Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4284

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
05/740176-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

20 maanden gevangenisstraf voor poging doodslag

De Rechtbank Gelderland heeft een 57-jarige man uit Zoetermeer veroordeeld voor poging tot doodslag op een 48-jarige man uit Baarlo. Beide mannen komen oorspronkelijk uit Azerbeidzjan. In april van dit jaar waren de mannen allebei als gast op een bruiloft in Westervoort, waar het misdrijf plaatsvond. De Zoetermeerder heeft het slachtoffer meerdere keren met een mes gestoken en heeft hem onder andere in zijn harstreek geraakt. Het beroep van zijn advocaat op noodweer heeft de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft er bij de strafoplegging wel rekening mee gehouden dat het slachtoffer een belangrijke rol heeft gespeeld in het ontstaan van het conflict. Ook is meegewogen dat de man niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. Aan de man is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden opgelegd. Anders dan de officier van justitie zag de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijke straf, omdat er geen aanwijzingen waren waaruit gevaar voor herhaling bleek. Verder moet de man aan het slachtoffer een schadevergoeding van € 2.325,- betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740176-17

Datum uitspraak : 16 augustus 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Raadsman: mr. E.J.M.J Damen, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 02 augustus 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 april 2017 te Westervoort, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans éénmaal met een mes in en/of in de richting van de (boven)arm (met een slagaderlijke bloeding tot gevolg) en/of de borst en/of de (onder)buik, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 23 april 2017 te Westervoort, althans in Nederland,

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere steekwonden in (onder andere) de (boven)arm (met een slagaderlijke bloeding tot gevolg) en/of de borst en/of de (onder)buik, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met een mes te steken;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 23 april 2017 te Westervoort, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans éénmaal met een mes in en/of in de richting van het de (boven)arm (met een slagaderlijke bloeding tot gevolg) en/of de borst en/of de (onder)buik, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. In dit verband heeft de officier van justitie gewezen op de eigen verklaring van verdachte alsook op de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Hieruit volgt dat verdachte aangever [slachtoffer] meerdere keren heeft gestoken. Blijkens de letselinterpretatie was er bij [slachtoffer] sprake van potentieel levensbedreigend letsel. Gelet hierop kan worden bewezen dat verdachte heeft gepoogd [slachtoffer] van het leven te beroven.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde feit. Hiertoe is aangevoerd dat met het mes een snijdende beweging is gemaakt en dat niet kan worden bewezen dat de wijze waarop verdachte het mes heeft gebruikt potentieel dodelijk letsel teweeg had kunnen brengen. De verdediging leidt uit het geconstateerde letsel bij aangever [slachtoffer] af dat met het mes geen stekende maar een snijdende beweging is gemaakt. Weliswaar kan dit letsel veroorzaken, maar geen letsel dat zonder meer de dood tot gevolg heeft. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Voor het overige heeft de verdediging ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feit geen verweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij aangever [slachtoffer] heeft gepoogd van het leven te beroven dan wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (een poging tot) zware mishandeling. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De feiten

Op 23 april 2017 is de politie naar aanleiding van een melding dat er in Westervoort sprake zou zijn geweest van een steekpartij ter plaatse gegaan. Daar troffen zij [slachtoffer] onder het bloed en liggend op de grond aan.2 De rechtbank stelt voorop dat niet wordt betwist dat verdachte [slachtoffer] toen en daar met een mes meerdere malen heeft verwond.3 De vraag die ter beoordeling voorligt is hoe dit moet worden gekwalificeerd.

Steekbewegingen

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij [slachtoffer] met een mes heeft gestoken.4 Dit vindt naar het oordeel van de rechtbank bevestiging in het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel. Op de linker voorzijde van de borst had [slachtoffer] meerdere verwondingen. Links op zijn borst ter hoogte van de achtste rib bevond zich een schuin verlopende iets boogvormige wond van ongeveer zeven tot acht centimeter. In het buitenste gedeelte van de wond is de huid geheel door en in het binnenste deel is sprake van een schram. Op de linker zijkant van de borstkas bevonden zich op enkele centimeters afstand van elkaar twee steekwonden, waarvan de onderste wond één centimeter lang was. In het rechter onder kwadrant van de buik zat een dwars en grillig verlopende wond met een lengte van ongeveer drie centimeter. Op het onderste gedeelte van de bovenarm bevond zich een wond van ongeveer negen centimeter. Deze wond is gehecht met zeven steken.5

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer] met het mes heeft gestoken en schuift zij het door de verdediging gevoerde verweer dat slechts sprake zou zijn geweest van snijdende bewegingen terzijde.

