en achterzijde een witte zool.23

Op 29 juni 2016 wordt de rode Citroën C1 (kenteken [kenteken] ) in Driel nabij ' [getuige 6] ' aangetroffen. De auto had op verschillende plekken schade. Aan de voorbumper zat lakschade, het binnenwerk van de voorbumper was naar binnen gebogen en de klep van de tankdop ontbrak.24

Gelet op het vorenstaande, in het bijzonder dat:

  • -

    verdachte iets meer dan een half uur vóór het incident met [slachtoffer 3] nog reed in de Citroën C1, met kenteken [kenteken] , die later bij het incident was betrokken;

  • -

    verdachte door verbalisant [verbalisant 6] (met 90 procent zekerheid) is herkend als de bestuurder van de Citroën C1 met kenteken [kenteken] die op [slachtoffer 3] is afgereden en zij maar één persoon in de auto zag;

  • -

    verdachte een wit kralenlint en schoenen met aan de voor- en achterzijde een witte zool heeft, en de bestuurder van de bij het incident betrokken auto in de avond van 24 juni 2016 ook is gezien met schoenen met aan de voor- en achterzijde een witte zool en een op het kralenlint gelijkend voorwerp;

  • -

    verdachte direct de dag na het incident de bij het incident betrokken auto probeerde in te ruilen voor een scooter,

acht de rechtbank bewezen dat verdachte de bestuurder was van de auto in de nacht van 24 op 25 juni 2016 tijdens het incident met [slachtoffer 3] .

Op grond van de voormelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende gang van zaken.

[slachtoffer 3] stond midden op de weg, tussen twee rijstroken in. Verdachte kwam met de auto in zijn richting gereden. [slachtoffer 3] gaf ruim op tijd een stopteken met zijn hand en gaf met lichtsignalen aan dat de bestuurder naar de zijkant moest gaan. Verdachte hield even in met de auto, remde licht af en maakte een stuurbeweging. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte de politieagent op de weg heeft zien staan. Te meer nu [slachtoffer 3] in het licht van de ontstoken straatlantaarns duidelijk zichtbaar moet zijn geweest. Enkele seconden daarna gaf verdachte vol gas bij. Zo hard dat daardoor de koplampen in positie verhoogden en in felheid toenamen. Van een afstand van 20 à 25 meter reed verdachte vervolgens met vol gas op [slachtoffer 3] af. De auto bleef versnellen. [slachtoffer 3] is op het laatste moment weggesprongen om niet aangereden te worden. Hij duwde zijn dienstfiets van zich af om weg te kunnen komen. Verdachte raakte met de auto de dienstfiets vol, waardoor deze wegslingerde. De auto was beschadigd. Onder meer het binnenwerk van de voorbumper was naar binnen gebogen.

Hoewel de exacte snelheid waarmee verdachte op [slachtoffer 3] afreed niet kan worden vastgesteld, kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van voornoemde bewijsmiddelen worden aangenomen dat die snelheid in de gegeven omstandigheden hoog is geweest. [slachtoffer 3] spreekt onder meer over ‘hard optrekken’, ‘blijven versnellen’, ‘flink toeren maken’ en ‘vol gas geven’ en hij schat de snelheid op het moment van passeren op 40 à 50 km per uur. Dit past bij de schatting van de iets verderop staande verbalisant [verbalisant 3] , die schat dat verdachte hem passeerde met een snelheid van 50 à 60 km per uur. Door met een hoge snelheid op [slachtoffer 3] af te rijden, bestond naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 3] zou worden aangereden en dat hij bij die aanrijding zou komen te overlijden. Hierbij is van belang dat, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, voetgangers ten opzichte van een auto kwetsbare verkeersdeelnemers zijn

Verdachte is, onder het negeren van een stopteken en lichtsignalen, met hoge snelheid op de midden op de weg staande [slachtoffer 3] afgereden, waarbij hij diens dienstfiets, die direct voor hem stond, vol heeft geraakt. Deze gedragingen van verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank, naar de uiterlijke verschijningsvorm, zozeer gericht op het bewerkstelligen van een aanrijding met [slachtoffer 3] , dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg daarvan, namelijk de dood, willens en wetens heeft aanvaard. Aldus was het opzet van verdachte, minst genomen in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer 3] gericht. Dat dat gevolg niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan het handelen van [slachtoffer 3] .

