Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4231

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-08-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
05/239119-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer heeft een 22-jarige militair veroordeeld voor twee mishandelingen, welke op dezelfde avond zeer kort achter elkaar zijn gepleegd. Voor de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is de militair vrijgesproken. De militaire kamer heeft een geldboete van € 900,- opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/239119-16

Datum uitspraak : 11 augustus 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

raadsman: mr. G. Lieffijn, advocaat te Den Helder.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juli 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 8 april 2016 in de gemeente Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht, althans het

hoofd, heeft geslagen en/of gestompt, waardoor die [slachtoffer 1] al dan niet

bewustloos is geraakt en/of vervolgens achterover met zijn hoofd op de grond

is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 8 april 2016 in de gemeente Den Helder [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (met kracht) meermalen, althans

eenmaal, op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of te stompen,

waardoor die [slachtoffer 1] al dan niet bewustloos is geraakt en/of vervolgens

achterover met zijn hoofd op de grond is gevallen;

2.

hij op of omstreeks 8 april 2016 in de gemeente Den Helder [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (met kracht) meermalen, althans

eenmaal, - op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of te stompen en/of - op/tegen de armen, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 40-41;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2017.

Feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 8 april 2016 stonden twee groepen jongens in Den Helder op een taxi te wachten. De ene groep bestond uit: [slachtoffer 1] (aangever), [slachtoffer 2] en [getuige 1] . De andere uit: [getuige 2] , [naam] en [verdachte] (verdachte). Na wat opmerkingen over en weer ontstond er spanning tussen de groepen.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie kan wel wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde; mishandeling van [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Hiertoe is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft geslagen. Verdachte heeft verklaard dat dit zijn collega [naam] is geweest.

Beoordeling door de militaire kamer

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 7 april 2016 met zijn vrienden [getuige 1] en [slachtoffer 2] is gaan stappen in Den Helder. Op 8 april werd hij ’s ochtends wakker met hoofdpijn, last van zijn mond en iets aan zijn neus. [slachtoffer 2] vertelde hem dat hij was neergeslagen, maar aangever kon zich er niks meer van herinneren.3

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat aangever uit het niets werd geslagen. Hij werd vervolgens zelf ook nog door deze jongen geslagen. Hij zag dat de jongen die sloeg ongeveer 1.86 meter lang is, zwart haar had dat hij naar links droeg, een zwarte of donkergrijze leren jas en een spijkerbroek droeg en ongeveer 23 jaar oud is.4

[getuige 1] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment zag dat een van de jongens op aangever begon in te slaan. De jongen haalde zijn rechtervuist ver naar achteren en sloeg lomp in het gezicht van aangever. De jongen zei: “jullie maken mijn vriend belachelijk.” Hij sloeg hierna weer met zijn rechtervuist vol in het gezicht van aangever. Daarna liep de jongen naar [slachtoffer 2] en begon hem op dezelfde wijze te slaan.5 De jongen was ongeveer 1.90 meter lang, had donkerbruin haar van de bovenkant halflang en droeg een zwart leren jack.6

[getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte op de jongen in het trainingspak begon in te slaan. Verdachte balde zijn rechtervuist en bracht deze met kracht naar het gezicht van deze jongen. Hij sloeg de jongen twee keer op dezelfde wijze. Verdachte maakte vervolgens met iemand anders ruzie.7

De militaire kamer overweegt als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat [naam] degene is die aangever heeft geslagen. [getuige 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat dezelfde jongen die [slachtoffer 2] heeft geslagen, ook aangever heeft geslagen. Met het oog op de bewezenverklaring voor feit 2, moeten zij hiermee verdachte hebben bedoeld. Gelet ook op de verklaring van [getuige 2] , zijn er dus drie getuigen die verdachte als de dader aanwijzen. De militaire kamer acht de verklaringen van deze drie getuigen betrouwbaar, nu zij in de kern hetzelfde hebben verklaard. De militaire kamer acht niet aannemelijk dat zij door hun beschonken toestand alle drie de verkeerde dader zouden hebben aangewezen. Het scenario van verdachte waarin [naam] zou hebben geslagen, volgt de militaire kamer dan ook niet. Concluderend is er voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte aangever meermalen heeft gestompt.

