Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4180

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
c/05/321416 KG ZA 17-269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Handelsnaam - Familienaam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/321416 / KG ZA 17-269 / 172 / 560

Vonnis in kort geding van 24 juli 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf eiseres]

gevestigd te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. C. Schimmel te Veenendaal,

tegen

[gedaagde]

tevens handelend onder de naam [bedrijf gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.H.N. van Spanje te Wageningen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de brief van 6 juli 2017 met zeven producties van de zijde van [gedaagde] ,

  • -

    de akte houdende nadere producties en wijziging van eis,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is in de jaren 1990 opgericht door [eiseres] de vader van [gedaagde] . De onderneming houdt zich bezig met het uitvoeren van sloopwerk en infrastructurele werken waaronder begrepen grondverzet, rioolwerkzaamheden, bouw- en/of woonrijp maken, verharding en terreininrichting. Daarnaast legt zij zich toe op bodem- en asbestsanering.

2.2.

Op 3 oktober 2012 zijn alle aandelen in het geplaatste kapitaal van [eiseres] overgedragen aan [rechtspersoon A] . met als directeur en enig aandeelhouder [De heer A]

2.3.

[gedaagde] heeft vanaf zijn vijftiende na schooltijd en in vakanties en vanaf zijn zeventiende formeel in dienst bij [eiseres] gewerkt. Op zijn loonstroken staat als functie vermeld ‘leerling machinist’, maar in feite werkte hij laatstelijk als uitvoerder.

2.4.

Op 13 april 2017 heeft [gedaagde] zijn dienstverband bij [eiseres] opgezegd.

2.5.

Op 18 april 2017 heeft [gedaagde] de eenmanszaak [gedaagde] Grond en Sloopwerk laten registreren bij de Kamer van Koophandel.

2.6.

[gedaagde] heeft een brief aan derden verstuurd die hieronder wordt geciteerd. De brief is gedateerd op 24 april 2017. De factuur van de postservice voor 58 zendingen is van 31 mei 2017. De omschrijving is, voor zover van belang: ‘03-05-2017: 31 stuks 2 daagse postbezorging, 27 stuks 5 daagse postbezorging’.

Beste relatie,

Met deze brief wil ik u op de hoogte brengen van het volgende:

De afgelopen 25 jaar heb ik met veel plezier gewerkt bij firma [eiseres] . Voorheen het bedrijf van mijn vader, [eiseres] en na de overname in 2013 bleef ik er werken.

Na 25 jaar vind ik het tijd voor een nieuwe uitdaging. Met trots kan ik u vertellen dat ik mijn eigen onderneming ben gestart. [gedaagde] Grond- en Sloopwerk. Ik ben erg gemotiveerd om mijn ervaring en expertise in te zetten en er een betrouwbaar en succesvol bedrijf van te maken.

Heeft u, sloopwerk, asbestsanering, grondwerk, rioolwerk of straatwerk.

Dan sta ik voor u klaar!

Wellicht kan ik in de toekomst iets voor u betekenen.

Met vriendelijke groet,

[gedaagde] .

2.7.

Op 12 mei 2017 heeft [eiseres] het woordmerk ‘ [eiseres] ’ als Beneluxmerk geregistreerd voor de waren- en dienstenklassen die gerelateerd zijn aan haar bedrijfsvoering (inschrijvingsnummer [0000000] ). Bovendien heeft zij op die dag een beeldmerk geregistreerd bestaande uit een cirkel met daarin een van rechtsboven naar het midden wijzende pijl en daaronder de woorden ‘ [eiseres] (inschrijvingsnummer [1111111] ).

2.8.

Bij brief van 12 mei 2017 van haar advocaat heeft [eiseres] onder meer het volgende aan [gedaagde] bericht:

(...) Naar ik van cliënte heb begrepen, zal uw dienstverband met cliënte na (...) opzegging uwerzijds op 31 mei a.s. aflopen. Cliënte heeft evenwel recentelijk vernomen, dat u een eigen onderneming bent gestart en concurrerende werkzaamheden heeft uitgevoerd en nog steeds uitvoert. Daarnaast heeft u ook alle klanten van cliënte aangeschreven, hen van uw nieuwe onderneming genaamd ‘ [gedaagde] Grond en Sloopwerk’ in kennis gesteld en hen met cliënte concurrerende diensten aangeboden.

Doordat u met voornoemd handelen cliënte beconcurreert en vertrouwelijke klantgegevens van cliënte niet vertrouwelijk behandelt, handelt u in strijd met het goed werknemerschap. Gelijk u met uw bedrijfsnaam ook inbreuk maakt op de handelsnaam van cliënte.

