Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4170

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-08-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3856
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De coffeeshop mag met ingang van 4 augustus 2017 geen softdrugs meer verkopen of in voorraad hebben. Verzoekers hebben de verkoop medio juni 2017 al gestaakt. De handelsvoorraad kan eenvoudig worden verwijderd. Er is ook geen spoedeisend belang bij dat verzoekers graag de verkoop weer willen opstarten om een andere exploitant te zoeken of om, als dat niet kan, hun activiteiten te kunnen afbouwen. Verzoekers wisten al sinds het besluit van 13 februari 2017 dat zij de exploitatie moesten beëindigen en hadden voldoende tijd om maatregelen te treffen. Verzoekers hebben niet onderbouwd dat het niet kunnen voortzetten van hun activiteiten tot aan de uitspraak in de beroepsprocedure zal leiden tot een faillissement. Tot slot levert het algemeen belang van de aanwezigheid van een (gedoogde) coffeeshop in Harderwijk geen spoedeisend belang op voor verzoekers in het bijzonder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/3856

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2017

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker],

[verzoeker],

te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. W. Altenaar),

en

[verweerder], verweerder

(gemachtigde: mr. V.A. Textor).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [verzoeker] een last onder bestuursdwang opgelegd om, kort gezegd, de verkoop van softdrugs vanuit [bedrijf] te [woonplaats] te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 14 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2017. [verzoeker] is verschenen, vergezeld door [verzoeker] en [verzoeker] en bijgestaan door de gemachtigde en R. Schouten, adviseur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.A. van Eijs, bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Verweerder heeft bij besluit van 19 januari 2015 aan [verzoeker] een gedoogverklaring verleend voor het verkopen van softdrugs in [bedrijf]. Omdat er ten tijde van het afgeven van de gedoogverklaring een strafrechtelijke procedure tegen hem liep, is hieraan als ontbindende voorwaarde verbonden dat de verklaring van rechtswege zou komen te vervallen als hij strafrechtelijk zou worden veroordeeld.

Door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:44) is de gedoogverklaring in rechte komen vast te staan, inclusief de daaraan verbonden voorwaarde. Met het arrest van de Hoge Raad van

1 november 2016 is de strafrechtelijke veroordeling van [verzoeker] onherroepelijk geworden en de ontbindende voorwaarde vervuld. Niet in geschil is dat verzoekers niet langer over een gedoogverklaring beschikken.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder een langere begunstigingstermijn aan de last moet verbinden zodat voor [verzoeker] een vervanger met een gedoogverklaring kan worden gevonden of de bedrijfsactiviteiten kunnen worden afgebouwd met inachtneming van hun verplichtingen. Als de exploitatie van de coffeeshop nu wordt stopgezet, komt [woonplaats] bovendien zonder coffeeshop te zitten en dat criminaliseert.

Bij een verzoek om voorlopige voorziening beoordeelt de voorzieningenrechter of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.

De last onder bestuursdwang is er op gericht de verkoop, aflevering, verstrekking, dan wel het daartoe aanwezig hebben van softdrugs te beëindigen en beëindigd te houden.

Verzoekers hebben aangegeven dat zij sinds medio juni geen softdrugs meer verkopen. De coffeeshop is wel nog gewoon open. Klanten kunnen daar nu wat drinken of (elders gekochte) softdrugs gebruiken. Ook is er een, volgens verzoekers inmiddels over de datum zijnde, handelsvoorraad aanwezig. Dus ondanks de beëindigde verkoop wordt de last nog wel overtreden, in ieder geval omdat er nog een handelsvoorraad aanwezig is.

Nu deze voorraad volgens verzoekers zelf niet meer geschikt is voor de verkoop, is het verwijderen van deze voorraad uit de coffeeshop niet zodanig bezwaarlijk voor verzoekers dat om die reden een langere begunstigingstermijn zou moeten worden gegund en is hierin geen spoedeisend belang gelegen.

In de wens van verzoekers om de coffeeshop nog gedurende een langere tijd (ter zitting is als termijn genoemd: 1 januari 2018) te blijven exploiteren om een andere exploitant te vinden of om in die periode de verplichtingen naar derden, waaronder het eigen personeel, af te bouwen, is evenmin een spoedeisend belang gelegen.

Allereerst merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekers al sinds het primair besluit van 13 februari 2017 wisten dat zij de exploitatie van de coffeeshop moesten beëindigen. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunt voor het betoog van verzoekers dat onduidelijk was per wanneer de exploitatie moest worden beëindigd en voor hoe lang. Het komt voor eigen risico van verzoekers dat zij sinds 13 februari 2017 geen maatregelen hebben getroffen. Ook zijn de argumenten waarom verzoekers meer tijd willen, tegenstrijdig. Het is moeilijk te begrijpen hoe verzoekers in dezelfde periode een andere exploitant willen zoeken (gericht op voortzetting van de exploitatie) en de verplichtingen naar derden willen afbouwen (gericht op beëindiging van de exploitatie). Verder is ter zitting namens verweerder aangegeven dat thans een procedure in gang is gezet voor de toewijzing van een gedoogverklaring voor een (toekomstige) coffeeshop waarvoor zich al gegadigden hebben gemeld. Beleid van verweerder is om in [woonplaats] één coffeeshop toe te staan. Op voorhand staat dus in het geheel nog niet vast dat verzoekers deze gedoogverklaring zullen verkrijgen. Een spoedeisend belang in verband met de voortzetting van de exploitatie is dus niet aanwezig.

Dat verzoekers ook verplichtingen hebben ten opzichte van derden, onder wie hun werknemers, is volgens vaste jurisprudentie geen reden om van handhavend optreden af te zien. Ook deze verplichtingen leveren geen spoedeisend belang op. Verzoekers hebben niet onderbouwd dat het voldoen aan deze verplichtingen in de periode tot aan de uitspraak in het beroep dat zij hebben ingesteld, zal leiden tot onontkoombare gevolgen zoals een faillissement. Tot slot levert het algemeen belang van de aanwezigheid van een (gedoogde) coffeeshop in [woonplaats] geen spoedeisend belang op voor verzoekers in het bijzonder.

Er is dus geen aanleiding om in afwachting van de uitspraak op het beroep van verzoekers een voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Litjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2017.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.