Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4355

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2849
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de omzetbelasting 1968, ontvankelijkheid teruggaafverzoeken over de jaren 2006 tot en met 2012, ontwikkelingsorganisatie die MFS-subsidie van Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangt, verricht geen diensten tegen vergoeding, geen verbruik door Ministerie, beroep op Besluit van 21 september 2015 faalt, eiseres heeft vertrouwen kunnen ontlenen aan notitie van Directoraat-Generaal van de Belastingdienst van 24 februari 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2004
V-N 2017/54.2.3
Viditax (FutD), 23-08-2017
FutD 2017-2110 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/2564 met annotatie van Drs. M.J.M.A. Toet
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 16/2843 t/m 16/2846, 16/2848 en 16/2849

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 augustus 2017

in de zaken tussen

Stichting [X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Bij beschikkingen van 19 maart 2014 heeft verweerder de verzoeken van eiseres om teruggaven van omzetbelasting over de jaren 2006 tot en met 2012 niet-ontvankelijk verklaard.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 maart 2016 de beschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 4 mei 2016, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017.

Namens eiseres is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde en mr. [B] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en [C] .

Eiseres heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

Algemeen

1. Eiseres is een ontwikkelingsorganisatie die zich richt op structurele armoedebestrijding in derdewereldlanden. De activiteiten van eiseres zijn gericht op onderwijs, gezondheid en gemeenschapsontwikkeling (inkomensverbetering en landbouw) met als doel de situatie van achtergestelde kinderen in rurale gebieden structureel te verbeteren. Daarbij werkt eiseres samen met lokale organisaties en biedt zij – waar nodig – ondersteuning. Eiseres voert deze werkzaamheden uit als medefinancieringsorganisatie (hierna: MFO). De inkomsten van eiseres bestaan in de jaren 2007 tot en met 2012 uit subsidies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: BuZa) en donaties en giften van andere partijen.

2. In september 2009 hebben 189 landen, waaronder Nederland, de zogenoemde “Millennium Verklaring van de Verenigde Naties” aangenomen. Op basis van deze Verklaring hebben de Verenigde Naties (hierna: VN) een actieplan ontwikkeld met betrekking tot armoedebestrijding. Dit plan bestaat uit acht Millennium Development Goals (hierna: MDG’s) die in 2015 moeten zijn gerealiseerd. De Nederlandse overheid heeft deze MDG’s in haar nationale ontwikkelingsbeleid geïmplementeerd.

3. Het Medefinancieringsstelsel (hierna: MFS) is een financieringsstelsel van het Ministerie van BuZa voor de uitvoering door MFO’s van projecten in ontwikkelingslanden, gericht op duurzame armoedebestrijding. Met ingang van 2001 vindt de financiering van MFO’s plaats op grond van een subsidiebeschikking. In het beleidskader MFS 2007-2010 zijn de criteria voor MFS-subsidies uitgewerkt. Per 1 januari 2009 moeten MFO’s ten minste 25% eigen middelen inbrengen, is de instellingssubsidie afgeschaft en worden uitsluitend programmasubsidies verstrekt. Vanaf 2010 hanteert het Ministerie van BuZa het zogenoemde MFS II, waarbij alleen subsidies worden verstrekt aan hulporganisaties die werken in alliantieverband, met een gezamenlijk projectplan en een aanwezen penvoerder.

4. Voor de jaren 2011 tot en met 2015 heeft eiseres, als penvoerder van de alliantie “ [D] ” een MFS II-subsidie aangevraagd. In de aanvraag is vermeld welke visie, missie en strategie van de alliantie ten grondslag liggen aan de aanvraag. Bij beschikkingen van 1 november 2010 en 29 april 2011 is door het Ministerie van BuZa een MFS II-subsidie toegekend voor de uitvoering van de programma’s “ [E] ” en “ [F] ”.

5. In de subsidiebeschikkingen is bepaald dat de staatssecretaris van BuZa nadere aanwijzingen aan de subsidieontvanger kan geven als hij van mening is dat de specifieke invulling van het activiteitenplan in strijd is met het buitenlandse beleid van de Nederlandse regering. Daarnaast is de subsidieontvanger verplicht om zich rekenschap te geven van de mogelijkheid dat de Nederlandse regering volkenrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de uitvoering van het activiteitenplan. De staatssecretaris kan tevens ten behoeve van de doelstelling “structurele armoedebestrijding door versterking van het maatschappelijke middenveld in het Zuiden” om niet gebruik maken van geschriften en andere voortbrengselen die in het kader van de subsidieverlening worden vervaardigd en waarop de subsidieontvanger intellectuele eigendomsrechten kan doen gelden. In voorkomend geval zal de subsidieontvanger aan de Staat der Nederlanden om niet de benodigde licenties verstrekken en in zijn relaties met derden een daartoe strekkend beding opnemen.

