Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4203

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-08-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
05/840666-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke gevangenisstraf en werkstraf voor mishandeling en bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840666-16

Datum uitspraak : 04 augustus 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1948 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .

Raadsman: mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juli 2017.

1a. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot 1 mei 2016 te Duiven en/of elders in Nederland,

zijn echtgenote, althans een persoon te weten [slachtoffer 1] (telkens) heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen en/of te slaan;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 2 mei 2016 te Duiven

zijn echtgenote, althans een persoon te weten [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal in het gezicht te slaan en/of op het bed te gooien en/of te smijten en/of de armen en/of handen van die [slachtoffer 1] vast te pakken en vast te houden en/of met zijn, verdachtes, arm tegen de hals en/of keel van die [slachtoffer 1] te drukken en/of met zijn tot vuist gebalde hand tegen de neus, althans in het gezicht van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of de keel van die [slachtoffer 1] vast te pakken en dicht te knijpen;

3.

hij op of omstreeks 23 juni 2016 te Duiven

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, meermalen met een klauwhamer in zijn, verdachtes, hand in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 23 juni 2016 te Duiven

aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (gecompliceerde) arm breuk, heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal met een klauwhamer in de richting van het hoofd, althans in de richting van die [slachtoffer 2] te slaan;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 23 juni 2016 te Duiven

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal met een klauwhamer in de richting van het hoofd, althans in de richting van die [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 23 juni 2016 te Duiven

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik kom die grijns van je smoel af slaan." en/of "Ik kom je even een lesje leren, ik sla je hersens in en sla je hartstikke dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en waarbij/-na hij, verdachte, een klauwhamer achter zijn rug vandaan haalde;

5.

hij op of omstreeks 23 juni 2016 te Duiven

[slachtoffer 2] (schoonzoon van verdachte) en/of [slachtoffer 3] (dochter van verdachte) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heft verdachte opzettelijk dreigend met een klauwhamer in zijn hand aan die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] toegevoegd de woorden: “Ik ga niet weg, ik kwam hier om hem een lesje te leren, dus kan ik dat net zo goed afmaken.” en vervolgens die klauwhamer meermalen, althans eenmaal boven zijn, verdachtes, hoofd heeft gebracht en in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is gelopen en een slaande beweging in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gemaakt en vervolgens aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft toegevoegd: “Ik kan net zo goed zijn hersens inslaan en die van jou ook.” en/of als ze aangifte zouden doen en/of er werk van zouden maken, hij, verdachte, ze wist te vinden en dood zou maken, (telkens) een handeling en/of woorden van soortgelijke bedreigende aard of strekking.

1b. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De rechtbank is evenals de officier van justitie van oordeel dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit voor een gedeelte van de tenlastegelegde periode niet-ontvankelijk is in de vervolging in verband met de voor dit tenlastegelegde feit geldende verjaringstermijn. Ingevolge artikel 70 (jo. artikel 300 en 304) van het Wetboek van Strafrecht is de verjaringstermijn voor dit feit twaalf jaar. De tenlastegelegde periode betreft 01 mei 2004 tot 01 mei 2016. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie de datum 25 juni 2016 terecht als begin van vervolgingsdaad heeft aangemerkt, omdat de inverzekeringstelling van verdachte vanaf deze datum tevens gold voor de verdenking als bedoeld in het onder 1 ten laste gelegde feit. Gelet op de verjaringstermijn van twaalf jaar is het openbaar ministerie voor de periode voorafgaand aan 25 juni 2004 niet-ontvankelijk in de vervolging.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 122;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2017.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 122;

- foto’s van het gelaat en de neus van [slachtoffer 1] , p. 129-131;

- geneeskundige verklaring d.d. 29 juni 2016 opgemaakt door [naam 1] , p. 150;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2017.

