Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4112

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
306878
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tekortschieten tijdelijke en deugdelijke levering sorteermachine oud papier en de-inkmachine. Partiële ontbinding gerechtvaardigd. Verschuldigdheid “liquidated damages” en kosten. Betaling restant koopsom..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/306878 / HA ZA 16-407 / 369/871

Vonnis van 19 juli 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

REPARCO NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaten mrs. A.W. van der Veen en I.M. Hendriks te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.P.J.M. Bruens te Groningen.

Partijen zullen hierna Reparco en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 december 2016

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties 39 tot en met 48 van Reparco

  • -

    het (verkort) proces-verbaal van comparitie, gehouden op 3 mei 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Reparco is een onderneming die zich bezighoudt met de verwerking (recycling) van oud papier. Reparco koopt daartoe oud papier en karton in (onder andere bij diverse gemeentes) en verwerkt deze input, door middel van sorteren (met een sorteermachine) en de-inkting van de pulp (met een DIP6-machine), tot een product dat aan papierfabrikanten kan worden geleverd.

2.2.

[gedaagde] is een onderneming die zich bezighoudt met het produceren van machines op het gebied van sortering en recycling.

2.3.

Na het doorlopen van een tenderprocedure voor een nieuwe sorteermachine en voedingssysteem (DIP6) zijn partijen met elkaar in zee gegaan.

Sorteermachineovereenkomst

2.4.

Op 4 juli 2014 hebben partijen een overeenkomst gesloten tot levering en installatie van een sorteermachine voor € 2.800.000,00 (hierna: de sorteermachineovereenkomst).

2.5.

Partijen zijn daarbij (in Appendix 2 ‘Guarantees’ en Appendix 3 ‘Scope of Work’) overeengekomen dat de sorteermachine op basis van onderstaande input(tabel) in staat moet zijn om een output te leveren van 35 ton per uur, te weten 240.000 ton per jaar (inclusief onderhoudstijd).

Appendix 2:

Appendix 3:

2.6.

Partijen zijn bovendien (in Appendix 6 ‘Contract Control Schedule’) het navolgende tijdschema overeengekomen:

2.7.

In Appendix 1 ‘Purchase Conditions’ is de volgende bepaling opgenomen:

(…)

2.8.

In Appendix 4 ‘Compensation’ zijn de volgende bepalingen opgenomen:

2.9.

Reparco heeft de eerste twee termijnen van in totaal 70% en voor een totaalbedrag van € 1.960.000,00 voldaan. De Take-over test is niet gehouden en Reparco heeft geen Take-over certificaat getekend. De laatste twee termijnen van in totaal 30% en voor een totaalbedrag van € 840.000,00 zijn niet betaald.

2.10.

Bij brief van 17 juni 2015 heeft Reparco de sorteermachineovereenkomst (gedeeltelijk) ontbonden omdat de sorteermachine niet de hoeveelheid en kwaliteit output levert die is overeengekomen. Reparco beroept zich op artikel 17.7 sub a en c van Appendix 1. Daarbij stelt Reparco dat de eigendom van de sorteermachine automatisch overgaat omdat de termijnbedragen voor de behaalde milestones zijn betaald. Verder maakt Reparco aanspraak op Liquidates Damages van € 560.000,00 omdat op 12 januari 2015 geen take-over heeft plaatsgevonden. Tot slot maakt Reparco aanspraak op betaling van de ingesloten factuur voor brandwachtenkosten en steigerkosten voor in totaal € 15.049,64 exclusief btw.

DIP6-overeenkomst

2.11.

Voor de levering en installatie van het voedingssysteem, tevens verbinding met de sorteermachine, te weten de DIP6, hebben partijen op 19 september 2014 een overeenkomst gesloten voor € 420.000,00 (hierna: de DIP6-overeenkomst).

2.12.

Partijen zijn (in Appendix 6 ‘Contract Control Schedule’) het navolgende tijdschema overeengekomen:

2.13.

In Appendix 4 ‘Compensation’ zijn de volgende bepalingen opgenomen:

2.14.