6. In de rapportage “Resultaten in ontwikkeling 2007-2008“ van de Minister van Ontwikkelingssamenwerking staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…) De uitvoering van het OS-beleid vindt plaats via verschillende kanalen. Een belangrijk deel van het budget, de zogenaamde bilaterale hulp, wordt direct door de minister van OS ingezet in de samenwerking met de partnerlanden. Maar voor een ander deel ligt de uitvoering in handen van maatschappelijke organisaties, multilaterale instellingen en het bedrijfsleven, met specifieke ervaring, kennis en kunde op het terrein van duurzame ontwikkeling en armoedevermindering. (…)”

7. In de rapportage “Resultaten in ontwikkeling 2009-2010“ van de staatssecretaris van BuZa is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…) De ResultatenRapportage - een open samenwerking tussen overheid, maatschappelijke organisaties en bedrijven - is een goed middel om de transparantie te vergroten (…)

In het publieke debat wordt vaak de vraag gesteld: welke resultaten behaalt Nederland (samen met partners, zoals maatschappelijke organisaties, internationale organisaties, internationale organisaties en regeringen) in ontwikkelingslanden? (…)”

8. In een door de staatssecretaris van Financiën voor akkoord geparafeerde notitie van 24 februari 2012 van het Directoraat-Generaal van de Belastingdienst is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“1. Kern

Indien het ministerie van BuZa aan Nederlandse organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking opdracht geeft om in ontwikkelingslanden ter plaatse projecten uit te voeren, kan op basis van een resolutie uit (oorspronkelijk) 1983 het btw-nultarief (met aftrek voorbelasting) worden toegepast op de in dat kader door die organisatie aan BuZa in rekening gebrachte kosten. (…) Waar de MFS II structuur niet zonder meer onder de werking van de resolutie valt dient te worden beoordeeld of Nederlandse hulporganisaties desondanks onverminderd aanspraak kunnen maken op het nultarief. Het lijkt wenselijk de resolutie zodanig te actualiseren dat dat het geval is. Een dergelijke actualisatie omvat echter meer dan MFS II en vereist overleg met BuZa. Omdat daarmee enige tijd gemoeid zal zijn is het wenselijk richting de branche duidelijkheid te verschaffen of en hoe op die actualisatie kan worden geanticipeerd.

2. Beslispunten

a. Gaat u akkoord met een actualisatie van genoemde resolutie, zodanig dat de MFS II structuur daaronder valt en dat ook andere noodzakelijk aanpassingen worden verwerkt?

b. Zo ja, gaat u ermee akkoord dat vooruitlopend op die actualisatie, Nederlandse hulporganisaties in het kader van MFS II projecten richting BuZa het nultarief kunnen toepassen en daartoe geen facturen hoeven uit te reiken? (…)”

9. Met ingang van 2016 krijgt eiseres geen MFS-subsidies meer. Eiseres heeft hierover op haar website vermeld dat het wegvallen van subsidie niet tot een wezenlijke aanpassing van haar strategie heeft geleid.

Verzoeken om teruggaaf

10. Bij brief van 18 december 2012 heeft eiseres verweerder verzocht om haar aan te merken als ondernemer voor de omzetbelasting en haar voor de jaren 2006 tot en met 2012 aangiftebiljetten omzetbelasting uit te reiken. Eiseres heeft aangegeven dat zij het zeer op prijs zou stellen als zij de aangiften zou mogen ontvangen voor 31 december 2012.

11. Bij brief van 24 december 2012 heeft eiseres voor de jaren 2006 tot en met 2011 de bedragen uiteengezet die zij wenst op te nemen in de betreffende aangiften omzetbelasting. Ook heeft zij in deze brief verweerder nogmaals verzocht om zo spoedig mogelijk de aangiftebiljetten voor deze jaren aan haar uit te reiken, zodat zij aan de formele verplichtingen kan voldoen.