Ten aanzien van feit 3

Vrijspraak primair tenlastegelegde poging tot doodslag

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gepoogd aangever [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Uit de bewijsmiddelen, waaronder verdachtes verklaring ter terechtzitting, kan weliswaar worden vastgesteld dat verdachte met kracht met een klauwhamer meermalen een slaande beweging, vanaf boven zijn hoofd, heeft gemaakt in de richting van het hoofd van aangever [slachtoffer 2] . Uit die bewijsmiddelen kan echter niet worden vastgesteld wat de precieze afstand was tussen verdachte en [slachtoffer 2] op het moment dat verdachte deze slaande beweging maakte. Daarnaar is ook geen onderzoek gedaan door de politie. Om deze reden kan door de rechtbank niet met zekerheid worden vastgesteld of de afstand dusdanig was dat – wanneer [slachtoffer 2] zichzelf niet had verweerd met zijn linkerarm – de hamer het hoofd van [slachtoffer 2] zou hebben geraakt. Hierdoor is niet komen vast te staan dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.

Bewezenverklaring subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 65;

- geneeskundige verklaring d.d. 04 september 2016 opgemaakt door [naam 2] , p. 100;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2017.

Ten aanzien van feit 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling door tegen aangever [slachtoffer 2] te zeggen dat hij die grijns van zijn smoel kwam af slaan en daarbij een klauwhamer achter zijn rug vandaan te halen. Voor het overige dient verdachte partieel te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat enkel kan worden bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling door tegen hem te zeggen dat hij die grijns van zijn smoel kwam af slaan. Dat verdachte daarbij een klauwhamer achter zijn rug vandaan haalde en hij de overige tenlastegelegde dreigende bewoordingen heeft geuit kan niet worden bewezen, nu zich hiervoor onvoldoende bewijs in het dossier bevindt.

Beoordeling door de rechtbank

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij aangever [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Voorop staat dat niet in geschil is dat verdachte tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij diens grijns van zijn smoel kwam slaan.2 Met betrekking tot de overige aan verdachte verweten bewoordingen overweegt de rechtbank dat aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte op 23 juni 2016 naar de woning van [slachtoffer 2] in Duiven kwam en hem vervolgens bedreigde. [slachtoffer 2] hoorde verdachte schreeuwen: “ik kom je even een lesje leren, ik sla je hersens in en ik sla je hartstikke dood”. [slachtoffer 2] zag verder dat verdachte een klauwhamer achter zijn rug vandaan haalde.3 De verklaring van [slachtoffer 2] vindt steun in de verklaring van getuige [slachtoffer 3] . Zij heeft verklaard dat ze verdachte zag staan met een hamer in zijn hand en dat ze hem tegen [slachtoffer 2] hoorde schreeuwen dat hij kwam om hem een lesje te leren, dat hij hem zijn hersens in zou slaan en hem dood zou slaan.4 Verdachte heeft erkend dat hij tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij hem een lesje wilde leren.

Over het voorval op 23 juni 2016 heeft verdachte ter terechtzitting verder verklaard dat hij verhaal wilde halen bij [slachtoffer 2] en dat hij een klauwhamer had gepakt en meegenomen naar de woning van [slachtoffer 2] om zijn grieven kracht bij te zetten. Toen verdachte onderweg was naar [slachtoffer 2] heeft hij de hamer ‘verborgen’ tegen zijn lichaam gehouden.5

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] voldoende bevestiging vindt in de getuigenverklaring van [slachtoffer 3] en de door verdachte afgelegde verklaring ter zitting. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte alle tenlastegelegde dreigende bewoordingen heeft geuit. De rechtbank acht ook bewezen dat hij hierbij de klauwhamer achter zijn rug vandaan heeft gehaald, gelet op verdachtes eigen verklaring dat hij de hamer ‘verborgen’ hield toen hij naar de woning van [slachtoffer 2] is gelopen en de verklaring van [slachtoffer 3] dat verdachte de hamer vervolgens zichtbaar in zijn hand vasthield.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de tenlastegelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 5

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 23 juni 2016 te Duiven heeft verdachte tegen zijn schoonzoon [slachtoffer 2] en zijn dochter [slachtoffer 3] gezegd “ik ga niet weg, ik kwam hier om hem een lesje te leren, dus kan ik dat net zo goed afmaken” en “ik kan net zo goed zijn hersens inslaan en die van jou ook”.