Reparco heeft de eerste twee termijnen van in totaal 70% en voor een totaalbedrag van € 294.000,00 voldaan. De Take-over test is niet gehouden en Reparco heeft geen Take-over certificaat getekend. De laatste twee termijnen van in totaal 30% en voor een totaalbedrag van € 126.000,00 zijn niet betaald.

2.15.

Bij (separate) brief van 17 juni 2015 heeft Reparco aanspraak gemaakt op Liquidates Damages van € 84.000,00 omdat op 18 december 2014 geen take-over heeft plaatsgevonden. Daarnaast wordt betaling gevraagd van een factuur voor brandwachtenkosten en steigerkosten van € 73.721,52 exclusief btw. Tot slot wordt [gedaagde] verzocht om de ingevulde certificates of take-over en acceptance toe te sturen.

2.16.

Bij brief van 29 juni 2015 heeft [gedaagde] aanspraak gemaakt op betaling van de resterende koopsommen van de sorteermachine en de DIP6-machine.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Reparco vordert samengevat - voor recht te verklaren dat de sorteermachineovereenkomst van 4 juli 2014 partieel is ontbonden bij brief van 17 juni 2015 met betrekking tot de nog te verrichten prestaties over en weer na 17 juni 2015 en [gedaagde] met betrekking tot de sorteermachine te veroordelen tot betaling van:

  • -

    € 560.000,00 aan Liquidated Damages;

  • -

    € 13.877,00 voor brandwachtkosten;

  • -

    € 1.172,64 voor steigerkosten;

  • -

    € 162.791,00 voor kosten inschakelen extra sorteermedewerkers tot en met 17 juni 2015,

en met betrekking tot de DIP6-overeenkomst [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:

  • -

    € 84.000,00 Liquidated Damages;

  • -

    € 37.140,00 voor brandwachtkosten;

  • -

    € 28.146,57 voor steigerkosten;

  • -

    € 7.262,31 voor overige kosten

  • -

    € 62.582,00 voor door Reparco uitgevoerde werkzaamheden ten aanzien van de overige tekortkomingen, alsmede [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 6.559,86 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander vermeerderd met rente en (na)kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert - samengevat - primair veroordeling van Reparco tot betaling van de resterende koopsom van de sorteermachine van € 840.000,00 en tot betaling van de resterende koopsom van de DIP6-machine van € 126.000,00, vermeerderd met rente en (na)kosten. Subsidiair vordert [gedaagde] om Reparco te veroordelen tot betaling van een maandelijkse vergoeding van € 14.000,00 voor het gebruik van de sorteermachine vanaf maart 2015 tot het maximale bedrag van € 840.000,00 is bereikt en tot betaling van een maandelijkse vergoeding van € 2.100,00 voor het gebruik van de DIP6-machine vanaf maart 2015 tot het maximale bedrag van € 126.000,00 is bereikt. Daarnaast vordert [gedaagde] voor recht te verklaren dat Reparco de inputgarantie voor de sorteermachine heeft geschonden alsmede dat Reparco de sorteermachineovereenkomst ten onrechte op 17 juni 2015 heeft ontbonden.

Voorts vordert [gedaagde] dat de rechtbank al hetgeen [gedaagde] in conventie aan Reparco verschuldigd zal zijn verrekent met al hetgeen Reparco in reconventie aan [gedaagde] verschuldigd zal zijn, met veroordeling van Reparco in de proceskosten en de nakosten.

3.5.

Reparco voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

De sorteermachine

Liquidated Damages verbeurd en partiële ontbinding gerechtvaardigd

4.1.

Voor de sorteermachine zijn partijen 12 januari 2015 als Take-over Date overeengekomen. Deze datum is niet gehaald. Partijen hebben in hun overeenkomst deze datum aangemerkt als een fatale datum en zij zijn in artikel 17.1, eerste en vierde lid, van Appendix 1 overeengekomen dat [gedaagde] bij overschrijding van deze datum Liquidated Damages verschuldigd is, tenzij sprake is van overmacht (Force Majeure) of [gedaagde] aantoont dat de vertraging is te wijten aan oorzaken die niet aan haar en haar hulppersonen zijn toe te rekenen.

