Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4363

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3630
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand – intrekking - hoofdverblijf

Met een extreem laag waterverbruik is het niet aannemelijk dat een betrokkene woonachtig is geweest op het uitkeringsadres. Het is dan aan de betrokkene het tegendeel aannemelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/3630

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2017

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn te Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers recht op bijstand per 1 juni 2016 ingetrokken en beëindigd. Daarnaast heeft verweerder een bedrag van in totaal € 12.774,29 van verzoeker teruggevorderd.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde M.H.A.J. Wesdijk.

Overwegingen


Inleiding

1.1

Verzoeker ontvangt vanaf 26 juni 2011 een bijstandsuitkering op grond van de wet Werk en bijstand. Deze uitkering is later omgezet in een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Verzoeker heeft zich per 1 juni 2016 laten inschrijven op het adres [locatie] te [woonplaats] .

1.2

Op 10 mei 2017 is door de Afdeling Burgerzaken melding gemaakt van een signaal van de woningbouwvereniging “de Goede Woning” dat verzoeker niet op het uitkeringsadres ( [locatie] te [woonplaats] ) maar vermoedelijk zou verblijven bij zijn vriendin aan de [locatie] te [woonplaats] , met wie verzoeker een kind heeft. Ook de wijkagent zou niet beter weten dan dat verzoeker samen met zijn vriendin en kind aan de [locatie] woont. Daarnaast is een signaal ontvangen dat verzoeker zich enkel aan de [locatie] te [woonplaats] meldt om zijn post op te halen en er is een vermoeden dat hij spullen verkoopt via Marktplaats vanuit zijn uitkeringsadres om vervolgens weer te vertrekken.

1.3

Uit de Basisregistratie personen (BRP) blijkt dat op [locatie] te [woonplaats] staan ingeschreven [betrokkene] en haar dochter [betrokkene] die door verzoeker is erkend. Op 16 mei 2017 heeft de afdeling Burgerzaken een voorlopig rapport van bevindingen opgemaakt met betrekking tot een bezoek aan de [locatie] . Uit deze rapportage blijkt dat [betrokkene] een vraag beantwoordt die nog gesteld had moeten worden. [betrokkene] heeft verklaard dat verzoeker hier niet woont, maar aan de [locatie] en dat hij overdag komt voor zijn dochtertje en ’s avonds naar huis gaat. Een gesprek met verzoeker was vooralsnog niet mogelijk omdat zij eerst met hem anderhalve week op vakantie zou gaan.

1.4

Op 16 mei 2017 is door verweerders rapporteur tevergeefs getracht een onaangekondigd huisbezoek af te leggen op het adres [locatie] . Vervolgens zijn de buurtbewoners aan de [locatie] gehoord. De heer [betrokkene] ( [locatie] ) heeft een verklaring afgelegd en drie buurtbewoners hebben alleen anoniem een verklaring willen afleggen. Uit dit onderzoek komt een beeld naar voren dat de buurtbewoners af en toe een man zien die in een auto aan komt rijden, korte tijd in de woning verblijft, en vervolgens de woning weer verlaat.

1.5

Bij brief van 17 mei 2017 is verzoeker opgeroepen voor het aanleveren van bewijsstukken en het voeren van een gesprek op 19 mei 2017. Verzoeker is, zonder bericht van verhindering, niet op het beoogde gesprek verschenen.

1.6

Op 18 mei 2017 is contact opgenomen met waterleverancier Vitens. Uit de toegezonden informatie blijkt dat verzoeker gemiddeld jaarlijks een waterverbruik heeft van 5 m³. Verweerders rapporteur wijst op recente jurisprudentie waaruit zou blijken dat een extreem laag waterverbruik het niet aannemelijk maakt dat een persoon zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. De rapporteur verwijst daarbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2017:146. Het is dan aan een betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.

