Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4318

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3789
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsplicht bemanningslid schip. Eiser woont in 2010 in Nederland en werkt in loondienst voor een werkgever in Luxemburg op een schip waarvan de exploitant volgens de Rijnvaartverklaring in Nederland is gevestigd. Eiser is in 2010 in Nederland sociaal verzekerd, omdat de exploitant van het schip in Nederland is gevestigd. Er komt geen waarde toe aan het E101-formulier dat eiser heeft ingebracht. Verweerder heeft zorgvuldig gehandeld en kon socialeverzekeringsplicht vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-08-2017
FutD 2017-2184
V-N Vandaag 2017/1990
V-N 2017/54.2.1

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 16/3789, 16/3790, 16/3791 en 16/3794

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 16 augustus 2017

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.06) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.987. Tevens is bij beschikking € 381 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2011 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.1601) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.817. Tevens is bij beschikking € 391 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.2601) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.124. Tevens is bij beschikking € 398 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.3601) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.565. Tevens is bij beschikking € 422 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 20 mei 2016 de aanslagen en de beschikkingen heffings- en belastingrente gehandhaafd, behoudens de beschikking belastingrente voor het jaar 2013 die verweerder heeft verminderd tot € 292.

Eiser heeft daartegen bij brief van 28 juni 2016, ontvangen door de rechtbank op 29 juni 2016, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [B] , [C] en [D] . Ter zitting is gelijktijdig de zaak behandeld met het zaaknummer 15/7707.

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en is in de periode 2010 tot en met 2013 inwoner van Nederland.

2. Eiser is in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2013 in loondienst werkzaam voor [E] SARL (hierna: [E] ), gevestigd te Luxemburg. In de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 is eiser in loondienst werkzaam voor [F] S.A., eveneens gevestigd te Luxemburg.

3. Eiser was van 2010 tot en met 2013 werkzaam op het in Nederland geregistreerde binnenschip [G] (hierna: het schip). Het schip wordt met winstoogmerk gebruikt in de Rijnvaart en is in eigendom van [H] BV (hierna: de BV), gevestigd te Nederland.

4. Van 27 september 2007 tot 24 juli 2009 beschikte het schip over een Rijnvaartverklaring waarop [E] als exploitant staat vermeld en de BV als eigenaar van het schip.

5. Op 24 juli 2009 is de afgegeven Rijnvaartverklaring door de Inspectie voor verkeer en waterstaat ongeldig verklaard en ingetrokken. Bij uitspraak van 4 mei 2016 heeft de Raad van State het hoger beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard (ECLI:NL:RVS:2016:1186).

6. Het schip was in de jaren 2010 tot en met 2013 voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Het schip was in de periode van 1 januari 2010 tot 6 juni 2013 niet voorzien van een Rijnvaartverklaring. Op 6 juni 2013 is een nieuwe Rijnvaartverklaring afgegeven. Op deze Rijnvaartverklaring staat de BV vermeld als eigenaar en [F] S.A. als de exploitant.

7. Het Luxemburgse Tribunal administratif heeft op 16 juni 2010 geoordeeld dat [E] niet als exploitant van binnenschepen kan worden aangemerkt en dat de betreffende Luxemburgse autoriteiten daarom terecht geen exploitatiecertificaat aan [E] hebben verstrekt.

8. Aan eiser is door de autoriteiten van Luxemburg met dagtekening 10 maart 2006 een E 101-verklaring afgegeven, welke verklaring inhoudt dat eiser met ingang van 8 december 2003 ingevolge artikel 14.2a van de Verordening (EG) 1408/71 van 14 juni 1971 (hierna: Vo 1408/71) in Luxemburg is verzekerd.

9. Eiser heeft voor het jaar 2010 tot en met 2013 aangifte IB/PVV gedaan, waarbij hij voor het gehele jaar vrijstelling heeft gevraagd voor de premie volksverzekeringen.

10. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslagen de verzochte vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen niet verleend over de periode 1 januari 2010 tot 6 juni 2013.