4.2.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] zich kan beroepen op overmacht. Wel stelt zij dat de vertraging is te wijten aan oorzaken, die niet aan haar kunnen worden toegerekend.

4.3.

[gedaagde] stelt namelijk in haar conclusie van antwoord dat bij de uitvoering van de sorteermachineovereenkomst vertraging is ontstaan doordat de fundering niet tijdig en correct is opgeleverd door Reparco en [gedaagde] stelt dat de hierdoor ontstane vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan Reparco zelf. Reparco heeft hierop in haar conclusie van antwoord in reconventie, die ook de conventie bestrijkt, gereageerd met de stelling dat partijen, juist omdat aanvankelijk enkele problemen bestonden ten aanzien van de fundering van de sorteermachine, in gezamenlijk overleg hebben besloten om de opleverdata met een aantal weken op te schuiven. De Take-over datum was aanvankelijk bepaald op 12 december 2014 en werd verschoven naar 12 januari 2015. Ter comparitie is [gedaagde] hier niet meer op teruggekomen. In het bijzonder heeft zij niet betwist dat juist vanwege problemen met de fundering de Take-over datum een maand is opgeschoven. Daarmee beschouwt de rechtbank het verweer dat de vertraging vanwege die fundering niet aan [gedaagde] maar aan Reparco moet worden toegerekend als afdoende weerlegd.

4.4.

Voorts stelt [gedaagde] in die conclusie, en dit herhaalt zij wel ter comparitie, dat haar outputgaranties rechtstreeks zijn gerelateerd aan de door Reparco gespecificeerde eigenschappen van de afvalstroom en dat Reparco een inputgarantie heeft gegeven die zij heeft geschonden. [gedaagde] wijst erop dat de inputgegevens van Appendix 3 nagenoeg gelijk zijn aan die van een eerdere overeenkomst van 2005 en [gedaagde] betoogt dat hierbij geen rekening kan zijn gehouden met de significante wijzigingen in de afvalstromen die zich het afgelopen decennium hebben voorgedaan. [gedaagde] stelt dat Reparco nimmer helderheid heeft verschaft over de werkelijke samenstelling van de input van de sorteermachine en [gedaagde] betwist dat zij de garantiebepalingen inzake de output heeft geschonden, aangezien Reparco niet heeft weten aan te tonen dat de gegarandeerde input wordt gehaald. Tevens legt [gedaagde] een verband met het ontbreken van de in haar ontwerpen gebruikelijke fijnzeef, die op verzoek van Reparco uit het ontwerp zou zijn gehaald.

4.5.

Als de rechtbank [gedaagde] goed begrijpt, dan wil zij met dit een en ander betogen dat Reparco ten onrechte weigerde om het voor de Take-over verlangde Take-over certificaat af te geven omdat de machine bij de eerste testen niet voldeed aan de in artikel 2 van Appendix 2 beschreven vereisten, aangezien dit was te wijten aan een andere dan de overeengekomen input en/of het ontbreken van een fijnzeef.

4.6.

Te dien aanzien overweegt de rechtbank dat Reparco heeft betwist dat zij een inputgarantie heeft gegeven en dat zij de toepassing van een fijnzeef heeft verboden. Voorts heeft Reparco gedocumenteerd gesteld dat de input steeds binnen de range van de tabel in Appendix 3 is gebleven. Hierop komt de rechtbank nog terug, maar op het punt van de vertraging in de oplevering is het een noch het ander van belang. De rechtbank motiveert dit als volgt.

4.7.