Ook heeft verdachte gezegd dat als [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aangifte zouden doen en er werk van zouden maken, hij ze wist te vinden en dood zou maken. Op het moment dat verdachte deze bewoordingen bezigde, had hij een klauwhamer in zijn hand.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd zoals tenlastegelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte richting [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dreigende woorden heeft geuit. Niet bewezen kan worden dat verdachte met de klauwhamer een slaande beweging heeft gemaakt, omdat het wettig bewijs hiertoe ontbreekt. Van dit gedeelte dient verdachte daarom partieel te worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Niet betwist wordt dat verdachte dreigende bewoordingen richting [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft geuit. Het is de vraag of verdachte tijdens het uiten van deze bedreigingen een slaande beweging in hun richting heeft gemaakt. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte op enig moment ook zijn schoonzus (de rechtbank begrijpt dat hiermee [slachtoffer 3] wordt bedoeld) bedreigde en met de hamer bleef dreigen in hun richting.7 Volgens aangeefster [slachtoffer 3] liep verdachte toen op haar af, terwijl hij de klauwhamer boven zijn hoofd hield.8

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij [slachtoffer 3] heeft bedreigd met de hamer. Hij hield de hamer omhoog en maakte een slaande beweging naar haar.9 Ter zitting heeft verdachte ontkend dat hij met de hamer een slaande beweging zou hebben gemaakt. Volgens verdachte heeft hij met de hamer richting [slachtoffer 3] een dreigende beweging boven zijn hoofd gemaakt. De rechtbank gaat uit van verdachtes verklaring, dat hij een slaande beweging heeft gemaakt, zoals hij dit bij de politie heeft verklaard en ziet geen reden om aan die verklaring te twijfelen. Ter terechtzitting heeft verdachte ontkend dat hij tijdens de bedreiging in de richting van aangeefster [slachtoffer 3] is gelopen. De rechtbank acht hiervoor voldoende bewijs in het dossier (aangifte van [slachtoffer 3] ) aanwezig. Voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging is niet vereist dat daar minimaal twee bewijsmiddelen voor voorhanden zijn.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd op de wijze zoals is ten laste gelegd.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

ten aanzien van feit 1

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 juni 2004 tot 1 mei 2016 te Duiven en/of elders in Nederland,

zijn echtgenote, althans een persoon te weten [slachtoffer 1] (telkens) heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen en/of te slaan;

ten aanzien van feit 2

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 2 mei 2016 te Duiven

zijn echtgenote, althans een persoon te weten [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal in het gezicht te slaan en/of op het bed te gooien en/of te smijten en/of de armen en/of handen van die [slachtoffer 1] vast te pakken en vast te houden en/of met zijn, verdachtes, arm tegen de hals en/of keel van die [slachtoffer 1] te drukken en/of met zijn tot vuist gebalde hand tegen de neus, althans in het gezicht van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of de keel van die [slachtoffer 1] vast te pakken en dicht te knijpen;

ten aanzien van feit 3 subsidiair

hij op of omstreeks 23 juni 2016 te Duiven

aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (gecompliceerde) arm breuk, heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal met een klauwhamer in de richting van het hoofd, althans in de richting van die [slachtoffer 2] te slaan;

ten aanzien van feit 4

hij op of omstreeks 23 juni 2016 te Duiven

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik kom die grijns van je smoel af slaan." en/of "Ik kom je even een lesje leren, ik sla je hersens in en sla je hartstikke dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en waarbij/-na hij, verdachte, een klauwhamer achter zijn rug vandaan haalde;

ten aanzien van feit 5

hij op of omstreeks 23 juni 2016 te Duiven

[slachtoffer 2] (schoonzoon van verdachte) en/of [slachtoffer 3] (dochter van verdachte) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een klauwhamer in zijn hand aan die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] toegevoegd de woorden: “Ik ga niet weg, ik kwam hier om hem een lesje te leren, dus kan ik dat net zo goed afmaken.” en vervolgens die klauwhamer meermalen, althans eenmaal boven zijn, verdachtes, hoofd heeft gebracht en in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is gelopen en een slaande beweging in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gemaakt en vervolgens aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft toegevoegd: “Ik kan net zo goed zijn hersens inslaan en die van jou ook.” en/of als ze aangifte zouden doen en/of er werk van zouden maken, hij, verdachte, ze wist te vinden en dood zou maken, (telkens) een handeling en/of woorden van soortgelijke bedreigende aard of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd.