Geschil

11. In geschil is of eiser vrijgesteld is van de premieverplichting voor de volksverzekeringen in Nederland, hetgeen eiser stelt en verweerder betwist.

12. Ter zitting heeft eiser zijn beroepsgrond over de rechtsgeldigheid van de Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 ingetrokken.

Beoordeling van het geschil

Toepasselijke nationale wetgeving

13. Vaststaat dat eiser in de onderhavige jaren in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (hierna: de Wet) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, is eiser dan in dat jaar aan te merken als Nederlands ingezetene en derhalve van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

14. In afwijking van artikel 6 van de Wet wordt op grond van artikel 6a van de Wet als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

Periode 1 januari 2010 – 1 mei 2010

15. Vaststaat dat eiser een werknemer is die, behorend tot het varend personeel, zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Eiser is dus een Rijnvarende in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (hierna: Rijnvarendenverdrag), zodat de sociale verzekeringsplicht op grond van dit verdrag moet worden beoordeeld.

16. Artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag bepaalt dat op de Rijnvarende van toepassing is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, sub m, van het Rijnvarendenverdrag bedoelde schip behoort, aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht. De onderneming voor wiens rekening en risico het schip wordt geëxploiteerd, is de onderneming waartoe het schip behoort. Dat is ook de ondernemer die de winst geniet die met het gebruik van het schip in de Rijnvaart wordt beoogd.

17. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet in Nederland is verzekerd voor de volksverzekeringen omdat de onderneming waartoe het schip behoort in het buitenland is gevestigd. De bewijslast hiervoor ligt bij eiser (Hoge Raad 24 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3016). Eiser dient aannemelijk te maken dat het schip wordt geëxploiteerd door een onderneming die niet in Nederland is gevestigd.

18. Eiser stelt daartoe dat het schip wordt geëxploiteerd door [E] en verwijst daarvoor naar de in 2007 afgegeven Rijnvaartverklaring, die [E] als exploitant van het schip vermeldt. De rechtbank kent evenwel geen betekenis toe aan deze Rijnvaartverklaring omdat deze op 24 juli 2009 is ingetrokken. De rechtbank volgt eiser dus niet in zijn standpunt dat [E] als exploitant van het schip kan worden aangemerkt. De rechtbank hecht daarbij mede betekenis aan de uitspraak van het Luxemburgs Tribunal administratif van 16 juni 2010, waarin is geoordeeld dat [E] niet als scheepsexploitant kan worden aangemerkt.

19. Uit de tot de gedingstukken behorende aangifte vennootschapsbelasting van de BV over het jaar 2010 blijkt dat het schip voor rekening en risico van de BV wordt geëxploiteerd. Het schip behoort dus tot de onderneming van de BV. Nu de BV in Nederland is gevestigd, is in de periode 1 januari 2010 – 1 mei 2010 de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op eiser van toepassing.

20. Ook de gronden die eiser naar voren brengt ten aanzien van het door de Luxemburgse autoriteiten aan hem verstrekte formulier E101 slagen niet. Gelet op artikel 7, tweede lid, van de Verordening 1408/71 kan aan dit formulier geen betekenis worden toegekend (Hoge Raad 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2904).

Periode vanaf 1 mei 2010 tot 6 juni 2013

21. Vanaf 1 mei 2010 is Verordening (EG) nr. 883/2004 (hierna: Vo 883/2004) van kracht geworden. Artikel 13, eerste lid, Vo 883/2004 geeft regels voor personen die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst plegen te verrichten.

22. Op grond van artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 kunnen lidstaten in onderling overleg uitzonderingen op de toewijzingsregels van Vo 883/2004 vaststellen. Op 23 december 2010 hebben de vijf bij het Rijnvarendenverdrag aangesloten staten die tevens lid zijn van de EU, te weten België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland, een overeenkomst als bedoeld in artikel 16, eerste lid van de Vo 883/2004 gesloten. Deze “Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004” (hierna: Overeenkomst) is in werking getreden op 11 februari 2011 en geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2010 (artikel 6, eerste lid, van de Overeenkomst).