Nog daargelaten dat niet is weersproken dat de eerste testen pas konden plaatsvinden in de week van 14 februari 2015, dus een maand na de nader overeengekomen Take-over datum, geldt immers dat noch een mogelijke afwijking in de samenstelling van de input, noch het ontbreken van een fijnzeef kan worden aangemerkt als een niet aan [gedaagde] toerekenbare oorzaak voor de vertraging in de oplevering. Partijen zijn fatale data overeengekomen, bij overschrijding waarvan [gedaagde] boetes c.q. een gefixeerde schadevergoeding zou verbeuren. [gedaagde] had er dus groot belang bij en diende ervoor te zorgen dat die data werden gehaald. Indien [gedaagde] twijfels heeft/had aan de samenstelling van de input, dan had zij erop moeten aandringen, en zo nodig Reparco moeten sommeren, om een gedegen Take-over test uit te voeren in haar aanwezigheid en dan had zij, [gedaagde] , daarbij zelf niet op het blote oog en op basis van één of een paar samples, maar grondig en gedurende langere tijd, moeten controleren of de machine werd gevoed met materiaal dat qua samenstelling beantwoordde aan de beschrijving in Appendix 3 en viel binnen de afgebakende marges. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] dat onomwonden en ook tijdig, dit wil zeggen vóór het vollopen van de Liquidated Damages, heeft gedaan.

4.8.

Wat betreft de fijnzeef oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] , indien zij meent dat een fijnzeef noodzakelijk is, geen machine zonder fijnzeef had moeten aanbieden. [gedaagde] en niet Reparco is de voor het resultaat verantwoordelijke machinebouwer.

4.9.

De slotsom is dat [gedaagde] Liquidated Damages heeft verbeurd vanaf 12 januari 2015. Het gaat om 0,3% van de contractprijs per dag met een maximum van 20% in totaal. Dit maximum is bereikt na (20/0.3) = 67 dagen en was dus bereikt vóór de brief van Reparco van 17 juni 2015, waarbij zij de sorteermachineovereenkomst partieel ontbond. Reparco heeft daarom aanspraak op die boete/gefixeerde schadevergoeding van 20% ter hoogte van € 560.000,00.

4.10.

Voorts was de ontbinding gerechtvaardigd, reeds op grond van artikel 17.7 aanhef en sub a van Appendix 1 (ontbinding op grond van de vertraging). De vraag of de ontbinding tevens gerechtvaardigd was vanwege de tekortkomingen in de outputgaranties van [gedaagde] hoeft niet beantwoord te worden. De gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen.

4.11.

De partiële ontbinding ontsloeg beide partijen van hun verdere verbintenissen. [gedaagde] hoefde niet verder te werken aan de machine en Reparco hoefde de laatste twee termijnen (van 10% en 20%) niet meer te betalen. Die termijnen zouden immers pas vervallen bij de Take-over, respectievelijk de definitieve oplevering.

Compensatie voor behoud machine

4.12.

Op grond van de slotzin van artikel 17.7 van Appendix 1 van de sorteermachine-overeenkomst kan Reparco opteren voor behoud van de machine, hetgeen zij doet. Daartegenover zal zij [gedaagde] moeten compenseren voor dat behoud. De vraag is welke compensatie passend is.

4.13.

[gedaagde] meent dat Reparco het volledige restant van de koopsom (30%) moet betalen, omdat Reparco ten onrechte heeft ontbonden. Reparco daarentegen gaat ervan uit dat zij niets meer hoeft te betalen voor het behoud van de machine, omdat zij, nog afgezien van haar verdere aanspraken, met de gedane termijnbetalingen van in totaal 70% (25% bij de ondertekening en 45% bij de levering van de belts, screens en bunkers) reeds voldoende heeft betaald voor de machine in deze niet-opgeleverde staat.

4.14.