ten aanzien van feit 2

Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

ten aanzien van feit 3 subsidiair

Zware mishandeling.

ten aanzien van feit 4

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

ten aanzien van feit 5

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7a. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 105 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, met als bijzondere voorwaarden de meldplicht en ambulante behandelverplichting alsook een contactverbod met aan laatstgenoemde bijzondere voorwaarde een proeftijd van 3 jaren verbonden. Voorts heeft de officier van justitie geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 150 uren werkstraf, te vervangen door 75 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich vinden in de eis van de officier van justitie. In de strafoplegging dient volgens de verdediging rekening te worden gehouden met de volgende omstandigheden. Verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en hij heeft zich het afgelopen jaar intensief laten behandelen. Ook zijn bereidwilligheid om schadevergoeding te voldoen aan de slachtoffers, terwijl daar juridisch nog geen verplichting toe bestaat, dient te worden meegewogen. Verder moet er rekening mee worden gehouden dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is. Verdachte is als gevolg van het elektronisch toezicht door middel van een enkelband reeds een jaar lang ernstig in zijn vrijheid beperkt, hetgeen hij als een behoorlijke bestraffing heeft ervaren. Verdachte is bereid zich aan een contact en/of locatieverbod te houden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 12 juni 2017;

- een voortgangsverslag toezicht van Reclassering Nederland, gedateerd 17 juli 2017;

- een afsluitbrief van GGZ Friesland, Poli Forensische Psychiatrie, gedateerd 18 juli 2017;

- een rapport van de Reclassering Nederland t.b.v. rechtszitting, gedateerd 30 september 2016;

- een psychologisch rapport van dr. drs. L.E.E. Ligthart, klinisch (neuro)psycholoog, gedateerd 01 oktober 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal ernstige feiten. Op de eerste plaats heeft verdachte zijn echtgenote gedurende een lange periode mishandeld. Het huiselijk geweld vond veelal plaats in de gezamenlijke woning van verdachte en zijn vrouw, terwijl zij zich juist in haar eigen woning veilig zou moeten kunnen voelen. Ook verdachtes dochter en zijn schoonzoon zijn met het gewelddadige gedrag van verdachte geconfronteerd. Bij verdachte zijn door de naderende scheiding met zijn vrouw de spanningen op enig moment dusdanig hoog opgelopen dat hij met een klauwhamer naar zijn schoonzoon, die bij de scheiding een bemiddelende rol had, is toegegaan. Verdachte is zijn schoonzoon met deze klauwhamer te lijf gegaan als gevolg waarvan deze zwaar lichamelijk letsel, namelijk een verbrijzelde onderarm, heeft opgelopen. Ook heeft verdachte richting zijn dochter en schoonzoon doodsbedreigingen geuit waarbij hij de hamer dreigend boven zijn hoofd hield en daarmee een slaande beweging maakte. Dit zijn ernstige feiten die zich alle hebben voorgedaan in de huiselijke sfeer. Hiermee heeft verdachte een ingrijpende inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn familieleden. Huiselijk geweld leidt bij de slachtoffers vaak tot gevoelens van angst en onveiligheid. Dat verdachte met zijn handelen zijn (inmiddels) ex-echtgenote, zijn dochter en zijn schoonzoon angst heeft aangejaagd blijkt ook uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaringen.

De aard en de ernst van de feiten rechtvaardigen volgens de oriëntatiepunten van de rechtbank een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden. In dit geval ziet de rechtbank in de volgende omstandigheden echter aanleiding om hiervan ten gunste van verdachte af te wijken. Tussen drie van de vijf bewezenverklaarde feiten bestaat een grote samenhang, nu deze op dezelfde dag, binnen dezelfde omstandigheden, hebben plaatsgevonden. In het voordeel van verdachte wordt meegewogen dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Bij verdachte is sprake van de nodige problematiek. Blijkens de psychologische rapportage dient hij enigszins als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd. De rechtbank houdt ook rekening met de houding van verdachte, waaruit volgt dat hij inziet dat er bij hem diverse problemen spelen en dat hij gemotiveerd is om zich in te zetten om daaraan te werken. Verdachte heeft het elektronisch toezicht middels een enkelband als bestraffend ervaren, hetgeen hem reeds een jaar in zijn vrijheid heeft beperkt. De rechtbank zal hier ook rekening mee houden.