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 3]

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het volgende heeft begaan, te weten dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/121047-16

1.

hij op of omstreeks 9 juni 2016 te Arnhem, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, [slachtoffer 1] (medewerker van politie) en/of [slachtoffer 2] (brigadier van politie), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun

bediening, te weten werkzaam als wijkagent(en), door (met kracht) met zijn, verdachtes beide vuisten in/op/tegen het gezicht/hoofd althans het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan en/of te stompen en/of hem (vervolgens) (met kracht) bij diens keel (vast) te pakken en/of (vast) te grijpen en/of (vervolgens) (met kracht) met zijn vinger in diens (linker)oog te krabben en/of (vervolgens) te rukken en/of te trekken althans zich te bewegen tegengesteld aan de richting waarin die ambtena(a)r(en) hem trachtten te geleiden, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een pijnlijk linkeroog en/of een gekneusde pols en/of een kras in de nek bij die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 9 juni 2016 te Arnhem, opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en), [slachtoffer 1] (medewerker van politie) en/of [slachtoffer 2] (brigadier van politie), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar hun bediening, in politiedienst (als wijkagent(en) aldaar aanwezig zijnde), in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: "jullie zijn uilskuikens" en/of "jullie eikeltjes" en/of hem de woorden toe te voegen: "tyfuslijer" en/of "je bent een langharige teckel", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Ten aanzien van parketnummer 05/720198-16

1.

Primair

hij, op of omstreeks 25 juni 2016 te Arnhem (Willemsplein), als bestuurder van een personenauto (Citroën C1 gekentekend [ [kenteken] ]), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk de opsporingsambtenaar, [slachtoffer 3] (werkzaam als hoofdagent bij de politie Oost-Nederland) van het leven te beroven, met dat opzet een stopteken gegeven door die [slachtoffer 3] (die zich op dat moment op een afstand van (ongeveer) 25 meter, althans op korte afstand van verdachte bevond) heeft genegeerd en/of (vervolgens) (veel) gas heeft (bij)gegeven en/of (met hoge snelheid) (recht) op die [slachtoffer 3] is afgereden,

welke opzij moest springen teneinde een aanrijding met de door verdachte bestuurde personenauto te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

Primair

hij, op of omstreeks [huisnummer] juni 2016 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met zijn, verdachtes, personenauto met hoge snelheid, althans vol gas gevend en/of zonder zijn snelheid te verminderen, is ingereden op die [slachtoffer 4] , die zich (telkens) op korte afstand van verdachte bevond en (telkens) opzij moest springen teneinde een aanrijding met de door verdachte bestuurde personenauto te voorkomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij, op of omstreeks 2 juni 2016, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 24 juni 2016 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk een personenauto (Citroën C1,

gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als medewerker bij [naam 1] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

4.

hij, op of omstreeks 24 juni 2016 te Arnhem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (Citroën C1, gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/121047-16

Ten aanzien van feit 1

Met betrekking tot verbalisant [slachtoffer 1] :

Wederspannigheid.

Met betrekking tot verbalisant [slachtoffer 2] :

Wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Ten aanzien van feit 2:

Belediging, meermalen gepleegd, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van de bediening.

Ten aanzien van parketnummer 05/720198-16

Ten aanzien van de feiten 1 en 2, primair, telkens:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 3:

Verduistering.