De rechtbank overweegt dat de waarde van een machine als deze uiteraard hoofdzakelijk afhangt van de productiecapaciteit en -kwaliteit en van de gebruiks- en bedieningskosten. De machine is de afgelopen jaar steeds in gebruik geweest en Reparco heeft voor de comparitie een historisch overzicht in het geding gebracht van de resultaten in de periode van week 7 van 2015 tot week 10 van 2017 (productie 39). Het gaat daarbij om in totaal 4197 metingen (1184 samples input en 3013 samples output). Volgens dit overzicht was de de-ink output 186.576 ton per jaar, terwijl [gedaagde] in de sorteermachine-overeenkomst 240.000 ton had gegarandeerd. Voorts was de productiviteit 83% terwijl 95% was gegarandeerd, was de output/input 64% in plaats van de gegarandeerde 72,20% en was de bemanning gemiddeld 10,83 in plaats van de gegarandeerde 8. Daarnaast was volgens dit overzicht de kwaliteit van de output ook ver onder de maat. De contaminatie bleek 6,22% te zijn in plaats van de gegarandeerde 3,87%.

4.15.

Het komt erop neer dat de machine volgens dit historisch overzicht 62 - 88% onderpresteerde ten opzichte van de contractgaranties, terwijl volgens het overzicht de input (1184 samples) qua contaminatie en aandeel De-ink steeds ruimschoots binnen de marges van de desbetreffende tabel bleef en zelfs vrijwel steeds ruim onder respectievelijk boven het opgegeven gemiddelde.

4.16.

Het overzicht van Reparco is door [gedaagde] bij gebrek aan inzicht bestreden, maar dit is niet genoeg. [gedaagde] baseert haar kritiek op de uitgelezen resultaten vooral op de stelling dat de inputgegevens niet in overeenstemming zijn met de marktgegevens. Volgens [gedaagde] is het niet mogelijk dat de verwerkte afvalstroom overeenstemt met de inputparameters van Appendix 3, omdat die parameters vrijwel gelijk zijn aan de parameters die in 2005 werden aangenomen, terwijl de markt in de tussentijd is veranderd en bijvoorbeeld de printoplages van kranten enorm zijn gedaald. Deze betwisting van de meetgegevens van Reparco heeft [gedaagde] verder niet hard kunnen maken, omdat [gedaagde] geen toegang heeft tot het digitale uitleessysteem van de sorteermachine.

4.17.

Op de comparitie is met partijen besproken dat wellicht aan een deskundige zou kunnen worden voorgelegd hoeveel de machine in de (niet-)opgeleverde staat waard is. Bij nader inzien vindt de rechtbank dat niet nodig. De rechtbank motiveert dit als volgt.

4.18.

Juridisch heeft te gelden dat [gedaagde] geen Take-over heeft kunnen bewerkstelligen, dat [gedaagde] het maximum aan Liquidated Damages heeft verbeurd en dat [gedaagde] zich daarom moet laten welgevallen dat Reparco de overeenkomst heeft ontbonden met behoud van de formeel nog niet opgeleverde machine. Nu bepaalt de sorteermachineovereenkomst dat [gedaagde] in dat geval aanspraak heeft op een compensatie voor het behoud van de machine, maar daarmee rusten de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de geldswaarde van die aanspraak op [gedaagde] . In deze context kan [gedaagde] niet volstaan met haar aanvechting van de stellingen en producties van Reparco, maar zal zij zelf concrete gegevens moeten aanleveren op basis waarvan die waarde, voor zoveel nodig na bewijslevering, kan worden vastgesteld. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] heeft volstaan met de stelling dat zij aanspraak heeft op de volledige koopsom, omdat twijfelachtig is of de input in overeenstemming was met de opgave in Appendix 3 en Reparco daarom de overeenkomst ten onrechte heeft ontbonden. Dit standpunt is hierboven verworpen. Omtrent de hoogte van de aan haar toekomende compensatie na ontbinding heeft [gedaagde] verder niets gesteld. Op dit onderdeel rust op [gedaagde] wel de stelplicht en daaraan heeft zij niet voldaan. In elk geval had [gedaagde] concrete data moeten stellen tegenover de gegevens, die Reparco heeft aangeleverd, waarmee Reparco goed gemotiveerd heeft bestreden dat de machine in deze niet-opgeleverde staat meer waard is dan wat zij er reeds voor heeft betaald.

4.19.

[gedaagde] heeft dus niet aan haar stelplicht voldaan en daarom komt haar geen verdere compensatie toe voor het behoud van de machine door Reparco.