12. Bij brief van 26 februari 2013 heeft verweerder nadere informatie over onder meer de werkzaamheden van eiseres opgevraagd.

13. Verweerder heeft eiseres per e-mail van 12 juni 2013 en brief van 14 augustus 2013 bericht dat hij de gevraagde informatie nog niet heeft ontvangen en dat hij eiseres nog een maand de gelegenheid geeft de gevraagde informatie verstrekken. Na het verstrijken van deze periode zal hij aangiftebiljetten aan eiseres uitreiken.

14. Eiseres heeft op 10 oktober 2013 de aangifteformulieren voor de jaren 2006 tot en met 2011 van verweerder ontvangen. Op de aangifteformulieren zijn uiterste inleverdata vermeld van respectievelijk 1 februari 2008 (jaar 2007), 1 februari 2009 (jaar 2008), 1 februari 2010 (jaar 2009), 1 februari 2011 (jaar 2010) en 1 februari 2012 (jaar 2011). Eiseres heeft deze aangiften op 18 november 2013 ingediend. Eiseres heeft bij brief van 19 december 2013 verweerder nogmaals verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet voor het jaar 2012.

15. Bij brief gedateerd 23 december 2013 heeft verweerder het aangifteformulier voor het jaar 2012 aan eiseres verzonden. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij dit formulier reeds eerder tezamen met de andere aangifteformulieren aan eiseres heeft uitgereikt. Op het aangifteformulier is een uiterste inleverdatum vermeld van 1 februari 2013. Op 23 december 2013 heeft eiseres deze aangifte ingediend.

16. Bij beschikkingen van 19 maart 2014 heeft verweerder de verzoeken van eiseres om teruggaaf over de jaren 2006 tot en met 2012 niet-ontvankelijk verklaard omdat deze buiten de wettelijke termijn zijn ingediend. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om ambtshalve teruggaven te verlenen.

17. Eiseres heeft tegen deze beslissingen op 16 april 2014 bezwaar gemaakt en verzocht om aanhouding van de bezwaren in afwachting van een lopende procedure van een andere ontvanger van MFS II-subsidies. Op 5 februari 2015 heeft eiseres met verweerder afgesproken het bezwaar nader te motiveren. Deze motivering is met dagtekening 16 april 2015 aan verweerder gezonden.

18. Hangende de beroepsprocedure heeft eiseres haar beroep voor het jaar 2006 ingetrokken.

Geschil

19. Tussen partijen is in geschil:

  • -

    of de verzoeken om teruggave van omzetbelasting voor de jaren 2007 tot en met 2012 ontvankelijk zijn; en zo ja,

  • -

    of eiseres moet worden aangemerkt als ondernemer voor de omzetbelasting en of zij recht heeft op aftrek van voorbelasting; en zo nee,

  • -

    of eiseres op grond van het vertrouwens- en/of gelijkheidsbeginsel moet worden aangemerkt als ondernemer.

20. De hoogte van de bedragen die eiseres heeft teruggevraagd, is niet in geschil.

21. Voorts heeft eiseres verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid verzoeken om teruggaaf

22. Eiseres stelt dat zij moet worden aangemerkt als ondernemer en dat verweerder haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om via het indienen van aangiften verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting in te dienen. Door het stellen van een termijn die ten tijde van het toezenden van de uitnodiging tot het doen van aangifte reeds was verstreken, waardoor het voor eiseres op voorhand onmogelijk was om de aangiften tijdig in te dienen, handelt verweerder volgens eiseres in strijd met artikel 10, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in samenhang met artikel 4a van de Uitvoeringsregeling AWR en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (met name het fair play-beginsel). Eiseres leidt uit de voormelde artikelen af dat de indieningstermijn ten minste één maand na de dagtekening van de uitnodiging tot het doen van aangifte moet liggen. Voorts is eiseres van mening dat de driemaandentermijn van artikel 31, vijfde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) in haar situatie niet van toepassing is, aangezien zij ondernemer is dan wel op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet worden aangemerkt als ondernemer. Indien deze termijn wél voor haar zou gelden, is zij van mening dat haar verzoeken om teruggaaf ontvankelijk zijn voor zover deze betrekking hebben op het derde en vierde kwartaal van 2012, aangezien zij op 24 december 2012, en dus binnen drie maanden na afloop van het derde kwartaal van 2012, heeft verzocht om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte om haar recht op teruggaaf te kunnen effectueren.