Bovengenoemde omstandigheden vormen een dringende reden tot ontslag op staande voet. Reden waarom ik u namens cliënte laat weten, dat u met onmiddellijke ingang op staande voet bent ontslagen. Dit ontslag maakt u schadeplichtig. (...)

Verder verzoek, en zo nodig sommeer, ik u namens cliënte om:

 de concurrerende werkzaamheden per direct te staken en gestaakt te houden;

 het gebruik van uw handelsnaam en het gebruik van vertrouwelijke aan cliënte in eigendom toebehorende vertrouwelijke gegevens per direct te staken en gestaakt te houden;

 de Kamer van Koophandel te verzoeken de inschrijving van uw handelsnaam door te halen (...);

(...)

2.9.

Op 29 juni 2017 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de onderneming [gedaagde] Grond en Sloopwerk met ingang van 27 juni 2017 is opgeheven. Op 29 juni 2017 is ingeschreven [Nieuwe naam bedrijf gedaagde] . met [gedaagde] als enig aandeelhouder en enig bestuurder.

2.10.

Bij e-mail van 30 juni 2017 heeft [gedaagde] [De heer A] als volgt bericht:

Als eerder al toegezegd via onze advocaat heb ik bij de Kamer van Koophandel mijn eenmanszaak laten schrappen. Ik ga nu verder met mijn B.V. die ik deze week heb opgericht. Deze B.V. heeft de naam [Nieuwe naam bedrijf gedaagde] . dus dat leidt niet tot verwarring met jouw bedrijf. Ik stuur je als bewijs daarvan een kopie van de uitschrijving en de inschrijving van de B.V.

Verder maak ik ook geen gebruik meer van het logo met pijlen er in. Dat logo is van de bus gehaald en gebruik ik ook niet meer in mijn e-mails.

Ik ben geen echte concurrent van je want mijn omzet is zo klein dat je daar echt geen last van hebt.

Volgens mij heeft de rechtszaak geen zin meer. Het zou fijn zijn als je die in zou trekken dan kunnen we ons allemaal kosten besparen.

3 Het geschil en de beoordeling

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1) [gedaagde] verbiedt vanaf twee weken na betekening van dit vonnis, direct of indirect, naar buiten te treden met een handelsnaam of een andere uiting waaronder begrepen maar niet beperkt tot advertenties, reclame, vermelding op voertuigen, briefpapier en visitekaartjes, aannemen van de telefoon, domeinnaam, waarin de handelsnaam en het woordmerk dan wel de woordelementen [gedaagde] ’ voorkomt of voorkomen,

2) [gedaagde] verbiedt voor een periode van twaalf maanden, of voor een andere periode die de voorzieningenrechter redelijk voorkomt, te rekenen vanaf de datum van betekening van dit vonnis, direct of indirect een met [eiseres] concurrerende onderneming te exploiteren,

3) [gedaagde] gebiedt om binnen drie dagen na dit vonnis aan alle door hem bij brief van 24 april 2017 aangeschreven klanten schriftelijk te berichten dat hij door die brief naar hen te verzenden onrechtmatig heeft gehandeld en dat hem een verbod is opgelegd om gedurende een termijn van twaalf maanden op het gebied van grondverzet, sloop-, riool-, bestrating- en saneringswerkzaamheden op enigerlei zaken met hen te doen,

4) [gedaagde] verbiedt voor een periode van twaalf maanden, of voor een andere periode die de voorzieningenrechter redelijk voorkomt, te rekenen vanaf de datum van betekening van dit vonnis, direct of indirect, contact te hebben met en/of met [eiseres] concurrerende diensten te verrichten voor de klanten van [eiseres] ,

5) [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] ten titel van dwangsom een bedrag van € 5.000,00 voor iedere keer dat hij niet stipt en volledig aan het onder 1, 2, 3 en 4 gevorderde voldoet en voor iedere dag dat deze overtreding voortduurt,

6) [gedaagde] veroordeelt primair in de kosten van het geding als bedoeld in artikel 1019 Rv, te weten € 7.000,00 te vermeerderen met de deurwaarderskosten, het griffierecht en de nakosten, subsidiair in de gewone proceskosten waaronder tevens begrepen het salaris van de advocaat, griffierecht en nakosten.

woordmerk en handelsnaam

3.2.