Brandwacht-, steiger- en extra personeelkosten

4.20.

Dan is nu nog de vraag of Reparco tevens aanspraak heeft op vergoeding van de door haar geclaimde 50% van de brandwachtkosten en de steigerkosten ten bedrage van € 15.049,64 tezamen, alsmede de kosten van extra personeel tot aan 17 juni 2015 ten bedrage van € 162.791,00. [gedaagde] heeft deze bijkomende vorderingen gemotiveerd bestreden en de rechtbank zal deze vorderingen afwijzen. De rechtbank motiveert dit als volgt.

4.21.

Met betrekking tot de brandwachtkosten beroept Reparco zich op een bespreking van 21 augustus 2014, waarin in afwijking van artikel 2.14 van Appendix 5 zou zijn overeengekomen dat [gedaagde] 50% van de kosten in verband met het inschakelen van brandwachten zou vergoeden. In die paragraaf van Appendix 5 bij de sorteermachineovereenkomst, revision date 10 juni 2014, is bepaald dat beide partijen de ‘Fire protection equipment during erection’ moeten aanleveren en betalen. Dit gaat dus uitsluitend over het delen van materiaalkosten en niet die van de inzet van personeel.

4.22.

Voor het tot stand komen van de gestelde nadere en afwijkende afspraak over de personeelskosten beroept Reparco zich op een besprekingsverslag, door haar overgelegd als productie 32. Dit betreft echter slechts een interne e-mail van de heer Martens van Reparco aan een externe adviseur en een aantal betrokkenen van Reparco en Parenco. Deze e-mail is niet aan een van de betrokkenen van [gedaagde] ter kennisneming toegestuurd. In die e-mail wordt verslag gedaan van een meeting met [gedaagde] , maar in het overgelegde afschrift is vrijwel alles onleesbaar gemaakt, met name ook het grootste deel van de tekst onder punt 5 ‘Brandwacht’. Het enige wat daar leesbaar is gelaten is: ‘ [gedaagde] is akkoord dat ze de helft van de brandwachtkosten betalen’, waarna vijfeneenhalve regel tekst is zwartgemaakt. Aan deze productie komt geen of nauwelijks bewijskracht toe.

4.23.

De gestelde, maar betwiste, aanvullende afspraak staat dus niet vast. De vraag is of Reparco moet worden toegelaten om die nadere afspraak met betrekking tot de brandwachtkosten met getuigen te bewijzen, waarbij de rechtbank constateert dat Reparco dit niet expliciet aanbiedt in haar verder wel gespecificeerde bewijsaanbod onder randnummer 10.2 van haar dagvaarding.

4.24.

De rechtbank zal dat bewijs niet opdragen, noch Reparco daartoe toelaten, omdat het hoe dan ook moet gaan om een onderdeel van de sorteermachineovereenkomst. Daarbij gaat het niet om schadevergoeding wegens enige tekortkoming door [gedaagde] , maar om nakoming van een nadere afspraak met betrekking tot de sorteermachine en Reparco heeft de sorteermachineovereenkomst nu juist ontbonden. Zij kan dan ook geen verdere nakoming van die overeenkomst vorderen. Weliswaar was de ontbinding slechts partieel en gold zij volgens Reparco uitsluitend voor de over en weer nog te verrichten prestaties, maar te dien aanzien geldt dat Reparco volgens de overgelegde stukken voor het eerst in de ontbindingsbrief van 17 juni 2015 aanspraak maakte op een bijdrage in haar brandwachtkosten, terwijl die kosten reeds vele maanden voordien (voor het laatst in week 5 van 2015, zie productie 33) waren gemaakt. Het gaat dan niet aan om deze kosten achteraf na de ontbinding alsnog te vorderen.

4.25.

Met betrekking tot de steigerkosten beroept Reparco zich op artikel 5.2.1 van Appendix 5, waar is bepaald dat in de oprichtingsfase de scaffoldings worden aangeleverd en betaald door [gedaagde] . Hiervoor geldt hetzelfde. Reparco vordert geen schadevergoeding, maar nakoming van een overeenkomst die zij zelf heeft ontbonden, terwijl zij voor het eerst in de ontbindingsbrief aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van kosten, die zij vier maanden voordien zonder overleg met [gedaagde] had gemaakt (zie productie 34).

