Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4331

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
05/840246-17 en 05/880061-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor het aanwezig hebben en het verhandelen van cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05/840246-17 en 05/880061-17

Datum uitspraak : 21 augustus 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 2] , op dit moment gedetineerd in HvB Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Raadsman: mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen 18 mei 2017 en 7 augustus 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

05/840246-17

hij op of omstreeks 06 augustus 2016 te gemeente Barneveld, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 35 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

05/880061-17

1.

hij op of omstreeks 20 februari 2017 te Nijkerk, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 19,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 februari 2016

tot en met 20 februari 2017 te gemeente Nijkerk en/of Amersfoort en/of Barneveld, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

05/840246-17 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte had op 6 augustus 2016 in Barneveld opzettelijk 18,81 gram cocaïne aanwezig. Verdachte droeg deze cocaïne in zijn broek ter hoogte van zijn kruis bij zich in een sok.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) opzettelijk ongeveer 35 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Verdachte is verantwoordelijk voor de gehele hoeveelheid cocaïne die in zijn auto is aangetroffen. De verklaring van verdachte, dat de dealer waarvan zij een hoeveelheid cocaïne hadden gekocht het tasje met cocaïne in de auto heeft laten staan, is volgens de officier van justitie volstrekt onaannemelijk.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk 18,81 gram aanwezig heeft gehad. Niet kan worden bewezen dat verdachte van de overige hoeveelheid cocaïne wist. Het is mogelijk dat die cocaïne van een ander was. Daarom moet verdachte partieel worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte is op 6 augustus 2017 in Barneveld door verbalisanten in zijn auto staande gehouden. Even later is hij aangehouden. Vastgesteld is dat verdachte toen 18,81 gram cocaïne opzettelijk aanwezig had.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Eén van de verbalisanten zag bij de staande houding van verdachte achter de bestuurdersstoel van de auto een witte plastic zak liggen. Verdachte gaf aan dat daar Turks brood in zat en gaf de verbalisant toestemming om in de tas te kijken. Onder de tas werd een zwart papieren tasje van Siebel Juweliers aangetroffen. De bovenkant van het tasje was open. Er staken twee gripzakjes uit. Op de zakjes was een logo van een groen hennepblad aangebracht. In het zakje zat ook een rechthoekig voorwerp, van ongeveer 10 x 5 x 2 centimeter. Verbalisant herkende dit als (vermoedelijk) een kleine weegschaal. Op de weegschaal waren witte vegen zichtbaar.3
[medeverdachte] zat op dat moment als passagier bij verdachte in de auto.4 Hij pakte het tasje en haalde dit naar zich toe. Hij hield het voor zich en kantelde het. Verbalisant kreeg het vermoeden dat [medeverdachte] het tasje leeg wilde gooien. Nadat het tasje veiliggesteld was, zagen verbalisanten in het tasje meerdere witte papiertjes, waarvan hen ambtshalve bekend was dat daar drugs in worden verpakt. Het ging om zogenaamde ‘ponypacks’. In het tasje zat verder een doorzichtig boterhamzakje. Daarin was een hoeveelheid wit poeder aanwezig, ter grootte van een golfbal.5

Bij de fouillering van [medeverdachte] werden in zijn broekzak aan de voorzijde drie ponypacks aangetroffen, waarin een witte substantie zat. Er werd daarnaast nog één ponypack in de rechter hand van [medeverdachte] gevonden.6

De inhoud van het boterhamzakje en de ponypacks is onderzocht.

De inhoud van de vier wikkels (ponypacks) bedroeg in totaal 3 gram wit poeder. De poeder is indicatief positief getest op de aanwezigheid van cocaïne. Het gehele monster is voor verder onderzoek ingezonden naar het NFI ( [nummer 1] ).7 Het NFI heeft geconstateerd dat het monster cocaïne bevat.8

De inhoud van het zakje bedroeg 14,12 gram wit poeder. De poeder is indicatief positief getest op de aanwezigheid van cocaïne. Het gehele monster is voor verder onderzoek ingezonden naar het NFI [nummer 2] ).9 Het NFI heeft geconstateerd dat het monster cocaïne bevat.10

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij de vier ponypacks kort daarvoor voor eigen gebruik had gekocht in Nijkerk.11 Toen hij de drugs kocht, was hij met degene waarmee hij in de auto zat.12 De rechtbank begrijpt dat [medeverdachte] hiermee doelt op verdachte.

Verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen.

Ter terechtzitting heeft hij verklaard hij en [medeverdachte] bij het station drugs hadden gekocht. Verdachte heeft toen de drugs gekocht die bij hem zijn aangetroffen (de rechtbank begrijpt dat de verdachte hiermee bedoelt: de 18,81 gram cocaïne in de sok).13

Verdachte weet niet hoe het tasje van Siebel Juweliers met drugs in zijn auto terecht is gekomen. Volgens hem is het mogelijk dat de dealer waar hij en [medeverdachte] drugs hebben gekocht, die drugs in de auto heeft laten liggen.

Verdachte heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank geen verifieerbare verklaring afgelegd over de in het tasje aangetroffen drugs. Dat een drugsdealer per ongeluk waardevolle cocaïne onder een plastic tas achter de bestuurdersstoel in de auto van verdachte heeft laten liggen, acht de rechtbank bovendien volstrekt onaannemelijk.

Verdachte en [medeverdachte] hebben samen cocaïne gekocht voordat zij werden aangehouden. Het tasje werd aangetroffen in de auto van verdachte. Toen het tasje van Siebel Juweliers door één van de verbalisanten werd aangetroffen, pakte [medeverdachte] het tasje en haalde dit naar zich toe, waarna het leek alsof hij het tasje leeg wilde gooien. Voorgaande in samenhang bezien met het feit dat verdachte een onaannemelijke, niet te verifiëren verklaring heeft afgelegd over de drugs in dat tasje, maakt de rechtbank wettig én overtuigend bewezen acht, dat verdachte en [medeverdachte] samen opzettelijk de onder hen en de in de auto aangetroffen drugs, in totaal 35,93 gram cocaïne, aanwezig hebben gehad.

05/880061-17 14

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte op 20 februari 2017 opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad. De cocaïne is in de woning waar verdachte woont aangetroffen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verwezen naar de bekennende verklaring van verdachte.

De beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van doorzoeking door de rechter-commissaris d.d. 20 februari 2017 en de daarbij horende legenda;

- het NFI rapport d.d. 9 maart 2017, p. 105; en

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 augustus 2017.

Ten aanzien van feit 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft in de periode van augustus 2016 tot en met 20 februari 2017 in Nijkerk en Amersfoort cocaïne verkocht.15

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte in de gehele ten laste gelegde periode, te weten van 20 februari 2016 tot en met 20 februari 2017 in drugs heeft gehandeld. Er zijn telefoons van verdachte getapt en er zijn diverse gebruikers gehoord. Sommigen verklaren een half jaar te hebben gekocht, maar getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] hebben naar hun zeggen over een periode van een jaar tot twee jaar cocaïne van verdachte afgenomen. Op 20 februari 2017 zijn bij verdachte thuis onder meer een grote hoeveelheid cocaïne, weegschaaltjes, grote geldbedragen en voor bijna € 10.000,-- aan luxe kleding aangetroffen. Verdachte zat volop in de handel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat kan worden bewezen dat verdachte gedurende een half jaar in cocaïne heeft gehandeld. Hij heeft gewezen op de verklaring van verdachte. Deze verklaring sluit aan bij andere bewijsmiddelen uit het dossier. Er zijn meerdere getuigen die hebben verklaard dat ze over een periode van een half jaar drugs van verdachte hebben afgenomen. Er moet niet te makkelijk worden aangenomen dat verdachter langer heeft gedeald.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode in cocaïne heeft gehandeld. Zij bezigt de volgende bewijsmiddelen.

