Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4343

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3019
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 36 lid 4 Invorderingswet 1990 (IW 1990). Bestuurdersaansprakelijkheid. Niet melden betalingsonmacht. Niet toegelaten om bewijsvermoeden kennelijk onbehoorlijk bestuur te weerleggen. Geen disculpatie. Nalatigheid bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-08-2017
FutD 2017-2126

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/3019

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 augustus 2017

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Eiser is bij beschikking (nummer [000] ) van 22 mei 2015 als bestuurder aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven loonbelastingschulden van de Stichting [A] tot een bedrag van € 117.417.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 april 2016 de beschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen per faxbericht van 16 mei 2016, op dezelfde dag door de rechtbank ontvangen, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn [gemachtigde] en mr. [B] verschenen.

Overwegingen

Feiten

  1. De Stichting [A] (hierna: de Stichting) is op [2012] opgericht. Volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: het handelsregister) bestaan de activiteiten van de Stichting uit het ondersteunen en het geven van begeleiding opdat re-integratietrajecten kunnen slagen en de specifieke doelgroepen van sociaal achtergestelden gestructureerd vooruit geholpen worden en meer in het bijzonder het geven van dagbesteding. De Stichting is aan de heffing van vennootschapsbelasting onderworpen.

  2. Eiser is in de periode van 2 september 2013 tot 26 mei 2015 als voorzitter van de Stichting ingeschreven geweest in het handelsregister. Als voorzitter was hij gezamenlijk met de andere bestuurders bevoegd. De heer [C] was in de periode van 2 september 2013 tot 19 mei 2016 directeur (met algehele volmacht) van de Stichting.

  3. Aan de Stichting zijn, conform de ingediende aangiftes, over de maanden maart 2014 tot en met december 2014 de volgende naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd:

Tijdvak

Aanslagnummer

Dagtekening

Bedrag aanslag/ aansprakelijkstelling in €

maart 2014

[000] .A01.4030

23-05-2014

10.153

april 2014

[000] .A01.4040

24-06-2014

10.281

mei 2014

[000] .A01.4050

24-07-2014

27.315

juni 2014

[000] .A01.4060

22-08-2014

23.838

juli 2014

[000] .A01.4070

24-09-2014

15.276

augustus 2014

[000] .A01.4080

24-10-2014

15.677

september 2014

[000] .A01.4090

24-11-2014

11.242

oktober 2014

[000] .A01.4100

24-12-2014

2.620

november 2014

[000] .A01.4110

28-01-2015

585

december 2014

[000] .A01.4120

13-03-2015

430

Totaal

117.417

4. De Stichting heeft de verschuldigde loonheffingen niet op aangifte afgedragen. Een melding betalingsonmacht is niet gedaan. De invordering van de belastingschuld bij de Stichting heeft geen resultaat opgeleverd. Alle naheffingsaanslagen zijn tot op heden onbetaald gebleven.

5. Op 22 mei 2015 heeft verweerder eiser bij beschikking aansprakelijk gesteld op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) voor de loonbelastingschulden van de Stichting.

Geschil

6. In geschil is of verweerder eiser terecht op grond van artikel 36 IW 1990 aansprakelijk heeft gesteld voor de onbetaald gebleven loonbelastingschulden van de Stichting.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader bestuurdersaansprakelijkheid

7. Op grond van artikel 36 van de IW 1990 is, kort gezegd, iedere bestuurder van een lichaam (zoals de Stichting waarvan eiser bestuurder was) hoofdelijk aansprakelijk voor de loonheffing die het lichaam verschuldigd is. Verder is in dat artikel bepaald dat het lichaam verplicht is om onverwijld nadat is gebleken dat het niet tot betaling van de loonbelasting in staat is, daarvan mededeling te doen aan de ontvanger (melding betalingsonmacht).

8. Als de melding betalingsonmacht tijdig is gedaan, is een bestuurder alleen aansprakelijk als aannemelijk is dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.

9. Als echter geen melding betalingsonmacht is gedaan, of deze niet tijdig is gedaan, is een bestuurder aansprakelijk en wordt vermoed dat de niet betaling te wijten is aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur. Tot de weerlegging van dit vermoeden wordt slechts de bestuurder toegelaten die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam de betalingsonmacht niet of niet tijdig heeft gemeld.