23. Verweerder is van mening dat eiseres het verzoek om teruggaaf op grond van artikel 14 in verbinding met artikel 31, vijfde lid, van de Wet OB uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kwartaal waarop de teruggaaf betrekking had, had moeten indienen. Nu eiseres de aangiften waarin de verzoeken om teruggaaf zijn opgenomen ruim buiten de uiterste inlevertermijnen heeft ingediend, stelt verweerder zich op het standpunt dat alle teruggaafverzoeken niet-ontvankelijk zijn. Ten aanzien van de inlevertermijn die op de aangifteformulieren is vermeld, merkt verweerder op dat voor eiseres dezelfde inlevertermijn geldt als voor andere ondernemers, die hun aangifte over dat tijdvak ook binnen diezelfde termijn hebben moeten indienen.

24. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres in dit geval uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kwartaal waarop de teruggaaf betrekking had, moeten verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting. Deze driemaandentermijn volgt uit artikel 31, tweede en vijfde lid, van de Wet OB, omdat aangenomen moet worden dat in geval van een eerste teruggaafverzoek, zonder dat sprake is van een uitnodiging tot het doen van aangifte, geen aangifte moet worden gedaan op de voet van artikel 14, eerste lid, van de Wet OB. Nu duidelijk is dat eiseres geen ondernemer is als bedoeld in artikel 31, derde en vierde lid van de Wet OB, is artikel 31, vijfde lid, van de Wet OB van toepassing. Anders dan eiseres heeft betoogd geldt dit ook als zij ondernemer is. De lezing die eiseres aan het vijfde lid geeft acht de rechtbank niet juist. Uitgaande van de driemaandstermijn van artikel 31, vijfde lid, van de Wet OB is tussen partijen niet in geschil dat de verzoeken om teruggaaf voor de jaren 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 en het eerste en tweede kwartaal van 2012 door eiseres te laat zijn ingediend.

25. Eiseres heeft terecht gesteld dat verweerder gehouden was om op haar verzoek van 18 december 2012 aangiften uit te reiken. Uit artikel 25, eerste lid, van de AWR volgt dat het aangiftetijdvak voor de omzetbelasting in beginsel het kalenderkwartaal is. Eiseres heeft dus in wezen verzocht om aangiften over alle kalenderkwartalen van de jaren 2007 tot en met 2012. Uit artikel 10, tweede lid, eerste volzin, van de AWR kan worden afgeleid dat verweerder gehouden was een termijn te stellen van ten minste een maand na het einde van de desbetreffende kalenderkwartalen, hetgeen hij ook daadwerkelijk heeft gedaan. Van schending van het fair-playbeginsel is geen sprake, omdat verweerder weliswaar gehouden is op verzoek aangiften uit te reiken maar niet bevoegd is wettelijke termijnen ten gunste van eiseres te verlengen. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder een termijn in de toekomst had moeten geven faalt dus. De verzoeken over de jaren 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2012 zijn dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.

26. De teruggaafverzoeken over het derde en vierde kwartaal van 2012 zijn door verweerder echter ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aangezien eiseres reeds bij brief van 18 december 2012 – en dus voordat de driemaandentermijn ten aanzien van deze kwartalen was verstreken – om uitreiking van aangiftebiljetten heeft verzocht. Anders dan verweerder meent, kan uit de enkele omstandigheid dat eiseres in haar brief van 24 december 2012 niet (meer) het jaar 2012 heeft vermeld niet worden afgeleid dat zij daarmee haar eerdere verzoek tot uitreiking van aangiftebiljetten voor het jaar 2012 uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft ingetrokken. Er zijn verder ook geen feiten en/of omstandigheden gebleken op grond waarvan verweerder dit redelijkerwijs kon menen. De rechtbank is van oordeel dat het tijdig verzoeken van aangiftebiljetten onder de gegeven omstandigheden moet leiden tot de constatering dat sprake is van tijdige teruggaafverzoeken. Verweerder heeft de aangiftebiljetten niet binnen een redelijke termijn na het verzoek van eiseres toegestuurd en eisers heeft na ontvangst ervan wel binnen een redelijke termijn, namelijk een maand, aangifte gedaan. De brief van 18 december 2012 heeft in dit verband te gelden als een tijdig verzoek om teruggaaf. Dit betekent dat het beroep van eiseres in zoverre gegrond is. Ten aanzien van deze tijdvakken komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Ondernemerschap omzetbelasting; diensten tegen vergoeding