Verdachte is op 20 februari 2017 aangehouden.16

Getuige [getuige 1] heeft op 21 februari 2017 verklaard dat hij gemiddeld één keer per week cocaïne gebruikt. Als hij gebruikte, kocht hij één gram cocaïne. Dit kostte € 50,--. Getuige koopt drugs bij een jongen uit Nijkerk, met een Marokkaans of Turks uiterlijk. De politie heeft getuige een foto laten zien. Getuige herkent de persoon op de foto als de persoon waar hij cocaïne van kocht. Hij koopt al één á twee jaar drugs bij de persoon op de foto.17

Getuige [getuige 2] heeft op 21 februari 2017 een verklaring afgelegd. Aan hem werd een foto getoond. De persoon op de foto herkent hij als degene bij wie hij harddrugs bestelde. Hij bestelt sinds een jaartje drugs bij die persoon. Hij heeft het nummer via via gekregen in de kantine van de voetbalvereniging [naam vereniging] .18

Daarnaast is getuige [getuige 3] gehoord. Hij heeft op 22 februari 2017 verklaard dat hij het laatste jaar wel vaker voor Poolse collega’s heeft gekocht. Aan getuige is een foto getoond. Hij herkent de persoon op de foto als de persoon bij wie hij drugs koopt. Hij heeft alleen cocaïne bij die persoon gekocht. Dit kan twee keer in de week zijn, maar ook één keer per maand. Het is maar net wat zijn collega’s willen. Getuige denkt dat dit zo’n anderhalf jaar aan de gang is. Hij spreekt soms af in Nijkerk om drugs te kopen en soms in Barneveld. 19

Aan elk van de drie hiervoor genoemde getuigen is een foto van verdachte getoond.20

Zoals beschreven herkenden zij de persoon op de foto als hun dealer. Alle drie hebben in februari 2017 verklaard een jaar of langer cocaïne af te nemen bij verdachte.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte in de periode 20 februari 2016 tot en met 20 februari 2017 cocaïne heeft verkocht en verstrekt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op diverse plekken heeft afgesproken met afnemers. Verdachte heeft daarom ook cocaïne vervoerd en afgeleverd.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaken met parketnummers 05/840246-17 en 05/880061-17 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

05/840246-17

hij op of omstreeks 06 augustus 2016 te gemeente Barneveld, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 35 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

05/880061-17

1.

hij op of omstreeks 20 februari 2017 te Nijkerk, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 19,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 februari 2016

tot en met 20 februari 2017 te gemeente Nijkerk en/of Amersfoort en/of Barneveld, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 05/840246-17 ten laste gelegde:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 05/880061-17 ten laste gelegde:

Ten aanzien van feit 1

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 2

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

gepleegd in eendaadse samenloop.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ten aanzien van beide parketnummers wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarde worden gekoppeld. Daarnaast vindt de officier van justitie dat aan verdachte een geldboete van € 5.000,--, subsidiair 50 dagen hechtenis moet worden opgelegd. Er ligt conservatoir beslag. De officier van justitie heeft de geldboete geëist, zodat de € 5.000,-- voor de executie daarvan kan worden aangewend.
De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn eis rekening gehouden met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Cocaïne is funest voor de gezondheid en het menselijk lichaam. Verdachte heeft meer dan een jaar op grote schaal in drugs gehandeld. Verdachte lijkt de ernst van zijn handelen nog niet te begrijpen. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur. Verdachte was in augustus 2016 al een gewaarschuwd man en is toch doorgegaan met dealen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om een gevangenisstraf van gelijke duur als het voorarrest op te leggen. Verdachte is in het dealen gerold. Hij had schulden en de personen bij wie hij schulden had, vonden dit een goede manier voor verdachte om zijn schulden af te lossen. Het is dan lastig om te stoppen met dealen. Verdachte schaamt zich diep voor zijn gedrag. De detentie is voor verdachte een zware periode geweest. Hij wil graag aan de slag met zijn normale leven. Het is bijna september. Dan starten nieuwe opleidingen. Als verdachte vrij komt, kan hij zich nog inschrijven voor een opleiding. Hij zal zich houden aan de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden als een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd.