4.26.

De vordering tot vergoeding van de kosten van extra personeel om de sorteermachine te bemannen tot de ontbindingsdatum is geen vordering tot nakoming als bedoeld in artikel 3:296 BW. Deze vordering kwalificeert als een vordering tot schadevergoeding ex artikel 6:74 BW. De grondslag is dat [gedaagde] in Appendix 2 een maximum aan contaminatie heeft gegarandeerd, uitgaande van een bepaalde input en inzet van 8 sorteermedewerkers. Reparco stelt dat [gedaagde] die garantie heeft geschonden en in haar verbintenis is tekortgeschoten. Aan de hand van een door haar opgesteld overzicht (productie 35) stelt Reparco dat zij in de weken 6 tot en met 26 van 2015, dus vanaf de eerste testen tot aan de ontbinding, gemiddeld 10 in plaats van 8 uitzendkrachten heeft moeten inzetten, hetgeen haar € 162.791,00 heeft gekost.

4.27.

Nog daargelaten dat de sorteermachine niet definitief is opgeleverd en dat Reparco in de pre-opleveringsfase geen beroep kan doen op de uitgangspunten en garanties van Appendix 2, moet deze vordering worden afgewezen, omdat deze schadepost wordt gedekt door de Liquidated Damages. Nu daarvan niet uitdrukkelijk in de sorteermachineovereenkomst is afgeweken, kwalificeren de Liquidated Damages op grond van artikel 6:92 lid 2 BW als een boete waarin de vergoeding van vertragingsschade is begrepen. Het gaat hier om vertragingsschade, nu niet kan worden uitgesloten dat [gedaagde] , indien zij haar werk tijdig had afgemaakt en de overeenkomst niet was ontbonden, een deugdelijke sorteermachine had kunnen opleveren die wel met 8 sorteermedewerkers kon worden bediend.

Slotsom ten aanzien van de sorteermachine

4.28.

De slotsom is dat de gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen en dat Reparco verder inzake de sorteermachine uitsluitend aanspraak heeft op het gevorderde bedrag van € 560.000,00 aan Liquidated Damages, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2015.

4.29.

Het betoog van [gedaagde] dat de rente niet toewijsbaar is, omdat de brief van 17 juni 2015, productie 21, geen ingebrekestelling bevat en zij derhalve niet vanaf 1 juli 2015 in verzuim was, berust op een onwelwillende lezing van die brief. Het is wel waar dat [gedaagde] in die brief niet wordt aangemaand, maar slechts verzocht om het bedrag van € 560.000,00 aan Liquidated Damages te betalen, maar aan dat verzoek is toegevoegd dat Reparco nadere juridische stappen zal ondernemen als het bedrag niet uiterlijk op 1 juli 2015 op haar rekening is bijgeschreven, alsmede dat [gedaagde] vanaf dat moment ook wettelijke handelsrente verschuldigd is. Dit moet in redelijkheid worden gezien als een afdoende aanmaning in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW, terwijl voorts geldt dat de Liquidated Damages op grond van de sorteermachineovereenkomst dagelijks betaald dienden te worden vanaf de niet-gehaalde Take-over datum. Op grond van artikel 6:119a lid 1 BW was [gedaagde] daarom de rente zelfs reeds verschuldigd vanaf de dag na het verbeuren van de boete.

De DIP6-machine

Liquidated Damages verbeurd

4.30.