27. Eiseres heeft gesteld dat zij voor de uitvoering van projecten in ontwikkelingslanden ondernemer is, aangezien tussen haar en het Ministerie van BuZa een rechtsbetrekking bestaat op grond waarvan zij van het Ministerie van BuZa vergoedingen ontvangt voor diensten die zij aan datzelfde ministerie verleent. Eiseres heeft betoogd dat het Ministerie van BuZa de afnemer is van haar MFS-activiteiten en dat de MFS-subsidie de vergoeding vormt voor de door haar verrichte diensten.

28. Eiseres heeft in de onderhavige tijdvakken programmasubsidies ontvangen voor activiteiten – ontwikkelingssamenwerking – waarvoor het Ministerie van BuZa verantwoordelijk is en waartoe de Nederlandse staat zich in VN-verband heeft verplicht, aldus eiseres. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij met het uitvoeren van deze projecten uitvoering heeft gegeven aan het beleid van het Ministerie van BuZa en dat zij feitelijk overheidstaken uitvoert, hetgeen volgens eiseres ook blijkt uit de MFS-subsidievoorwaarden. Eiseres heeft daarbij verwezen naar de brief van de staatssecretaris van Financiën van 23 december 1993 (nr. VB94/4755). Zonder de MFS-subsidie zouden de programma’s van eiseres niet of niet op deze wijze zijn verricht. Eiseres heeft tevens verwezen naar de rapportages “Resultaten in ontwikkeling 2007-2008” en “Resultaten in ontwikkeling 2009-2010”. Daarnaast heeft eiseres erop gewezen dat ook de staatssecretaris van Financiën de opvatting is toegedaan dat het Ministerie van BuZa afnemer is van de prestaties van eiseres, aangezien hij opmerkt dat de alliantiepartners in het kader van MFS II ieder afzonderlijk presteren jegens het Ministerie van BuZa (Besluit van 21 september 2015, nr. BLKB/2015/76M. Stcrt. 2015, nr. 32147, paragraaf 4).

29. Verweerder heeft betwist dat eiseres ondernemer is voor de omzetbelasting. Volgens verweerder kunnen de door eiseres ontvangen subsidies niet worden aangemerkt als betalingen voor verrichte diensten, aangezien geen sprake is van verbruik door de subsidiegever en een rechtstreeks verband tussen de prestaties van eiseres en de subsidies ontbreekt. Verweerder heeft verwezen naar jurisprudentie van het Hof van Justitie (HvJ 18 december 1997, C-384/95, Mohr, ECLI:EU:C:1996:72 en HvJ 22 november 2001, C-184/00, Landboden Agrardienste, ECLI:EU:C:1997:627).

30. Volgens verweerder heeft het Ministerie van BuZa geen dienst(en) van eiseres verbruikt, aangezien Nederland zich niet in VN-verband heeft verplicht om de projecten uit te voeren die eiseres in de jaren 2007 tot en met 2012 heeft opgezet en uitgevoerd. De wijze waarop het Ministerie van BuZa haar taak om ontwikkelingshulp te verlenen verwezenlijkt is geheel vormvrij. Ook de omstandigheid dat eiseres haar eigen doelstellingen nastreeft en hiervoor steun krijgt van de overheid, leidt er volgens verweerder toe dat geen sprake is van verbruik door de subsidiegever. In dat kader heeft verweerder verwezen naar het arrest Hoge Raad 15 oktober 2004 (Justitiële jeugdinrichting, ECLI:NL:HR:2004:AR4001). Dat de subsidies onder voorwaarden zijn verstrekt, maakt naar de mening van verweerder nog niet dat het Ministerie van BuZa voordeel heeft bij de activiteiten van eiseres.

31. Voor de beoordeling geldt het volgende kader. Volgens vaste rechtspraak is voor de kwalificatie van een handeling als een handeling onder bezwarende titel vereist dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de goederenlevering of de dienstverrichting en een werkelijk door de belastingplichtige ontvangen tegenprestatie. Een dienst wordt enkel onder bezwarende titel verricht, en is dus enkel belastbaar, wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst (HvJ 3 maart 1994, Tolsma, EU:C:1994:80, punten 13 en 14, alsmede Kennemer Golf, C-174/00, EU:C:2002:200, punt 39).