De raadsman ziet in dit geval het nut van een geldboete niet in.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 20 juni 2017;

- een advies van Reclassering Nederland, gedateerd 8 mei 2017; en

- een beknopt advies van Reclassering Nederland, gedateerd 28 juni 2017.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte, 22 jaar, heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van forse hoeveelheden cocaïne en het gedurende een jaar dealen van cocaïne.

Het is algemeen bekend dat harddrugs, eenmaal onder het bereik van gebruikers, een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat een groot deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. Verdachte is hier door zijn handelen medeverantwoordelijk voor.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met het feit dat het zich laat aanzien dat verdachte met een hoge frequentie heeft gehandeld. Verdachte heeft er veel geld mee verdiend. De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij dealde om een schuld van

€ 2.000,-- af te betalen, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Op 20 februari 2017 zijn in de slaapkamer van verdachte namelijk een contant geldbedrag van € 4.535,-- en aankoopbewijzen voor (relatief) dure kleding tot een bedrag van ruim € 9.000,-- aangetroffen. Verdachte beschikte op dat moment dus over ruim voldoende financiële middelen om eventuele schulden af te betalen.

Uit het reclasseringsrapport van 28 juni 2017 volgt dat verdachte enkele maanden voor zijn detentie zou zijn gestopt met het gebruik van cannabis. De urinecontroles in het Huis van Bewaring zijn echter telkens positief geweest. Verdachte ziet het nemen van een jointje niet als drugsgebruik.
Volgens verdachte is hij in geldproblemen gekomen door te gokken. Hij heeft daarbij geld verloren. De drang om dit geld terug te verdienen was zo groot, dat hij niet kon stoppen met gokken. De reclassering schrijft dat verdachte moeilijk om kan gaan met geld. Zijn financiële situatie wordt aangemerkt als een criminogene factor.
Verdachte heeft na het verkopen van zijn eigen zaak niet meer gewerkt. Bij de verkoop was verdachte 19 jaar. Verdachte wil naar school of hij wil werken. Hij moet nog precies uitzoeken wat hij wil doen. Uit referenteninformatie volgt dat verdachtes toekomstplannen niet conform de realiteit zijn. Verdachte wil graag een opleiding volgen, om ook studiefinanciering te ontvangen. De referent, trainer in het Huis van Bewaring, heeft het idee dat verdachte graag wil veranderen, maar niet weet waar hij moet beginnen.
Verdachte is zich bewust van het feit dat het strafbaar is om drugs te dealen, maar had niet door wat de ernst en de gevolgen van zijn gedragingen waren. Verdachte wil graag hulp van de reclassering. Ook wil hij hulp om te stoppen met gokken. Hij ziet in dat hij moet leren om met geld om te gaan.
De reclassering schrijft dat bij verdachte problemen zijn op vrijwel alle leefgebieden. Vanuit dat perspectief is de kans op recidive niet uit te sluiten als verdachte zijn eerdere leefsituatie voortzet. Verdachte laat niet het achterste van zijn tong zien. De reclassering twijfelt aan zijn oprechtheid.

Van belang wordt geacht dat verdachte meewerkt aan diagnostiek. Hij lijkt problemen te creëren om andere problemen op te lossen. Het is van belang dat een gedragskundige probeert meer inzicht te krijg op de oorzaak hiervan. Daarnaast moet verdachte behandeld worden voor zijn verslavingsproblematiek. De reclassering adviseert verder dat verdachte moet worden verplicht om de reclassering toestemming te geven om contact te leggen met zijn ouders. Op deze manier kan de reclassering zicht krijgen op het functioneren van verdachte in de thuissituatie en kan bezien worden of begeleid wonen geïndiceerd is bij het op orde brengen van verdachtes leefsituatie.

Gelet op de duur en de frequentie van verdachtes handelen, alsook gezien de ernst van de feiten, acht de rechtbank een forse vrijheidsbenemende straf passend en geboden. Een deel van de straf zal voorwaardelijk worden opgelegd, om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank zal verdachte, zoals gevorderd door de officier van justitie, veroordelen tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. De tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, worden op het onvoorwaardelijke strafdeel in mindering gebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel wordt het merendeel van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld. De proeftijd wordt bepaald op 2 jaren.