Aan de vordering onder 1 legt [eiseres] het volgende ten grondslag. Ten eerste stelt zij dat zij het woordmerk ‘ [eiseres] ’ en een beeldmerk met onder meer die woorden als Beneluxmerk heeft laten registreren. Zij betoogt dat [gedaagde] inbreuk maakt op het uitsluitende recht dat artikel 2.20 lid 1 BVIE haar als houder van dat ingeschreven woordmerk en beeldmerk geeft. Ten tweede stelt zij dat zij vanaf 20 mei 1999 eigenaar is van de handelsnaam ‘ [eiseres] ’ en dat zij die handelsnaam sindsdien ook rechtmatig gebruikt. Zij doet een beroep op artikel 5 Hnw, dat het voeren van een handelsnaam die door een ander rechtmatig wordt gevoerd verbiedt als daarvan verwarringsgevaar bij het publiek valt te duchten. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

In deze procedure staat vast dat [eiseres] op 12 mei 2017 het woordmerk ‘ [eiseres] ’ heeft laten registreren en op dezelfde datum een beeldmerk heeft laten registreren waarvan de woorden [eiseres] een kenmerkend onderdeel uitmaken. Om [gedaagde] in het kader van deze procedure in kort geding met recht een inbreuk te kunnen verwijten op dit ingeschreven merkrecht en ter zake een verbod voor de toekomst te kunnen vorderen, moet [eiseres] voldoende aannemelijk maken dat [gedaagde] na de inschrijving op 12 mei 2017 van het merk een daarmee overeenstemmend teken heeft gebruikt en dat gegronde vrees bestaat dat hij daarmee door zal gaan. [gedaagde] stelt dat hij, na daartoe door de advocaat van [eiseres] te zijn aangeschreven op de dag van de registratie van het merk, aan [eiseres] heeft laten weten dat hij bereid was zijn handelsnaam te veranderen en voorts dat hij het logo dat op de bedrijfsbus stond daarvan heeft verwijderd. Uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat hij de inschrijving van zijn onderneming onder de naam ‘ [gedaagde] Grond- en Sloopwerk’ heeft laten doorhalen en dat hij een andere naam (en rechtsvorm) voor zijn onderneming heeft gekozen. Dat [gedaagde] aldus heeft gehandeld is onvoldoende gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter oordeelt dat onder deze omstandigheden de vordering onder 1 niet toewijsbaar is op de grondslag dat [gedaagde] een inbreuk heeft gemaakt op het merkrecht van [eiseres] .

3.4.

De naam waaronder [gedaagde] zijn onderneming aanvankelijk voerde, luidt: ‘ [gedaagde] Grond- en Sloopwerk’. De handelsnaam op bescherming waarvan [eiseres] aanspraak maakt, luidt: ‘ [eiseres] ’ De onderneming van [gedaagde] is gevestigd in [woonplaats] , die van [eiseres] in [woonplaats] . [woonplaats] en [woonplaats] zijn aan elkaar grenzende gemeenten. Omdat in beide namen de elementen ‘ [naam] ’ en ‘Grond- en Sloopwerk’ voorkomen, terwijl de onder die namen gedreven ondernemingen gevestigd zijn in gemeenten die aan elkaar grenzen, is voldoende aannemelijk dat verwarring tussen deze ondernemingen te duchten is bij het daarvoor in aanmerking komende publiek. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] haar handelsnaam rechtmatig voert en dat zij dat al deed ruim voordat [gedaagde] zijn eigen onderneming begon. Onder deze omstandigheden verbiedt artikel 5 Hnw aan [gedaagde] het gebruik van de handelsnaam ‘ [gedaagde] Grond- en Sloopwerk’. Dat wordt niet anders doordat Van Dam Berry zijn achternaam is. Het gaat in het onderhavige geval immers om een familiebedrijf dat is opgericht door de vader van [gedaagde] en dat aan de huidige eigenaar is verkocht inclusief de handelsnaam met daarin de familienaam. Nu vaststaat dat [gedaagde] zijn onderneming op 18 april 2017 bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven onder de inbreukmakende handelsnaam en hij deze naam heeft gebruikt in zijn op 24 april 2017 gedateerde brief en op zijn bedrijfsbus, wordt geoordeeld dat [eiseres] voldoende recht en spoedeisend belang heeft bij een verbod, al zijn er ook aanwijzingen dat dat [gedaagde] de inbreuk na sommatie heeft gestaakt. De vordering het gebruik van de handelsnaam op grond van artikel 5 Hnw te verbieden is daarom toewijsbaar.

3.5.