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan de duur die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke opgelegde straf, zoals geëist door de officier van justitie, geboden om herhaling in de toekomst te voorkomen. Hieraan zullen de meldplicht, de ambulante behandelverplichting en een contactverbod als bijzondere voorwaarden worden verbonden. Enkel een contactverbod is gezien het uitblijven van contact tussen verdachte en zijn familieleden gedurende het afgelopen jaar volgens de rechtbank afdoende, zodat elektronisch toezicht niet langer nodig wordt geacht.

Gelet op de ernst van de feiten en gezien de oriëntatiepunten straftoemeting acht de rechtbank wel een hogere werkstraf, dan door de officier van justitie geëist, geboden. Zij stelt de werkstraf op de maximale duur van 240 uur.

7b. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 3 subsidiair, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.130,74.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, gelet op de omstandigheid dat de vordering niet betwist wordt en verdachte het gevorderde bedrag wenst te betalen, verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering niet wordt betwist en verdachte bereid is om de vordering zo snel mogelijk te voldoen.

Beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een bedrag van € 1.994,23 gevorderd wegens materiële schade en een bedrag van € 2.500,00 wegens immateriële schade. De verdediging heeft de vordering niet betwist en verdachte heeft zich bereid verklaard om de vordering te voldoen. De rechtbank zal de vordering dan ook geheel toewijzen.

Met betrekking tot de gevorderde vergoeding wegens immateriële schade overweegt de rechtbank nog dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 subsidiair, 4 en 5 bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 4.494,23 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2016.

Ter meerdere zekerheid voor de daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.643,80.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 2.000,00 wegens immateriële schade toe te wijzen. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft hij zich op het standpunt gesteld dat deze (slechts) gedeeltelijk kan worden toegewezen, nu volgens hem het rechtstreeks verband tussen de plaatsgevonden gesprekken met de (zaaks)officier van justitie en de bewezenverklaarde feiten in twijfel kan worden getrokken. Op dit punt heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag te hoog is. De benadeelde partij heeft gesteld angstig te zijn geworden door het handelen van verdachte, maar ook door de wijze waarop de politie en de reclassering haar heeft bejegend. Daarnaast is naar voren gebracht dat de benadeelde partij tijdens haar huwelijk langdurig is mishandeld en onduidelijk is welke handelingen binnen de bewezenverklaarde periode vallen. Bovendien heeft voor de benadeelde partij voor het indienen van een vordering een verjaringstermijn van vijf jaar te gelden.

Beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 643,80 wegens materiële schade overweegt de rechtbank dat zij dit bedrag toewijsbaar acht. De opgevoerde kosten kunnen alle in rechtstreeks verband worden gebracht met de bewezenverklaarde feiten. Bovendien heeft de verdediging deze kosten ook niet betwist.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 2.000,00 wegens immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Aan de benadeelde partij is door de bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Zij is in haar persoon aangetast, doordat een ernstige inbreuk is gemaakt op haar lichamelijke en persoonlijke integriteit. Zij is gedurende haar huwelijk stelselmatig door verdachte mishandeld. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte deze schade heeft geleden in de bewezenverklaarde periode. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet onaannemelijk dat door het structureel huiselijk geweld de schade zich heeft opgebouwd en op een later moment heeft geopenbaard, waardoor de gestelde immateriële schade is veroorzaakt door de gebeurtenissen die zich de afgelopen vijf jaar hebben voorgedaan. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan. Gelet op de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank het door de benadeelde partij gevorderde bedrag billijk en toewijsbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 2.643,80 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 01 mei 2016, de einddatum van de bewezenverklaarde periode waarin de mishandelingen hebben plaatsgevonden.