De rechtbank zal aan verdachte daarnaast geen geldboete opleggen. Zij verwijst in dit kader naar hetgeen ten aanzien van het beslag wordt overwogen.

Ten aanzien van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van beide parketnummers gesteld dat de in beslaggenomen drugs moeten worden onttrokken aan het verkeer en dat de overige in beslag genomen goederen moeten worden verbeurdverklaard. Voldoende duidelijk is dat deze goederen betrekking hebben op de handel in harddrugs.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om teruggave aan verdachte van het in de zaak met parketnummer 05/840246-17 in beslaggenomen geldbedrag van € 235,--. In die zaak wordt verdachte enkel verdacht van het aanwezig hebben van cocaïne, niet van het dealen van cocaïne. Het is daarbij geen groot geldbedrag.

De beoordeling door de rechtbank

05/840246-17

Nu de hierna genoemde in beslag genomen middelen, middelen zijn als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet, dienen deze op grond van artikel 13a van de Opiumwet te worden onttrokken aan het verkeer:

35,93 gram cocaïne.

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goed, volgens opgave van verdachte aan verdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu de rechtbank aannemelijk acht dat het geheel of grotendeels uit baten van de handel in cocaïne is verkregen:

  • -

    een geldbedrag van € 235,--.

  • -

    1 half 5 euro biljet.

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen moeten worden verbeurdverklaard nu de rechtbank aannemelijk acht dat het voorwerpen zijn met behulp waarvan cocaïne kan worden verhandeld (p. 5 van het dossier):

  • -

    141 papiertjes om ponypacks te vouwen;

  • -

    2 gripzakjes met hennepblad;

  • -

    1 tasje met opdruk Siebel Juweliers;

  • -

    1 weegschaal;

  • -

    1 pot Inosmart poeders (versnijdingsmiddel);

  • -

    1 fles siroop.

05/880061-17

Uit het dossier volgt dat ten aanzien van de geldbedragen van € 4.175,-- en € 360,-- conservatoir beslag is gelegd. Dit staat niet in de weg aan verbeurdverklaring. Dit geldbedrag is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu de rechtbank aannemelijk acht het door middel van het onder 2 bewezen verklaarde is verkregen. De rechtbank zal dit bedrag dan ook verbeurd verklaren.

Nu de hierna genoemde in beslag genomen middelen, middelen zijn als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet, dienen deze op grond van artikel 13a van de Opiumwet te worden onttrokken aan het verkeer:

19,3 gram cocaïne.

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan verdachte toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 2 bewezenverklaarde is begaan of voorbereid:

  • -

    1 telefoontoestel, merk Samsung, kleur zwart, barst in het scherm;

  • -

    1 telefoontoestel, merk Nokia, kleur zilver;

  • -

    1 telefoontoestel, merk Samsung Sm- [nummer 3] , kleur zwart;

  • -

    1 telefoontoestel, merk IPhone, kleur wit;

  • -

    1 telefoontoestel, merk Noka, kleur blauw;

  • -

    1 telefoonkaart Lycamobile, kleur wit;

  • -

    1 telefoonkaart Lycamobile, kleur wit;

  • -

    1 dataschijf, usb-stick, kleur rood;

  • -

    1 telefoontoestel, merk IPhone [nummer 4] , kleur wit;

  • -

    1 telefoonkaart MTV Simkaart

  • -

    3 maal kleine weegschaal;

  • -

    1 notitieblokje;

  • -

    1 telefoonkaart simkaart Vodafone;

  • -

    1 telefoonkaart Lebara simkaart;

  • -

    1 telefoontoestel, merk Apple IPhone 6, kleur zwart;

  • -

    1 telefoontoestel, merk Nokia, kleur zilver;

  • -

    1 telefoonkaart HI simkaart.