Kwalificatie

Voor de beantwoording van de vraag hoe het voorgaande moet worden gekwalificeerd, acht de rechtbank de locatie van de verwondingen van belang. Uit de letselinterpretatie volgt dat de verwondingen op de borst van [slachtoffer] potentieel levensbedreigend waren. De insteekopening van de verwonding op de linker voorzijde van de borst was boven het hart gelegen en daardoor potentieel levensbedreigend. Dit geldt, zij het in mindere mate dan wanneer het hart wordt geraakt, eveneens voor de twee steekwonden op de zijkant van de borstkas.6

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer] meerdere malen met een mes heeft gestoken, onder meer in zijn borst. Naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat het meermalen steken in het bovenlichaam en zeker in de hartstreek naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Uit het handelen van verdachte, het meermalen steken in het bovenlichaam en/of de hartstreek van het slachtoffer, volgt dat verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bewust heeft aanvaard. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten minste in voorwaardelijke zin opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 23 april 2017 te Westervoort, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans éénmaal met een mes in en/of in de richting van de (boven)arm (met een slagaderlijke bloeding tot gevolg) en/of de borst en/of de (onder)buik, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit:

Poging tot doodslag .

5 De strafbaarheid van het feit

Noodweer

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is geweest van een noodweersituatie, waarbij de verdediging van verdachte de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet heeft overschreden. Verdachte werd aangevallen door aangever [slachtoffer] en is door hem naar de grond gewerkt, waarna hij op verdachte zat. [slachtoffer] heeft verdachte toen gewurgd. De verklaring van verdachte vindt steun in de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] alsmede in het bij verdachte geconstateerde letsel. Gelet op het krachtverschil kon verdachte niet ontkomen en was het gebruik van een mes ter verdediging geboden. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer niet kan slagen. Volgens hem is wel sprake geweest van een ruzie waarbij over en weer is geduwd, geschopt en geslagen, maar is [slachtoffer] niet bovenop verdachte beland. Verdachte had zich kunnen en moeten onttrekken aan de situatie. Daarnaast staat het meerdere keren steken met een mes niet in verhouding tot de aanval. Het handelen van verdachte voldoet dan ook niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De rechtbank overweegt als volgt. Weliswaar volgt uit de bewijsmiddelen dat er tussen verdachte en [slachtoffer] een schermutseling heeft plaatsgevonden, maar dat verdachte hierbij onder [slachtoffer] op de grond is komen te liggen en door hem werd gewurgd acht de rechtbank niet aannemelijk. Dit volgt niet uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en evenmin uit hetgeen getuige [getuige 1] tegenover de verhorende verbalisant heeft uitgebeeld. De door [getuige 1] uitgebeelde houding waarbij hij op een knie zat en een gebalde vuist had, biedt immers geen steun voor de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] bovenop hem zou hebben gezeten en hem wurgde. Bovendien heeft verdachte pas ter zitting verklaard dat hij zou zijn gewurgd. Bij de politie heeft hij hier nimmer over gesproken. Gelet hierop acht de rechtbank de feiten waarop het verweer van de verdediging is gebaseerd, niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer wordt verworpen. Het feit is dan ook strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7a. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, indien het tot een strafoplegging komt, een geheel voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen. Hiertoe is aangevoerd dat uit het psychiatrisch rapport blijkt dat er bij verdachte risico op detentieschade bestaat. Verdachte heeft reeds een depressie ontwikkeld. Het is van belang dat de behandeling en begeleiding van verdachte zo snel mogelijk weer wordt opgepakt. Daarnaast dient ook in sterke mate rekening te worden gehouden met de rol die aangever [slachtoffer] in het geheel heeft gehad. Gelet op het voorgaande heeft de verdediging verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 20 juni 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 13 juni 2017;

- een multidisciplinair rapport van [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog, gedateerd 23 juni 2017 en van [psychiater] , psychiater, gedateerd 24 juli 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer meerdere malen met een mes te steken. Hierbij heeft het slachtoffer meerdere verwondingen opgelopen aan zijn lichaam en is hij onder meer in zijn harstreek geraakt. Er mag van geluk worden gesproken dat het slachtoffer vermoedelijk geen blijvend letsel over zal houden aan het geweld dat op hem is uitgeoefend. Het had immers veel erger kunnen aflopen. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Dergelijke geweldsmisdrijven, waarbij gebruik wordt gemaakt van een wapen zoals in dit geval een mes, worden door slachtoffers als zeer bedreigend en beangstigend ervaren. Daarnaast versterken zulke feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. In dit geval vond het steekincident plaats buiten een feestzaal waar een bruiloftsfeest gaande was en zijn er meerder mensen, waaronder jonge kinderen, met het geweld en de gevolgen daarvan geconfronteerd.

Gelet op de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder verdachte dit heeft gepleegd, acht de rechtbank uitsluitend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend. De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld. Verder weegt de rechtbank mee dat het slachtoffer ook een aanzienlijke rol heeft gehad in het ontstaan van het conflict. Hoewel de rechtbank niet bewezen acht dat sprake was van een noodweersituatie, neemt zij wel aan dat tussen verdachte en het slachtoffer een schermutseling heeft plaatsgevonden. Hieraan voorafgaand heeft het slachtoffer de confrontatie met verdachte opgezocht. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen, nu van kans op herhaling – gelet op verdachtes documentatie en daar ook anderszins geen aanwijzingen voor zijn – niet is gebleken. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 20 maanden passend.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis worden afgewezen.