1.7

Verzoeker is bij brief van 30 mei 2017 opgeroepen voor een gesprek op 2 juni 2017. Verzoeker heeft tijdens dat gesprek een verklaring afgelegd. Verzoeker heeft onder meer verklaard wel woonachtig te zijn op zijn uitkeringsadres, maar één tot drie dagen per week bij de moeder van zijn kind te overnachten. Overdags wil verzoeker altijd bij zijn kind zijn welke hij bezoekt op het adres van de moeder van zijn kind, afhankelijk hoe vaak hij zijn kind naar school toe moet brengen. Verzoeker verklaart dat hij ieder moment van de dag dat zijn dochter wakker is bij haar aanwezig is en zijn dochter nooit bij hem thuis komt. De ene week slaapt verzoeker thuis en de andere weken is hij slechts één dag per week thuis. Sinds terugkomst van zijn vakantie op 25 mei 2017 heeft verzoeker twee tot drie keer thuis geslapen en één keer overnacht bij de moeder van zijn dochter. De overige dagen heeft stelt verzoeker bij andere mensen te hebben geslapen. Verzoeker zegt nooit thuis te koken en heeft nagenoeg geen levensmiddelen in huis.
Verzoeker heeft voorts verklaard dat hij gemiddeld drie keer per week thuis doucht, twee keer per dag zijn behoeftes doet en één tot twee keer per maand de was doet. Verzoeker heeft zijn verklaring ondertekend.

1.8

Alle bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 15 juni 2017 van N. Smink en M. Fokkens, medewerkers handhaving. Op basis van deze rapportage heeft verweerder bij primair besluit verzoekers recht op bijstand per 1 juni 2016 ingetrokken en beëindigd. Daarnaast heeft verweerder een bedrag van in totaal € 12.774,29 van verzoeker teruggevorderd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat verzoeker niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 1 juni 2016 zijn hoofdverblijf houdt aan de [locatie] te [woonplaats] . Nu verzoeker, in strijd met zijn inlichtingenverplichting, geen mededeling heeft gedaan van zijn feitelijke woonsituatie kan het recht op bijstand vanaf
1 juni 2016 niet meer vastgesteld worden.


Het standpunt van verzoeker

2.1

Het verzoek om voorlopige voorziening houdt geen verband met de intrekking van bijstand over de te beoordelen periode, omdat het hier gaat om een wijziging van een rechtstoestand over een afgesloten periode in het verleden, die geen acute financiële noodsituatie veroorzaakt. Omdat de bijstand eerst per 19 mei 2017 is opgeschort en daarna per 19 juni 2017 definitief is beëindigd, waardoor verzoeker in een acute financiële noodsituatie is terechtgekomen, heeft zijn verzoek alleen betrekking op de beëindiging van bijstand per 19 juni 2017.

2.2

Verzoeker betwist dat hij niet sinds 1 juni 2016 zijn hoofdverblijf heeft op zijn uitkeringsadres. Zijn centrum voor maatschappelijk leven is op zijn uitkeringsadres. Sinds terugkeer van vakantie heeft hij daar meerdere dagen verbleven en geslapen. Daarnaast heeft verzoeker levensmiddelen in huis, wast zijn kleding thuis en koopt brood om dit thuis te nuttigen. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de maand van Ramadan waardoor verzoeker minder levensmiddelen in huis heeft dan normaal, minder thuis is en vaker bij familie en vrienden verblijft. Vanwege Ramadan eet hij vaker bij zijn ouders en broer (na zonsondergang). Het had op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen naar verzoekers woonverblijf. Verzoeker stelt dat hij weinig doucht en thuis weinig drinkt. Hij is overdag regelmatig niet thuis, maar in de avonden wel. Verzoeker wijst op zijn jaarafrekening gas en elektriciteit verbruik.

2.3

Verzoeker heeft een zestal verklaringen van buurtbewoners overgelegd, waaruit volgens hem volgt dat het aannemelijk is dat hij altijd en ongewijzigd zijn hoofdverblijf heeft op zijn uitkeringsadres.