Ten aanzien van feit 4:

Diefstal.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de parketnummers

05/121047-16, feiten 1 en 2, en 05/720198-16, feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair, en de feiten 3 en 4, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte al in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij dienen volgens de officier van justitie de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd van een meldplicht bij de reclassering en het meewerken aan een ambulante behandeling, indien dit noodzakelijk wordt geacht. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd. Daarnaast heeft de officier van justitie voor de feiten

1. en 2 (beide subsidiair) onder parketnummer 05/720198-16 de ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaar gevorderd. De officier van justitie heeft bij haar eis rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten en de langdurige agressieproblematiek van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van vijf van de zes feiten bepleit. Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van meer feiten, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest dan wel een gevangenisstraf met een groot voorwaardelijk deel, zo nodig met een lange proeftijd, passend en geboden zou zijn. Daarbij is gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een baan en het contact met zijn kinderen is weer op gang gekomen. Hij wil een voorbeeld zijn voor zijn kinderen. Verdachte staat open voor behandeling. Ten aanzien van de rijontzegging heeft de verdediging opgemerkt dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om naar zijn werk te komen. Indien de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid wil opleggen, is verzocht deze geheel voorwaardelijk op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 27 juni 2017;

- de voorlichtingsrapportages van Reclassering Nederland, gedateerd 26 juli 2017,
3 april 2017, 2 februari 2017, 16 september 2016 en 28 juni 2016;

- een rapportage Pro Justitia van T. van den Hazel, klinisch psycholoog, gedateerd
27 december 2016;

- een rapportage Pro Justitia van C.J.F. Kemperman, psychiater, gedateerd 9 januari 2017.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige feiten. Verdachte heeft in de avond van 24 juni 2016 geprobeerd slachtoffer [slachtoffer 4] van het leven te beroven door - tot tweemaal toe - met een auto met hoge snelheid op hem af te rijden, waarbij hij onder meer woorden heeft geroepen als: “Ik rij je dood, ik maak je kapot”. Vervolgens heeft verdachte zich in de nacht van 24 op 25 juni 2016 nogmaals schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met diezelfde auto met hoge snelheid af te rijden op politieagent [slachtoffer 3] , waarbij hij diens stopteken negeerde. Daarbij heeft verdachte de fiets van de politieagent vol geraakt. In beide gevallen heeft verdachte de kans voor lief genomen dat de slachtoffers om het leven zouden komen. Dat dit niet is gebeurd is een omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. Dergelijk handelen kan een grote impact hebben op het leven en het gevoel van veiligheid van slachtoffers. Dat dit hier ook het geval is, blijkt uit de aangifte van [slachtoffer 3] . Hij verklaarde dat het incident, waarbij hij het er niet levend van af had kunnen brengen, veel indruk op hem en zijn familie heeft gemaakt. Ook is hij sindsdien extreem alert op bewegingen en geluiden en trekken alle kleine rode auto’s zijn aandacht.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering, diefstal, wederspannigheid met lichamelijk letsel tot gevolg en belediging van politieambtenaren, gepleegd in de periode van 2 juni 2016 tot en met 24 juni 2016. De rechtbank constateert dat sprake is van een reeks agressiefeiten, gepleegd door verdachte in een relatief korte periode, en rekent verdachte deze feiten, met name de pogingen tot doodslag en zijn agressieve gedrag richting verbalisant [slachtoffer 2] , zwaar aan. Zijn handelen rechtvaardigt een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte heeft in het voorbereidende onderzoek en op de terechtzitting geen volledige openheid van zaken willen geven. De rechtbank betrekt daarom bij de straftoemeting in het nadeel van verdachte dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen. Ook betrekt de rechtbank hierbij in verdachtes nadeel dat hij al eerder is veroordeeld voor (onder meer) belediging van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, wederspannigheid, bedreiging van een ambtenaar en poging tot zware mishandeling. Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan het psychiatrisch onderzoek.