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu deze voorwerpen grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 2 bewezenverklaarde zijn verkregen:

  • -

    1 tankpas Shell;

  • -

    1 Rabobank Wereldpas op naam van [naam 1] .

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24, 27, 33 en 33a, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 13 en 13a van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Meldplicht

- zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij verslavingsreclassering Tactus. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Ambulante behandelverplichting

- wordt verplicht om diagnostiek te laten plaatsvinden en zich te laten behandelen voor zijn gok- en drugsverslaving bij Tactus Verslavingszorg of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering. Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Andere voorwaarde het gedrag van de veroordeelde betreffende

- wordt verplicht de reclassering toestemming te geven om contact te leggen met zijn ouders. Op deze manier kan de reclassering zicht krijgen op het functioneren van veroordeelde in de thuissituatie.

De rechtbank geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 De rechtbank beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

In de zaak met parketnummer 05/840246-17:

 De rechtbank beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven goed, te weten:

- 35,93 gram cocaïne.

 De rechtbank verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een geldbedrag van € 235,--;

  • -

    1 half 5 euro biljet;

  • -

    141 papiertjes om ponypacks te vouwen;

  • -

    2 gripzakjes met hennepblad;

  • -

    1 tasje met opdruk Siebel Juweliers;

  • -

    1 weegschaal;

  • -

    1 pot Inosmart poeders (versnijdingsmiddel);

  • -

    1 fles siroop.

In de zaak met parketnummer 05/880061-17:

 De rechtbank beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven goed, te weten:

19,3 gram cocaïne.

 De rechtbank verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    geldbedragen van € 4.175,-- en € 360,-- ;

  • -

    1 telefoontoestel, merk Samsung, kleur zwart, barst in het scherm;

  • -

    1 telefoontoestel, merk Nokia, kleur zilver;

  • -

    1 telefoontoestel, merk Samsung Sm- [nummer 3] , kleur zwart;

  • -

    1 telefoontoestel, merk IPhone, kleur wit;

  • -

    1 telefoontoestel, merk Noka, kleur blauw;

  • -

    1 telefoonkaart Lycamobile, kleur wit;

  • -

    1 telefoonkaart Lycamobile, kleur wit;

  • -

    1 dataschijf, usb-stick, kleur rood;

  • -

    1 telefoontoestel, merk IPhone [nummer 4] , kleur wit;

  • -

    1 telefoonkaart MTV Simkaart;

  • -

    3 maal kleine weegschaal;

  • -

    1 notitieblokje;

  • -

    1 telefoonkaart simkaart Vodafone;

  • -

    1 telefoonkaart Lebara simkaart;

  • -

    1 telefoontoestel, merk Apple IPhone 6, kleur zwart;

  • -

    1 telefoontoestel, merk Nokia, kleur zilver;

  • -

    1 telefoonkaart HI simkaart;

  • -

    1 tankpas Shell;

  • -

    1 Rabobank Wereldpas op naam van [naam 1] .

Dit vonnis is gewezen door mr. T.C. Henniphof (voorzitter), mr. C. Kleinrensink en

mr Y.M.J.I. Baauw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 augustus 2017.

mr. Kolkman is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 2] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016388519, gesloten op 4 maart 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 11 en proces-verbaal van bevindingen, p. 14 en proces-verbaal van bevindingen, p. 16 en proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 24 en 25 en het NFI rapport, d.d. 23 september 2016, p. 28.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 12.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 11 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 7 augustus 2017.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 12.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 14.

7 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 24 en 25.

8 Het NFI rapport, d.d. 23 september 2016, p. 28.

9 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 24 en 25.

10 Het NFI rapport, d.d. 23 september 2016, p. 28.

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , p. 143.

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , p. 144.

13 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 7 augustus 2017.

14 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 2] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017011599, gesloten op 2 mei 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 106 t/m 109 en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 134 t/m 136 en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , p. 269 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 29 en de daarbij horende foto op p. 30 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 augustus 2017.

16 Proces-verbaal van aanhouding, p. 278 en p. 280.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 209, onderaan en p. 210.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 222.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 235 en 236.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 29 en de daarbij horende foto op p. 30.