23. Artikel 4 van de Overeenkomst bevat de toewijzingsregels. In het eerste lid is bepaald dat op de Rijnvarende slechts de wetgeving van één enkele Ondertekenende Staat van toepassing is. Ingevolge het tweede lid is op de Rijnvarende de wetgeving van toepassing van de Ondertekenende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, sub c, van de Overeenkomst bedoelde schip behoort, aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht.

24. De Overeenkomst bewerkstelligt dat de regels zoals die op grond van het Rijnvarendenverdrag golden met betrekking tot Rijnvarenden, materieel gezien worden voortgezet. Als gevolg van de terugwerkende kracht van de Overeenkomst geldt deze voortzetting vanaf de datum waarop de Vo 883/2004 van toepassing is geworden. Daardoor heeft de Overeenkomst materieel gezien geen wijziging teweeggebracht in de sociale zekerheidspositie van eiser, zoals die was in de periode tot 1 mei 2010 waarin het Rijnvarendenverdrag van toepassing was.

25. De omstandigheid dat per 1 mei 2010 Vo 883/2004 van toepassing is geworden, laat de mogelijkheid toe dat onder Vo 883/2004 als toepasselijke socialezekerheidswetgeving de wetgeving van een andere staat wordt aangewezen dan onder de Overeenkomst. Het is dus mogelijk dat de socialezekerheidspositie van eiser door de terugwerkende kracht van de Overeenkomst is gewijzigd ten opzichte van zijn positie onder de Vo 883/2004 (vergelijk Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1288).

26. Eiser stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel b, Vo 883/2004 het Luxemburgs sociaalzekerheidsrecht op hem van toepassing is, nu zijn werkgever [E] is gevestigd in Luxemburg.

27. Ingevolge artikel 13, eerste lid, Vo 883/2004 kan de wetgeving van de staat waar de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij de betrokkene voornamelijk werkzaam is zich bevindt, uitsluitend van toepassing zijn indien hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de staat waar hij woont. Indien de werkzaamheden voor een substantieel deel, dat wil zeggen voor tenminste 25 percent, plaatsvinden in de woonstaat, is de betrokkene uitsluitend in deze staat verzekerd.

28. De rechtbank stelt voorop dat een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast meebrengt dat als eiser het standpunt inneemt dat hij op grond van de Vo 883/2004 niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen omdat hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland verricht, hij daarvan de relevante feiten moet stellen en, bij gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, aannemelijk moet maken.

29. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat eiser bijna continue in Duitsland heeft gevaren. Eiser heeft geen enkel bewijs aangedragen ter onderbouwing van deze stelling en evenmin van zijn stelling dat hij in het onderhavige jaar geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Eiser heeft zijn in het beroepschrift gedane bewijsaanbod op dit punt niet nader gespecificeerd. Nu verweerder deze stelling reeds in de bezwaarfase heeft betwist, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank voldoende gelegenheid gehad om zijn bewijsaanbod nader te concretiseren en ligt het in zijn risicosfeer dat hij dit niet heeft gedaan. Daarom passeert de rechtbank het bewijsaanbod op dit punt.

30. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij meer dan 75 percent van zijn arbeidstijd buiten Nederland heeft gewerkt. Dit betekent dat er niet van kan worden uitgegaan dat eiser geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Daarvan uitgaande, heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat zijn socialezekerheidspositie als gevolg van de terugwerkende kracht van de Overeenkomst in zijn nadeel is gewijzigd ten opzichte van zijn positie onder Vo 883/2004. Daarmee ontvalt de grond aan eisers stelling dat hij door de invoering met terugwerkende kracht van de Overeenkomst wordt geschaad in zijn door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM dan wel het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel gewaarborgde belangen.

31. Vaststaat dat eiser Rijnvarende is in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Overeenkomst. In geschil is tot welke onderneming als bedoeld in artikel 1, onderdeel c en artikel 4 van de Overeenkomst het schip waarop eiser vaart, behoort.