2.4

Verzoeker stelt ter zitting dat de omstandigheden waarin hij zijn verklaring heeft afgelegd grimmig waren en dat hij zich onder druk gezet voelde om antwoorden te geven die ze wilden horen. Desgevraagd heeft verzoeker verklaard dat hij gesteld is op zijn dochtertje en geen seconde wil missen van haar nabijheid. Dat is dan wel in het huis van de moeder van zijn kind. Verzoeker is veel in dat huis omdat hij zijn dochtertje naar het kinderdagverblijf brengt en haalt. Als verzoeker een printje nodig heeft dan gaat hij ook even naar het huis van de moeder van zijn kind en vertrekt dan weer. Af en toe blijft hij dan eten en zo niet dan gaat verzoeker naar een café, kroeg, vrienden, ouders en kennissen. In het weekend zijn zij ‘papa en mama’ voor hun dochtertje en gaan naar pretparken e.d. Verzoeker heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij één keer in de zoveel tijd zijn was doet, wel thuis onder de douche gaat maar de WC niet altijd ‘doortrekt’. Ook gaat hij wel eens douchen bij een dame als hij daar geslapen heeft of gaat onder de douche bij zijn ouders. Verzoeker heeft in de schuldsanering gezeten en weet daardoor zuinig te leven. Verzoeker heeft de verklaringen van de buurtbewoners zelf opgesteld. Aan de eerder afgelegde verklaring van zijn buurman [betrokkene] kan volgens verzoeker geen waarde worden gehecht want deze man is vergeetachtig. Verzoeker heeft desgevraagd verklaard dat hij regelmatig bezoekt ontvangt, maar geen urenlange visites. Hoewel zijn dochter nooit bij hem thuis komt heeft hij thuis - voor zijn psyche - wel kinderspeelgoed.

Het standpunt van verweerder

3.1

Namens verweerder is ter zitting desgevraagd verklaard dat de basis voor verweerders standpunt is het uitgevoerde onderzoek in samenhang met verzoekers eigen verklaring en zijn extreem laag waterverbruik. Uit praktische overwegingen heeft verweerder toen besloten geen (aanvullend) huisbezoek af te leggen. Een huisbezoek zou geen meerwaarde opleveren. Evenmin is besloten om een buurtonderzoek te doen in de omgeving van verzoekers vriendin [betrokkene] . Doorslaggevend is geweest verzoekers extreem laag waterverbruik. Verweerder is zich bewust van het feit dat hier sprake is van een belastend besluit maar wijst op een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1893) waarbij de conclusie was dat extreem laag waterverbruik maakt dat bewoning niet aannemelijk is.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

4.1

De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen aan de ene kant het belang van verzoeker dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.2

Bij de afweging van de belangen houdt de voorzieningenrechter onder andere rekening met de kans dat het bezwaar van verzoeker slaagt en of het besluit rechtmatig is genomen. De voorzieningenrechter zal een zogenoemd voorlopig rechtsmatigheidsoordeel geven. Als de kans van slagen klein is, is er voor de voorzieningenrechter weinig reden om in te grijpen en een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft.

4.3

Ten aanzien van de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van
1 juni 2016 tot 19 juni 2017 stelt de voorzieningenrechter met verzoeker vast dat het hier gaat om een afgesloten periode in het verleden waarin verzoeker feitelijk de beschikking heeft gehad over bijstand. Zoals verzoeker zelf aangeeft is over deze periode geen sprake van een spoedeisend belang.

De spoedeisendheid is naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel gelegen in de beëindiging van bijstand, voor zover deze ertoe leidt dat verzoeker vanaf 19 juni 2017 geen bijstand meer ontvangt.

4.4

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de onderwerpelijke intrekking, beëindiging en terugvordering van verzoekers uitkering een belastend besluit is, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om te bewijzen dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust.


De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Verzoeker is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, omdat dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

Toegespitst op het onderhavige geval is het derhalve aan verweerder om aannemelijk te maken dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf had op zijn uitkeringsadres.

4.5

Blijkens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep mag worden uitgegaan van de juistheid van de tegenover een medewerker(s) Handhaving afgelegde en ondertekende verklaring en kan aan het daarop terugkomen daarvan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Dit wordt anders indien in voldoende mate met feiten en omstandigheden aannemelijk wordt gemaakt dat de verklaring niet in vrijheid is afgelegd.

Uit schriftelijke weergave van verzoekers verklaring blijkt niet dat deze niet in vrijheid is afgelegd. Ook al ervaarde verzoeker het gesprek met verweerders rapporteurs als ‘grimmig’ dan is daarmee niet duidelijk geworden dat verzoeker daardoor onjuiste informatie zou hebben verstrekt. De voorzieningenrechter overweegt hierbij nog dat verhoorsituaties als hier aan de orde nu eenmaal altijd druk en spanning veroorzaken. Nu verzoeker echter niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onder (onaanvaardbare) druk is gezet bij het afleggen en ondertekenen van zijn verklaring, kan verzoeker, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, aan zijn verklaring worden gehouden.