Omdat er aanwijzingen zijn dat [gedaagde] de inbreukmakende handelsnaam na sommatie niet meer gebruikt, zoals hiervoor overwogen, zal aan dit verbod geen dwangsom worden verbonden.

concurrentie

3.6.

Aan de vordering onder 2 legt [eiseres] het volgende ten grondslag. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] niet gebonden is aan een concurrentie- of relatiebeding, zodat het hem in beginsel vrij staat om zich na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in vrije concurrentie te begeven op de markt waar hij voor [eiseres] werkzaam was. Volgens [eiseres] is de concurrentie die [gedaagde] haar aandoet evenwel onrechtmatig omdat hij stelselmatig en in substantiële mate haar duurzame bedrijfsdebiet afbreekt, daarmee gebruikmakend van vertrouwelijke informatie en goodwill die hij bij haar heeft verkregen. Zij beroept zich daartoe op de omstandigheden dat

[gedaagde] gebruik heeft gemaakt van haar vertrouwelijke bedrijfsgegevens, dat hij als zoon van de oprichter een bijzondere positie in de onderneming innam, dat hij met zijn concurrerende onderneming is begonnen toen hij nog bij [eiseres] in dienst was, dat de op 24 april 2017 gedateerde brief onjuiste en misleidende informatie bevat, dat [gedaagde] relaties en klanten van [eiseres] afhandig heeft gemaakt en dat hij bewust van zijn onrechtmatige handelen heeft geprofiteerd. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.7.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] niet contractueel is gebonden aan een relatiebeding of concurrentiebeding. [eiseres] baseert haar vordering daarom niet op nakoming maar op onrechtmatige daad. Bij de beoordeling op die grondslag geldt het uitgangspunt dat het [gedaagde] in beginsel vrij staat [eiseres] te beconcurreren op de markt waarop partijen zich begeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de omstandigheden die [eiseres] aanvoert om van dat beginsel af te wijken daarvoor onvoldoende. Dat [gedaagde] stelselmatig en in substantiële mate het duurzame bedrijfsdebiet van [eiseres] afbreekt, is niet voldoende aannemelijk geworden, mede gezien het verschil in omvang tussen beide ondernemingen. De concurrentie die [gedaagde] [eiseres] aandoet, is daarom niet onrechtmatig. De vordering onder 2 om [gedaagde] een algemeen concurrentieverbod op te leggen zal daarom worden afgewezen.

3.8.

De voorzieningenrechter acht het op zichzelf niet geloofwaardig dat [gedaagde] met de op 24 april 2017 gedateerde brief alleen of hoofdzakelijk vrienden en bekenden heeft aangeschreven. De geadresseerden zijn immers voornamelijk ondernemingen, het aantal van 58 is te groot en bovendien luidt de aanhef van de brief ‘geachte relatie’. Niettemin wordt ook de vordering onder 3 om [gedaagde] te veroordelen de ontvangers van de op 24 april 2017 gedateerde brief te berichten dat deze brief onrechtmatig was en dat de voorzieningenrechter hem een verbod heeft opgelegd afgewezen. Zoals hiervoor is overwogen, oordeelt de voorzieningenrechter immers dat [gedaagde] aan [eiseres] geen onrechtmatige concurrentie aandoet en legt hij hem geen concurrentieverbod op.

3.9.

Uit het voorgaande vloeit voort dat ook de vordering onder 4 wordt afgewezen. Het staat [gedaagde] vrij contact te hebben met klanten van [eiseres] en diensten aan hen aan te bieden, nog daargelaten dat [eiseres] niet voldoende heeft toegelicht wat moet worden verstaan onder ‘contact hebben’ (benaderen of benaderd worden) en ook niet voldoende duidelijk heeft gemaakt wie de klanten zijn ten aanzien van wie het verbod zou moeten gelden.

conclusie en proceskosten

3.10.

De conclusie is dat de vordering onder 1 zal worden toegewezen en dat de andere vorderingen zullen worden afgewezen.

3.11.

Omdat de partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

verbiedt [gedaagde] vanaf twee weken na betekening van dit vonnis, direct of indirect, naar buiten te treden met een handelsnaam of een andere uiting waaronder begrepen maar niet beperkt tot advertenties, reclame, vermelding op voertuigen, briefpapier en visitekaartjes, aannemen van de telefoon, domeinnaam, waarin de handelsnaam en het woordmerk dan wel de woordelementen [gedaagde] ’ voorkomt of voorkomen,

4.2.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.3.

wijst de andere vorderingen af,

4.4.

compenseert de proceskosten zo dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2017.