32. Gelet op hetgeen hiervoor onder 16 tot en met 18 is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat het schip behoort tot de onderneming van de BV. Nu de BV in Nederland is gevestigd, is ook in de periode vanaf 1 mei 2010 tot 6 juni 2013 de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op eiser van toepassing.

33. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om onder toepassing van de Overeenkomst anders te beslissen ten aanzien van het door de Luxemburgse autoriteiten aan eiser verstrekte formulier E101 en verwijst daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2904.

34. Uit het voorgaande volgt dat ook op basis van het Rijnvarendenverdrag en de Overeenkomst de socialezekerheidswetgeving van Nederland op eiser van toepassing is. Dit betekent dat eiser in de onderhavige jaren in Nederland sociaal verzekerd is en premieplichtig is voor de volksverzekeringen.

35. Ook de omstandigheid dat de Luxemburgse autoriteiten eiser mogelijkerwijs hebben beschouwd als aldaar verzekerd, kan niet afdoen aan de uit de voornoemde verdragen voortvloeiende premieplicht in Nederland.

36. Eiser heeft nog aangevoerd dat de aanslagen en de uitspraken op bezwaar niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen op de grond dat verweerder geen overleg heeft gevoerd met de Luxemburgse autoriteiten en de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB). Ook deze beroepsgrond kan niet slagen. De bevoegdheid tot het voeren van overleg met de autoriteiten van andere verdragslanden is op dit punt toegewezen aan de SVB en niet aan verweerder. Gesteld noch gebleken is dat door de SVB, al dan niet na overleg met de Luxemburgse autoriteiten, ooit het standpunt is ingenomen dat eiser niet in Nederland verzekerd is. Ook van een verzoek ingevolge artikel 18 van de Verordening EG nr. 987/2009 om een uitzondering te maken op de uit de aanwijsregels van de Vo 883/2004 en de Overeenkomst volgende verzekeringsplicht is niet gebleken. Onder deze omstandigheden was er voor verweerder geen grond de heffing van premie volksverzekeringen achterwege te laten.

37. Verweerder heeft ter zitting een A1-verklaring met dagtekening 15 september 2016 overgelegd, waaruit volgt dat volgens de SVB de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is op eiser in de periode 1 mei 2010 tot en met 31 maart 2013. Eiser heeft verzocht deze verklaring niet tot de gedingstukken te rekenen omdat dit stuk te laat is ingebracht en daarom sprake is van strijd met de goede procesorde. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt omdat verweerder tijdig heeft aangekondigd dat hij de A1-verklaring zal meenemen naar de zitting en eiser en zijn gemachtigde bekend zijn met de inhoud van deze A1-verklaring. De rechtbank laat de inhoud van de A1-verklaring in onderhavige zaken evenwel buiten beschouwing omdat eiser tegen voornoemd besluit (de A1-verklaring) in bezwaar en beroep is gekomen en het besluit nog niet onherroepelijk vast staat.

38. Eiser stelt voorts dat verweerder op grond van de Overeenkomst niet de bevoegdheid heeft om te bepalen wat het toepasselijke socialeverzekeringsrecht is. Die bevoegdheid rust volgens eiser bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, respectievelijk de SVB. De rechtbank overweegt dat verweerder op basis van nationale wetgeving bevoegd is om premies volksverzekeringen te heffen (artikel 57 Wet financiering sociale verzekeringen). Niet is gesteld of gebleken dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of de SVB een ander standpunt inneemt ten aanzien van de verzekeringsplicht van eiser. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, neemt de SVB juist een gelijk standpunt in over de toepasselijke socialezekerheidswetgeving als verweerder. Deze beroepsgrond faalt daarom.

39. Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen heffingsrente dan wel belastingrente heeft aangevoerd, zijn de beroepen hiertegen eveneens ongegrond.

40. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

41. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Linssen, voorzitter, mr. J.J. Westerbaan en mr. J.A. Helsloot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. O.D. Heitling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 16 augustus 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.