In het rapport van de psycholoog staat dat bij verdachte is sprake van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Deze stoornis is duurzaam van aard en hiervan was dan ook sprake ten tijde van de poging tot doodslag op de politieagent. Over de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte kon geen advies worden uitgebracht, omdat verdachte betrokkenheid ontkende. Op basis van eerdere agressie-incidenten en de ernst van de narcistische persoonlijkheidsstoornis wordt het risico op recidive van agressie en een agressief delict jegens een gezagsdrager als hoog ingeschat. Verdachte kent beperkte mogelijkheden om spanningen en frustraties te reguleren, terwijl hij wel verhoogd frustratiegevoelig is. Hij kent nauwelijks empathie naar anderen. Hij neemt zo goed als geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen gedragskeuzes en wijt zijn gedrag aan anderen, omstandigheden of hij bagatelliseert de gevolgen van zijn gedrag. Er zijn ook beschermende factoren, waaronder de goede, sociale vaardigheden en ambities van verdachte, maar deze kunnen weer omslaan in risicofactoren. Ten tijde van het tenlastegelegde stond verdachte onder grote spanning en emotionele druk vanwege het verbreken van zijn relatie, zakelijke conflicten, het opstarten van een eigen onderneming, acuut geldgebrek en een verstoorde relatie met zijn buren en de woningstichting. Deze factoren versterken elkaar en leiden tot een hoog recidiverisico. Om de kans op herhaling te minimaliseren is een ambulante psychotherapeutische behandeling geïndiceerd, te bieden vanuit een specialistische behandelvoorziening voor mensen met ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Een voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht wordt geadviseerd.

De reclassering sluit zich bij de resultaten en conclusies uit voornoemd onderzoek aan en heeft ook geadviseerd om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, het volgen van een behandeling bij Kairos en, indien bij verdachte sprake is van problematisch middelengebruik, een daarop gerichte behandeling bij IrisZorg.

De rechtbank neemt voornoemde adviezen over.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank zal hieraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, de pogingen tot doodslag wel bewezen acht, komt zij tot een hogere straf dan de officier van justitie heeft geëist. Gezien het hoge recidiverisico heeft de rechtbank voorts aanleiding gezien om een langere proeftijd op te leggen. Nu de onder voorwaarden geschorste voorlopige hechtenis zal blijven doorlopen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Naast de gevangenisstraf zal de rechtbank voor de feiten 1 en 2, beide primair, onder parketnummer 05/720198-16, ook een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 3 jaren met een proeftijd van 3 jaren. Verdachte heeft de pogingen tot doodslag immers beide keren gepleegd met een auto. Omdat de rechtbank al een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt en de ontzegging van de rijbevoegdheid pas gaat lopen na het einde van de detentie, acht de rechtbank het passend om de rijontzegging uitsluitend in voorwaardelijke vorm op te leggen.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van een schadevergoeding:

  • -

    [slachtoffer 2] voor een bedrag van € 507,65 ten aanzien van het bewezen verklaarde onder feit 1 van parketnummer 05/121047-16;

  • -

    [slachtoffer 3] voor een bedrag van € 450,- ten aanzien van het bewezen verklaarde onder feit 1 primair van parketnummer 05/720198-16;

  • -

    [slachtoffer 5] voor een bedrag van € 705,36 ten aanzien van het bewezen verklaarde onder feit 1 primair van parketnummer 05/720198-16.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen tot betaling van het gevorderde bedrag toe te wijzen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging verzocht de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vorderingen af te wijzen. Verder is ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] nog aangevoerd dat de materiële schade niet is onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 2]

Nu de verdediging geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen (de hoogte van) de gevorderde materiële kosten (zonnebril, herstel horloge en oogzalf) en deze bedragen naar het oordeel van de rechtbank voldoende zijn onderbouwd en niet onredelijk hoog zijn, zal zij vergoeding van deze kosten (€ 177,65) toewijzen.

In de vordering staat, zoals ook uit het dossier volgt, dat verdachte [slachtoffer 2] meermalen in het gezicht heeft geslagen, hem bij zijn keel heeft gegrepen en ter hoogte van zijn sleutelbeen en oog heeft gekrabd waarbij een kras op de linkeroogbol van [slachtoffer 2] ontstond. Verder kneusde [slachtoffer 2] zijn pols als gevolg van verdachtes handelen. Daarvan heeft hij twee weken last gehad. De rechtbank ziet in dit lichamelijk letsel aanleiding om voorts aan [slachtoffer 2] een immateriële schadevergoeding toe te kennen.

Met betrekking tot de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De immateriële schadevergoeding zal de rechtbank dan ook naar billijkheid bepalen op het gevorderde bedrag van € 330,-.

