Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4244

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 229
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 15 lid 2 Pw. Spaarrekening pensioen geen voorliggende voorziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/229

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2017

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.C. Cornelisse),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn te Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijstand ingevolgde de Participatiewet (Pw) afgewezen. Omdat het vermogen van eiseres hoger is dan de vermogensgrens, heeft zij geen recht op bijstand.

Bij besluit van 5 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw M.H.A.J. Wesdijk.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontvangt van UWV een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 26 april 2016 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend voor aanvullende bijstand ingevolge de Pw.

2. Verweerder heeft het besluit dat eiseres geen recht heeft op bijstand ingevolge de Pw gebaseerd op de stelling dat haar vermogen hoger is dan de vermogensgrens voor een alleenstaande van € 5.920,00.

3. Eiseres is van oordeel dat de in het bestreden besluit genoemde bedrag van

€ 15.556,39 op een rekening Rabo GoudenHanddrukSparen ten onrechte door verweerder wordt beschouwd als vermogen. Volgens eiseres had verweerder dit bedrag wel degelijk moeten aanmerken als een door eiseres getroffen pensioenvoorziening.

Eiseres heeft de overeenkomst met de Rabobank op 18 november 2010, dus ruim vijf jaar voor datum aanvraag, afgesloten, met in eerste instantie 18 november 2013 als einddatum. Omdat eiseres geen dan wel nauwelijks een pensioenvoorziening heeft opgebouwd heeft eiseres vanaf het moment dat zij wist dat aan haar een ontslagvergoeding van € 15.000,- zou worden uitbetaald de intentie gehad om dit bedrag aan te wenden voor een te treffen pensioenvoorziening.

Dat eiseres op 18 november 2013 de formele keuze heeft gehad om te laten uitkeren doet, volgens eiseres, hier niet aan af.

Zou eiseres op 18 november 2013 een reële keuze gehad hebben om het tegoed uit te laten betalen dan vindt eiseres dat verweerder, gelet op haar omstandigheden zoals beschreven waaronder haar intentie, dat verweerder aanleiding had moeten zien om de, overigens beperkte, lijfrente alsnog buiten beschouwing te laten. Volgens eiseres heeft verweerder dit ten onrechte nagelaten.

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 31, eerste lid, van de Pw tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Ingevolge artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b van de Pw wordt onder het redelijkerwijs kunnen beschikken over vermogens- en inkomensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, niet verstaan het op verzoek van het college benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente overeenkomstig artikel 15, tweede lid, onderdeel b, alsmede om te beschikken over een waardetoename van die lijfrente.

Volgens artikel 15, eerste lid, van de Pw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Op grond van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder b van de Pw wordt onder een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening niet verstaan het op verzoek van het college benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente zolang de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, en:

  1. tijdens de toetsingsperiode de ingangsdatum van de lijfrente niet is uitgesteld;

  2. voor zover de totale waarde van deze lijfrente of lijfrenten niet meer bedraagt dan € 250.900,00, waarbij voor de vaststelling van de waarde wordt uitgegaan van de waarde zonder aftrek van de eventuele door de belanghebbende daarover verschuldigde bedragen als bedoeld in artikel 31, derde lid; en

(i) voorafgaand aan de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden; of

(ii) tijdens de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden, daarbij jaarlijks ten minste enige inleg heeft plaatsgevonden en de inleg ten hoogste € 6.000 per jaar heeft bedragen.

Ingevolge artikel 15, derde lid, van de Pw wordt onder toetsingsperiode verstaan: de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat eiseres op 18 november 2010 met de Rabobank een overeenkomst heeft gesloten. Daarmee heeft eiseres bij deze bank een Rabo GoudenHanddrukSparen-rekening geopend. Uit deze overeenkomst blijkt dat de rekening eindigt op 18 november 2013, tenzij de bank en eiseres een andere einddatum overeenkomen. Daarvan is de rechtbank niet gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank stond het eiseres vrij om de einddatum, reeds op 18 november 2010, te bepalen op haar 65e verjaardag destijds de pensioengerechtigde leeftijd ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

4.4.

Eiseres heeft vervolgens op 10 december 2013 een nieuwe overeenkomst met de Rabobank afgesloten. Daarbij komt zij met deze bank overeen dat de, tussen haar en de bank, op 18 november 2010 gesloten overeenkomst wordt gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat de einddatum van deze overeenkomst wordt bepaald op 1 februari 2034.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de ingangsdatum van de lijfrente in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de bijstandsaanvraag (26 april 2016) is uitgesteld, niet voldaan is aan de, in artikel 15, tweede lid aanhef en onder b, van de Pw gestelde voorwaarden.

4.6.

Het gevolg daarvan is dat, naar het oordeel van de rechtbank, in beginsel de lijfrente in zijn geheel door verweerder als vermogen moet worden aangemerkt.

4.7.

Het is de rechtbank niet gebleken dat er in het geval van eiseres sprake is van één van de, door de wetgever (zie TK 2014-02015, 34 227, nummer 3, pagina 7), genoemde volgende situaties:

  • -

    de lijfrente was gesloten op het moment dat de ingangsdatum AOW nog op 65 jaar lag en eiseres die inmiddels heeft aangepast aan de inmiddels voor haar geldende ingangsdatum van de AOW;

  • -

    bij het afsluiten van de lijfrente was de ingangsdatum afgestemd op een regeling voor vervroegde uittreding.

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de (afkoop)waarde van bovengenoemde rekening van de Rabobank van eiseres (€ 7.467,07) derhalve te worden aangemerkt als vermogen in de zin van artikel 34, eerste lid van de Pw.

De rechtbank is van oordeel dat het vermogen van eiseres meer bedraagt dan de, in artikel 34, derde lid, onder a van de Pw vastgestelde vermogensgrens van € 5.920,- voor een alleenstaande.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Peters, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 15 augustus 2017

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.