32. Uit het hiervoor genoemde arrest Landboden Agrardienste volgt dat het feit dat de overheid een betaling in het algemeen belang verricht, zoals in het kader van een subsidieverstrekking, niet uitsluit dat deze betaling tevens een tegenprestatie voor een dienst is. Een verbintenis, zoals deze in het onderhavige geval is geformaliseerd in de subsidiebeschikking, valt volgens het Hof van Justitie slechts onder het btw-stelsel indien er sprake is van verbruik, hetzij door de overheid, hetzij door andere identificeerbare personen. De overheid of andere identificeerbare personen zijn slechts verbruikers van een dienst indien de door de subsidieontvanger aangegane verbintenis hen een voordeel oplevert.

33. In zijn arrest van 20 februari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:AU9529) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat van een niet aan de heffing van omzetbelasting onderworpen subsidie sprake is wanneer de handelingen waarvoor de subsidie wordt verstrekt eigen activiteiten van de subsidieontvanger zijn, dat wil zeggen activiteiten die deze niet verricht omdat hij zich jegens de subsidiegever bij overeenkomst daartoe heeft verbonden. Dat de subsidieontvanger moet voldoen aan de door de subsidiegever gestelde voorwaarden, brengt dan niet mee dat de handelingen diensten in de zin van artikel 4 van de Wet OB jegens de subsidiegever zijn.

34. Vaststaat dat eiseres met haar activiteiten – waarvoor zij een vergoeding in de vorm van een subsidie ontvangt – het algemeen belang dient en dat het ministerie van BuZa met de uitbetaling van de subsidie tevens het algemeen belang dient. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van verbruik door andere identificeerbare personen dan het Ministerie van BuZa. Nu dit geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting zal de rechtbank partijen hierin volgen. In het onderhavige geval is dus slechts sprake van diensten onder bezwarende titel indien het Ministerie van BuZa kan worden aangemerkt als verbruiker van de activiteiten die eiseres in het kader van de subsidieverstrekking verricht.

35. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van verbruik van belang of sprake is van eigen activiteiten van eiseres of van activiteiten die eiseres verricht omdat zij zich daartoe jegens het Ministerie van BuZa heeft verbonden. Vaststaat dat eiseres een ontwikkelingsorganisatie is, die zich ten doel stelt de situatie van achtergestelde kinderen in rurale gebieden structureel te verbeteren en dat eiseres ook daadwerkelijk activiteiten in dat kader in ontwikkelingslanden verricht. Uit de aanvraag blijkt dat het initiatief tot aanvragen van de subsidie van eiseres is uitgegaan en dat de daarin genoemde activiteiten voortkomen uit de visie, de missie en de strategie van eiseres en de andere leden van de alliantie. Het wegvallen van de subsidie in 2016 heeft ook niet tot een wezenlijke aanpassing van de strategie van eiseres geleid.

36. Voorts is van belang dat Nederland weliswaar de Millennium Verklaring mede heeft ondertekend maar dat zij geen juridisch afdwingbare verplichtingen is aangegaan, met de VN noch met de andere landen die de Verklaring hebben ondertekend. De Verklaring heeft veeleer het karakter van een intentieverklaring. Alle 189 landen hebben zich verbonden om de MDG’s na te streven en Nederland bepaalt haar eigen prioriteiten daarbinnen. Er is geen sprake van een concrete taakstelling voor de Nederlandse overheid. Het enkele feit dat eiseres in lijn met de MDG’s heeft bijgedragen aan het doel dat de Nederlandse overheid zich heeft gesteld op het gebied van ontwikkelingssamenwerking brengt nog geen verbruik door het Ministerie van BuZa met zich. Evenmin is gesteld of gebleken dat het Ministerie van BuZa de activiteiten van eiseres of de resultaten daarvan aanwendt voor totstandkoming, aanpassing of uitvoering van haar beleid, als bedoeld in de hiervoor onder 28. genoemde brief van 23 december 1993. Met name uit de aanvraag en de rapportages kan worden afgeleid dat het Ministerie van BuZa en eiseres beiden activiteiten verrichten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, ieder vanuit hun eigen doelstelling maar tevens in nauwe samenwerking, waarbij het Ministerie van BuZa tevens een subsidie verstrekt indien en voor zover de activiteiten van eiseres een bijdrage leveren aan het behalen van de MDG’s. Voorop staat dat eiseres haar activiteiten primair ter verwezenlijking van haar eigen doelstellingen verricht. Van verbruik als bedoeld in het arrest Landboden Agrardienste is daarom geen sprake. Dit brengt met zich dat eiseres geen diensten tegen vergoeding heeft verricht en dat zij geen ondernemer is in de zin van de Wet OB. Het beroep is in zoverre ongegrond.