[slachtoffer 3]

In de onderbouwing van de vordering staat dat [slachtoffer 3] letsel heeft opgelopen als gevolg van de poging tot doodslag. Hij had een lichte schaafwond en een lichte kneuzing aan zijn hand, waarvan hij twee weken last heeft gehad. Ook heeft het incident een enorme impact gehad op [slachtoffer 3] . Hij heeft het als zeer schokkend ervaren, wat zich heeft geuit in onder meer slecht slapen, vermoeidheid en prikkelbaarheid. De rechtbank ziet hierin aanleiding om aan [slachtoffer 3] een immateriële schadevergoeding toe te kennen.

Met betrekking tot de hoogte van de immateriële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De immateriële schadevergoeding zal de rechtbank dan ook naar billijkheid bepalen op het gevorderde bedrag van € 450,-.

[slachtoffer 5]

De rechtbank heeft vastgesteld dat [slachtoffer 5] de eigenaar was van de auto ten tijde van de onder parketnummer 05/720198-16 ten laste gelegde feiten. Doordat verdachte met de auto op politieagent [slachtoffer 3] (feit 1 primair) is ingereden en daarbij vol diens fiets en ook de fiets van verbalisant [verbalisant 3] heeft geraakt, is het aannemelijk dat daardoor schade aan de auto is ontstaan. In de bij de vordering overgelegde brief van Ditzo van 27 oktober 2016 staat dat de autoverzekering de geleden schade niet dekt, omdat het kenteken van de auto op het moment van het ontstaan van de schade niet op naam van [slachtoffer 5] stond. Uit de brief van 17 januari 2017 volgt dat de reparatieschade € 705,36 bedraagt.

De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de schade voldoende onderbouwd en redelijk is. Daarom wijst zij de gevorderde schadevergoeding tot dit bedrag toe.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van de vorderingen zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen alsook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45, 63, 91, 181, 266, 267, 287, 310 en 321 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich uiterlijk binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65, 6801 BB te Arnhem, en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    zich dient te laten behandelen voor zijn impulscontrole- en agressieregulatieproblematiek bij Kairos of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling en/of behandelaar zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    indien blijkt van problematisch middelengebruik, zich dient te laten behandelen dan wel een training zal ondergaan bij Iriszorg of soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling en/of behandelaar zullen worden gegeven, ook als dat inhoudt het ondergaan van urinecontroles, zo nodig en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair van parketnummer 05/720198-16 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaar;

 bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van parketnummer 05/121047-16 wat betreft feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij B.T. Bloesma, ten bedrage van € 507,65 (vijfhonderdzeven euro en vijfenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 507,65 (vijfhonderdzeven euro en vijfenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 10 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van parketnummer 05/720198-16 wat betreft feit 1 primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], ten bedrage van € 450,- (vierhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 450,- (vierhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 9 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van parketnummer 05/720198-16 wat betreft feit 1 primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 5], ten bedrage van € 705,36 (zevenhonderdvijf euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] , een bedrag te betalen € 705,36 (zevenhonderdvijf euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 12 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. E.G.J. Broekhuizen , rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. de Munnik en mr. S. Blankenspoor, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 augustus 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016284318, gesloten op 16 juni 2016, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aanhouding, p. 6 t/m 8.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , (inclusief bijlagen) p. 18, 19 en 20.

4 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016312420, onderzoek ON4R016088 KERS, gesloten op 30 augustus 2016, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] , p. 139-140.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 142.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 144.

8 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 augustus 2017.

9 Proces-verbaal van aangifte van [naam 2] , namens [slachtoffer 5] , p. 151 t/m 153.

10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 augustus 2017.

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 augustus 2017.

12 Proces-verbaal van getuigenverhoor [slachtoffer 4] bij de rechter-commissaris op 11 juli 2017, p. 4.

13 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 93 t/m 95.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 102-103.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 55.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 47-48.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 23- [huisnummer] .

18 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 37 en 38.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 41.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 42.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige (plus bijlage: foto van rijbewijs), p. 65 t/m 68.

22 Proces-verbaal van bevindingen, p. 73.

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 89.

24 Proces-verbaal van bevindingen, p. 58.