4.6

De voorzieningenrechter merkt op dat de getuigenverklaringen van de buurtbewoners ruimte laten voor enige interpretatie omdat naar voorlopig oordeel in onvoldoende mate is doorgevraagd op grond van welke concrete data en feiten de buurtbewoners tot hun verklaringen zijn kunnen komen. Wanneer er door de rapporteur(s) doorgevraagd zou zijn op welke dagen en uren en over welke periode(n) verzoeker bij zijn uitkeringsadres is gesignaleerd en hoe hebben de buurtbewoners kennis kunnen dragen van hun bevindingen, kan elke ruimte voor interpretatie worden uitgesloten. Bovendien zijn anoniem verstrekte verklaringen nimmer bruikbaar in een procedure. Tevens moet worden opgemerkt dat het bij onderzoeken naar het woonadres voor de hand ligt dat een huisbezoek wordt afgelegd nadat een verklaring van een betrokkene is afgenomen. Hoewel verweerder in de gedingstukken aangeeft dat uit verzoekers privacy- en praktische overwegingen niet is besloten tot een huisbezoek had zulks in dit geval wel voor de hand gelegen. De voorzieningenrechter ziet in dit geval echter geen aanleiding hieraan consequenties te verbinden.

4.7

Verzoeker heeft zijn extreem laag waterverbruik van 5 m³ in zijn woning in de periode na 1 juni 2016 tot de datum van het onderzoek (18 mei 2017) niet betwist. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 17 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1819) en de hiervoor door verweerder aangehaalde uitspraak van 23 mei 2017, maakt een extreem laag waterverbruik als hier aan de orde het niet aannemelijk dat een betrokkene woonachtig is geweest op het uitkeringsadres. Het is dan aan de betrokkene het tegendeel aannemelijk te maken.

4.8

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker daarin niet geslaagd. Met een waterverbruik van slechts 5 m³ in een periode van bijna één jaar, ook al is verzoeker erg zuinig en veel weg, is het niet mogelijk om, zoals hij tijdens het gesprek met verweerder en ook ter zitting heeft bevestigd, thuis zijn kleding te wassen, drie of vier maal per week thuis te douchen en regelmatig, soms een week aaneengesloten thuis te slapen, in aanmerking genomen dat hij dan ook eens naar het toilet zal moeten gaan, met al het waterverbruik van dien. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat verzoeker zijn verklaring over zijn verblijf op het uitkeringsadres en of hij al dan niet thuis doucht telkens weet aan te passen. De gerede twijfel die door het extreem lage waterverbruik is ontstaan of verzoeker zijn hoofdverblijf wel aan het adres Talingsweg 31 heeft, wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook eerder versterkt dan weggenomen door de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd. Dat het ‘centrum van verzoekers maatschappelijk leven’ zich bevindt op zijn uitkeringsadres heeft verzoeker dan ook niet kunnen concretiseren terwijl verzoeker vaag blijft over zijn feitelijk verblijf elders.

4.9

De voorzieningenrechter kan aan de door verzoeker overgelegde verklaringen van buurtbewoners niet die waarde hechten die verzoeker daaraan wenst te zien. Nog daargelaten dat verzoeker die verklaringen zelf heeft opgesteld op briefpapier van zijn gemachtigde, volgt uit de verklaringen niet dat deze betrekking hebben op de datum in geding. Verder zijn de verklaringen zeer globaal van aard en bevatten geen relevante details. Daarnaast zijn de verklaringen opgesteld en ondertekend op een datum van na van het bestreden besluit.

4.10

Aan verzoekers stelling dat hij wel zijn hoofdverblijf had op zijn uitkeringsadres moet worden getwijfeld. Verzoeker heeft die twijfel ter zitting niet kunnen wegnemen. De door en namens verzoeker naar voren gebrachte nuanceringen en argumenten overtuigen de voorzieningenrechter niet.

4.11

Onverlet hetgeen de voorzieningenrechter hiervoor onder rechtsoverweging 4.6 heeft overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat op basis alle voorhanden zijnde onderzoeksbevindingen - in samenhang bezien - voldoende grondslag aanwezig is voor verweerders standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat verzoeker op zijn uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had.

4.12

De voorlopige conclusie is dan ook dat het te verwachten valt dat verweerder het bestreden besluit bij het te nemen besluit op bezwaar zal handhaven. Er is dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

5.1

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van H. de Groot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 22 augustus 2017.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.