37. Het beroep van eiseres op het Besluit van 21 september 2015 wordt ook verworpen. In het Besluit staat weliswaar dat de penvoerder en de andere alliantiegenoten ieder afzonderlijk richting het ministerie presteren, maar tevens dat zij (slechts) een beroep kunnen doen op de goedkeuring indien aan de daar genoemde voorwaarden wordt voldaan. In het Besluit is expliciet vermeld dat uitsluitend organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking die zijn aan te merken als ondernemer voor de btw-heffing een beroep kunnen doen op het besluit.

Vertrouwensbeginsel

38. Eiseres heeft voorts gesteld dat zij aan de hiervoor onder 8. genoemde Notitie het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat zij voor het verrichten van de MFS-werkzaamheden als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeert.

39. Verweerder stelt dat hetgeen in de Notitie is vermeld geen beleid is. Bovendien wordt volgens verweerder in het onderhavige geval geen opdracht verstrekt.

40. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aan hetgeen in beslispunt b. van de Notitie van 24 februari 2012 is opgenomen het vertrouwen kunnen ontlenen dat zij in het kader van het MFS II project voor de onderhavige tijdvakken het nultarief mocht toepassen en dat zij recht had op aftrek van voorbelasting. Daaraan doet niet af dat in het onderdeel “Kern” van deze Notitie staat dat het Ministerie van BuZa opdrachten verstrekt aan Nederlandse organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. In het gedeelte daarna en ook bij de beslispunten wordt slechts gerefereerd aan de MFS-projecten. Nergens blijkt uit dat de goedkeuring slechts geldt voor MFS-II projecten die worden uitgevoerd in het kader van een opdracht door het Ministerie van BuZa. Verweerder heeft overigens desgevraagd verklaard dat hij niet weet of er ook opdrachten worden verstrekt door het Ministerie van BuZa in het kader van MFS II.

41. De beroepen inzake het derde en vierde kwartaal 2012 zijn gegrond. Niet in geschil is dat eiseres over deze kwartalen dan recht heeft op teruggaven van respectievelijk € 32.237 en € 24.037.

Immateriële schadevergoeding

42. Uit de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO5046) en van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016L252), volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaats dient te vinden. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie.

43. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

44. De ontvangstdatum van het bezwaarschrift is 16 april 2014. De termijn is geëindigd met deze uitspraak. Tussen 16 april 2014 en de uitspraak van de rechtbank zijn meer dan twee jaren verstreken. De rechtbank ziet aanleiding de redelijke termijn met negen maanden te verlengen in verband met de aanhouding van het bezwaar op verzoek van eiseres. Dit betekent dat de redelijke termijn ongeveer met zeven maanden is overschreden. De overschrijding is geheel toe te rekenen aan verweerder. De overschrijding wordt naar boven afgerond tot een jaar. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen tot betaling van een vergoeding van (twee maal € 500=) € 1.000.

Conclusie

45. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om teruggaaf voor het derde en vierde kwartaal van 2012. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en wijst de verzoeken om teruggaaf inzake deze tijdvakken toe. De overige beroepen zijn ongegrond. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.000.

Proceskostenveroordeling

46. Voor de bezwaar- en de beroepsfase stelt de rechtbank de door verweerder te vergoeden kosten vast op € 1.482 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor wat betreft de verzoeken om teruggaaf voor het derde en vierde kwartaal 2012 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor wat betreft de verzoeken om teruggaaf voor het derde en vierde kwartaal 2012;

  • -

    wijst de verzoeken om teruggaaf voor het derde en vierde kwartaal 2012 toe;

  • -

    stelt de teruggaaf over het derde kwartaal van 2012 vast op € 32.237 en over het vierde kwartaal 2012 op € 24.037;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart de overige beroepen ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.482;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 334 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. R.A. Eskes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 22 augustus 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.