Ter meerdere zekerheid voor de daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.400,65.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht het door de benadeelde partij [slachtoffer 3] gevorderde bedrag wegens immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 800,00. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft hij zich op het standpunt gesteld dat een rechtstreeks verband tussen het uitstellen van de urenuitbreiding van de benadeelde partij en de bewezenverklaarde bedreiging niet is aan te nemen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding verband houdend met het uitstellen van urenuitbreiding van de benadeelde partij, een rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit niet valt vast te stellen. Met betrekking tot de gestelde geleden immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd dat in de onderbouwing daarvan door de benadeelde partij zaken zijn betrokken die niet zien op het bewezenverklaarde feit. Aan de rechtbank wordt in overweging meegegeven om dit eruit te destilleren.

Beoordeling door de rechtbank

Het gevorderde bedrag van € 900,65 wegens materiële schade bestaat uit een bedrag van

€ 536,32 wegens schade door uitstel van de urenuitbreiding van de benadeelde partij en een bedrag van € 364,33 betreffende het eigen risico. De rechtbank acht het laatstgenoemde bedrag wegens gemaakte kosten aan de zorgverzekeraar voldoende onderbouwd en toewijsbaar. Met betrekking tot de gestelde geleden schade als gevolg van het uitstellen van de urenuitbreiding van de benadeelde partij overweegt de rechtbank dat onvoldoende is onderbouwd dat deze gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De bijgevoegde brief van de werkgever van de benadeelde partij waaruit volgt dat er wederzijds overleg heeft plaatsgevonden is daartoe onvoldoende. Daaruit volgt immers niet dat aan deze beslissing, genomen in onderling overleg, louter het bewezenverklaarde feit ten grondslag heeft gelegen. De benadeelde partij zal in dit gedeelte van de vordering daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 1.500,00 wegens immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Aan de benadeelde partij is door de bewezenverklaarde bedreiging rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Gelet op hetgeen doorgaans in gelijksoortige zaken voor een bedreiging wordt toegewezen, zal de rechtbank het gevorderde bedrag matigen en acht zij een bedrag van

€ 500,00 toewijsbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een totaalbedrag van € 864,33 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2016. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan zij haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 57, 285, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart het openbaar ministerie ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde periode van 01 mei 2004 tot 25 juni 2004 niet-ontvankelijk in de vervolging;

 spreekt verdachte vrij van het onder 3 primair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 105 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen zeven dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te melden bij Reclassering Nederland (toezichtunit 1 Midden-Noord, Leonard Springerlaan 21, 9727 KB Groningen, telefoonnummer 088-8041100 en gedurende de proeftijd dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met zijn ex-echtgenote [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 1948, wonende te [adres 2] ), zijn dochter [naam 3] (geboren [geboortedatum 3] 1971, wonende te [adres 3] ), zijn dochter [naam 4] ( [adres 4] ) zijn dochter [naam 5] (verdere gegevens onbekend), zijn beide schoonzoons, [naam 6] (wonende te [adres 3] ) en [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum 4] 1965, wonende te [adres 4] ), en op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen met hun gezinsleden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich verplicht gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Forensische Polikliniek van de GGZ te Leeuwarden of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn impulsstoornis en zijn agressie regulatieproblemen, waarbij hij zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij geheel toe

- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 subsidiair, feit 4 en feit 5 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 4.494,23 (vierduizend vierhonderdvierennegentig euro en drieëntwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

Maatregel tot schadevergoeding

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 4.494,23 (vierduizend vierhonderdvierennegentig euro en drieëntwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 54 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij geheel toe

- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 2.643,80 (tweeduizend zeshonderd drieënveertig euro en tachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

Maatregel tot schadevergoeding

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 2.643,80 (tweeduizend zeshonderd drieënveertig euro en tachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 36 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 5 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een bedrag van € 864,33 (achthonderd vierenzestig euro en drieëndertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

Maatregel tot schadevergoeding

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 864,33 (achthonderd vierenzestig euro en drieëndertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 17 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. J.M. Hamaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Bongers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 04 augustus 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost- Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016445310, gesloten op 21 september 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2017.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , p. 65.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] , p. 79; proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 105.

5 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2017.

6 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 juli 2017.

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 65; proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 2] , p. 74.

8 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 105.

9 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p. 55.