De militaire kamer acht niet bewezen dat aangever door het stompen van verdachte op de grond is gevallen, omdat het causaal verband niet kan worden vastgesteld. Hierbij neemt de militaire kamer in aanmerking dat de getuigen niet eenduidig hebben verklaard over of aangever meteen na het stompen door verdachte op de grond viel, of dat hier enige tijd tussen zat. Bovendien blijkt uit een medisch rapport dat een SEH arts over aangever heeft opgemaakt, dat de amnesie die aangever de dag na het incident had vermoedelijk het gevolg was van fors alcoholgebruik. Het is dus mogelijk dat aangever ten gevolge van een grote hoeveelheid alcohol op de grond is gevallen, en niet door het stompen van verdachte.

De militaire kamer is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat deze gedraging geen poging tot zware mishandeling oplevert. Van vol opzet op zwaar lichamelijk letsel is niet gebleken en daarnaast heeft verdachte met het stompen van aangever niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Gelet op het voorgaande acht de militaire kamer het subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde onder 1 en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Subsidiair

hij op of omstreeks 8 april 2016 in de gemeente Den Helder [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (met kracht) meermalen, althans

eenmaal, op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of te stompen,

waardoor die [slachtoffer 1] al dan niet bewustloos is geraakt en/of vervolgens

achterover met zijn hoofd op de grond is gevallen;

2.

hij op of omstreeks 8 april 2016 in de gemeente Den Helder [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (met kracht) meermalen, althans

eenmaal, - op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of te stompen en/of - op/tegen de armen, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 telkens:

Mishandeling

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 80 uren werkstraf, te vervangen door 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met het feit dat de slachtoffers medeschuld hadden aan de feiten en dat verdachte zelf ook is geslagen. De verdediging kan zich vinden in een werkstraf.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister, gedateerd 14 juni 2017.

De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft na een avond uitgaan een ruzie met woorden gekregen met een groep jongens. Hij heeft twee van deze jongens vervolgens geslagen. Dit zijn vervelende feiten en de militaire kamer neemt het verdachte kwalijk dat hij deze feiten heeft gepleegd terwijl er nauwelijks enige aanleiding toe was.

Ten voordele van verdachte houdt de militaire kamer rekening met het feit dat verdachte nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, en het hier om een incident lijkt te gaan. Overigens een incident waaraan voorafgaand door beide groepen veel alcohol genuttigd was. Daarnaast laat de militaire kamer meewegen dat de aanleiding voor de ruzie van de kant van de aangevers kwam. Zij begonnen immers vervelende opmerkingen naar verdachte en zijn vrienden te maken. Bovendien volgt uit een medische verklaring ten aanzien van verdachte dat hij naar aanleiding van het incident ook letsel heeft opgelopen. Tot slot houdt de militaire kamer bij de bepaling van de strafmaat rekening met het feit dat er weliswaar twee mishandelingen hebben plaatsgevonden, maar dat deze mishandelingen sterk met elkaar samenhangen en min of meer als één incident kunnen worden gezien. Al deze omstandigheden brengen de militaire kamer tot het oordeel dat een veel lagere straf dient te worden opgelegd dan is gevorderd door de officier van justitie. De militaire kamer acht een geldboete van € 900,- passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een geldboete van 900 (negenhonderd) euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 18 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Driessen (voorzitter) en mr. R.S. Croll, rechters en Kolonel mr. H.C.M. Snellen, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee [verbalisant] , district West, brigade Noord-Holland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27WN/16-001625, gesloten op 24 mei 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , p.40 en proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p.23 en 25.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p.59.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p.40.

5 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , p.52.

6 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , p.53.

7 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , p.56.