7b. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 6.343,00.

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan ten aanzien van de materiële schade € 1.153,00 worden toegewezen. Ten aanzien van het gevorderde bedrag betreffende een schermreparatie van een mobiele telefoon acht hij de vordering onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de eigen rol van [slachtoffer] , een bedrag van € 2.500,00 euro toewijsbaar is.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe te wijzen tot het bedrag van € 3.653,00, vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, nu is bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht de vordering te matigen en deels af te wijzen. Ten aanzien van de materiële schade is aangevoerd dat nergens uit blijkt dat de telefoon van de benadeelde partij beschadigd is geraakt en evenmin of er een reparatie heeft plaatsgevonden. Daarnaast is een ziekenhuisdaggeldvergoeding gevorderd voor zes dagen, terwijl de benadeelde partij vijf dagen in het ziekenhuis verbleef. Met betrekking tot de gevorderde vervoerskosten voor ziekenhuisopname dient de vordering te worden afgewezen, omdat het niet aan verdachte kan worden toegerekend dat de benadeelde partij hiervoor niet verzekerd was. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag sterk moet worden gematigd. Hierbij is gewezen op de eigen rol van de benadeelde partij alsook op de omstandigheid dat hij reeds voor het tenlastegelegde feit last had van angstgevoelens. De verdediging betwist dat er een causaal verband bestaat tussen deze angstgevoelens en het onderhavige feit. Tot slot levert de beoordeling van de vordering met betrekking tot de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een bedrag van € 1.343,00 gevorderd wegens materiële schade en een bedrag van € 5.000,00 wegens immateriële schade.

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Er is een bedrag van € 600,00 gevorderd wegens beschadiging van de kleding die de benadeelde partij ten tijde van het incident droeg. Deze kleding is door de politie in beslag genomen en zat bovendien onder het bloed. Bij de vordering zijn geen aankoopbewijzen gevoegd. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Gelet op het feit dat de benadeelde partij te gast was op een bruiloft en aldus een pak droeg, acht de rechtbank een bedrag van € 300,00 toewijsbaar. Voor het overige zal de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering

niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank acht ten aanzien van het gevorderde bedrag wegens een schermreparatie van de telefoon de vordering onvoldoende onderbouwd, nu stukken op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de telefoon is beschadigd én zou zijn gerepareerd ontbreken. In dit gedeelte van de vordering zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Het gevorderde bedrag van € 385,00 betreffende het eigen risico wegens de kosten voor de ziekenhuisopname en vervoer acht de rechtbank toewijsbaar, nu dit rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit. Met betrekking tot de ziekenhuis-

daggeldvergoeding acht de rechtbank een bedrag van € 140,00 toewijsbaar (5 x € 28,00), aangezien de benadeelde partij vijf dagen in het ziekenhuis verbleef, wat ook niet is weersproken.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande een bedrag van € 825,00 wegens materiële schade toewijsbaar.

Ten aanzien van de gestelde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan. Hij is in zijn persoon aangetast, doordat een ernstige inbreuk is gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Verdachte heeft hem gestoken met een mes, waardoor hij pijn heeft ondervonden en waaraan hij blijvende littekens zal overhouden. Daarnaast acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat de benadeelde partij zich als gevolg van dit feit angstig voelt. Naar het oordeel van de rechtbank dient het gevorderde bedrag van € 5.000,00 echter gematigd te worden gelet op de eigen rol van de benadeelde partij. Het is de rechtbank gebleken dat de benadeelde partij de confrontatie met verdachte heeft opgezocht en zich ook niet onbetuigd heeft gelaten naar verdachte. Gelet hierop acht de rechtbank een bedrag van € 1.500,00 toewijsbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen tot een bedrag van € 2.325,00 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

23 april 2017, de pleegdatum van het feit. Voor het overige zal de benadeelde partij

niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan zij haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 2.325,00 (tweeduizend driehonderdvijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

Maatregel tot schadevergoeding

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.325,00 (tweeduizend driehonderdvijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 33 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.G.J. Welbergen (voorzitter), mr. R.S. Croll en mr. J.J.H. van Laethem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Bongers en mr. J.M.P. van der Meulen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 augustus 2017.

Mr. R.G.J. Welbergen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, documentcode 20170425.0950, dossiernummer PL0600-2017184695, gesloten op 21 mei 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 43.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 29; letselrapportage betreffende [slachtoffer] d.d. 26 april 2017, opgemaakt door forensisch arts [arts] , p. 66-67.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 29; p. 36.

5 letselrapportage betreffende [slachtoffer] d.d. 26 april 2017, opgemaakt door forensisch arts [arts] , p. 66-67.

6 Letselinterpretatie betreffende [slachtoffer] d.d. 09 juni 2017, opgemaakt door forensisch arts [arts] , p. 74.