10. In dit geval is er geen melding betalingsonmacht gedaan en dat betekent dat artikel 36 van de IW 1990 ervan uitgaat dat de niet betaling te wijten is aan eisers kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dat is een wettelijk bewijsvermoeden. Eiser kan alleen worden toegelaten om dat vermoeden te weerleggen als hij aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat de Stichting de melding betalingsonmacht niet heeft gedaan.

Aansprakelijkheid van eiser

11. De vraag moet dan ook worden beantwoord of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat het niet aan hem is te wijten dat de Stichting de melding betalingsonmacht niet heeft gedaan. Bij de beantwoording van die vraag geldt als uitgangspunt dat iedereen in beginsel alleen voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk is te houden, behoudens duidelijk omschreven, op de wet gebaseerde, uitzonderingen (Hoge Raad 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2149). Zo’n wettelijke uitzondering doet zich in dit geval niet voor.

12. Eiser stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat het niet melden van de betalingsonmacht te wijten is aan omstandigheden buiten hem om en zonder dat hem daarvoor een persoonlijk verwijt te maken is. Hij heeft verklaard dat hij door de directeur, voormalig voorzitter van de Stichting, gevraagd is tijdelijk het voorzitterschap van de Stichting op zich te nemen en dat hij hem die dienst heeft bewezen. Eiser heeft geen verstand van de zorgwereld. Eiser heeft de directeur gevraagd om een bestuursvergadering, maar die is er nooit geweest. Eiser heeft verklaard dat hij de directeur gevraagd heeft hem op de hoogte te houden en dat deze hem telkens mondeling informeerde dat alles in orde was. Hij heeft ook verklaard dat de directeur, net als hij, geen verstand had van financiën. Eiser was er niet van op de hoogte wie de boekhouding deed. Hij heeft de directeur wel aangeraden een accountant te nemen. Eiser heeft nimmer financiële gegevens opgevraagd. Hij was niet op de hoogte van financiële problemen bij de Stichting en wist niet van niet betaalde belastingaanslagen totdat hij de aansprakelijkstelling ontving. Eiser wist evenmin dat het zorgkantoor de betalingen in juni 2014 heeft stopgezet en dat de Stichting in augustus 2014 personeel heeft opgezegd omdat de directeur hem niet informeerde.

13. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet aan hem persoonlijk is te wijten dat de Stichting de melding betalingsonmacht niet heeft gedaan. Hij wordt dan ook op grond van de wet niet toegelaten tot weerlegging van het vermoeden dat de niet-betaling van de naheffingsaanslagen aan hem als bestuurder te wijten is. Het verwijt dat eiser kan worden gemaakt is dat hij nalatig is geweest om zich als bestuurder zelfstandig en gedocumenteerd op de hoogte laten te houden van het reilen en zeilen van de Stichting en van de financiële positie van de Stichting. Uit de verklaringen van eiser leidt de rechtbank af dat hij geen adequate invulling heeft gegeven aan zijn rol als bestuurder van de Stichting. Hij heeft genoegen genomen met mondelinge informatie over de financiën van de Stichting en heeft geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheden als voorzitter van het bestuur om zich adequaat te laten informeren. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem onmogelijk was om inzage te krijgen in de gang van zaken van de Stichting waaronder de financiële administratie. Eiser heeft vertrouwd op mondelinge informatie van de directeur die volgens hem niet financieel deskundig was. Doordat eiser op deze punten nalatig is geweest, was hij niet geïnformeerd over het reilen en zeilen van de Stichting en haar financiële situatie en niet in staat om de betalingsonmacht bij verweerder te (laten) melden.

Conclusie

14. De conclusie van de rechtbank is dat verweerder eiser terecht aansprakelijk heeft gesteld voor de niet betaalde naheffingsaanslagen loonheffingen van de Stichting. Het beroep is dan ook ongegrond.

Proceskosten

15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. A.P. Vaatstra, rechters, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 22 augustus 2017

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.