Bij de DIP6-machine, waarvoor de overeenkomst later werd gesloten dan de sorteermachineovereenkomst, maar een eerdere opleverdatum was overeengekomen, was volgens het desbetreffende schema de fatale Take-over datum 18 december 2014. Om verschillende redenen, die waarschijnlijk niet allemaal aan [gedaagde] konden worden toegerekend, is ook deze datum niet gehaald. Daarover is veelvuldig overleg gepleegd en bij schrijven van 13 maart 2015 (productie 25) heeft Reparco in reactie op het desbetreffende voorstel van [gedaagde] (e-mail van 12 maart 2015, productie 36) ermee ingestemd dat in de laatste week van maart 2015, zijnde week 14, nog een aantal aanpassingen zouden worden doorgevoerd en dat daarna de formele Take-over alsnog zou plaatsvinden.
Dit laatste is niet gebeurd. Niet alle aanpassing zijn doorgevoerd en het Take-over certificaat is, ondanks verzoek van Reparco bij brief van 17 juni 2015, nog steeds niet gepresenteerd en ondertekend.

4.31.

Reparco maakt nu aanspraak op de maximale Liquidated Damages ten belope van € 84.000,00 en weigert de laatste 30% van de koopprijs ten bedrage van eveneens € 84.000,00 te betalen, omdat deze laatste termijnen niet opeisbaar zijn bij gebreke van een goedgekeurd Certificate of Take-over en Certificate of Acceptance.

4.32.

[gedaagde] beroept zich erop dat zij veel werkzaamheden heeft moeten verrichten die niet waren voorzien en die moeten worden toegerekend aan Reparco, bijvoorbeeld omdat een te verplaatsen transportband van aanzienlijk slechtere kwaliteit was dan vooraf door Reparco was gecommuniceerd en Reparco, in de optiek van [gedaagde] , vervolgens telkens opnieuw met, volgens [gedaagde] ongegronde, eisen aankwam en op vertraging en verbeurte van Liquidated Damages uit was. [gedaagde] vermoedt dat daarbij heeft meegespeeld dat de DIP6-machine toch niet operationeel kon worden voordat de sorteermachine in bedrijf was gesteld.

4.33.

De rechtbank laat dit in het midden en sluit geenszins uit dat de vertraging in de oplevering niet volledig aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Dit kan echter niet worden gezegd voor bijvoorbeeld de te zwakke ondersteuningsconstructie van laadband 2, waardoor de machine niet stabiel was en doorzakte, waarvoor extra schoren moesten worden geplaatst, en dit gaat ook niet op voor de slipgevaarlijke helling bij het bordes, die in strijd is met de NEN-norm en waarvoor nog een oplossing moest worden gezocht, waarop de rechtbank hieronder terugkomt. Voorts geldt dat [gedaagde] zelf in haar e-mail van 12 maart 2015, productie 36, voorstelde dat zij zou proberen om een tamelijk groot aantal restpunten op te lossen in week 14, welke restpunten zij kennelijk minst genomen ten dele tot haar taak rekende, en dat [gedaagde] niet heeft weersproken dat dat niet is gelukt.

4.34.

Inmiddels, dit wil zeggen in week 14 van 2015, was de overeengekomen fatale Take-over datum reeds meer dan 3 maanden verstreken en ook hier geldt, evenals bij de sorteermachine, dat het op de weg van [gedaagde] lag om te voorkomen dat zij de overeengekomen Liquidated Damages zou gaan verbeuren en dat zij daarom tijdig de werkzaamheden, die zij zelf nodig vond, had moeten uitvoeren en vervolgens Reparco onomwonden had moeten verzoeken en zo nodig sommeren om over te gaan tot een Take-over test en ondertekening van het Take-over certificaat.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] dat heeft gedaan. Integendeel, alles wijst erop dat [gedaagde] het op zijn beloop heeft gelaten, zulks terwijl Reparco reeds in haar brief van 13 maart 2015 heel duidelijk onder haar aandacht had gebracht dat volgens Reparco de Liquidated Damages op dat moment al tot het maximum waren verbeurd.

4.35.

De Take-over heeft nog steeds niet plaatsgevonden en dat maximum was ten tijde van de brief van 17 juni 2015, meer dan 67 dagen na week 14, in elk geval volgelopen, ook als ervan zou worden uitgegaan dat Reparco heeft ingestemd met een nadere Take-over datum aan het eind van week 14.

4.36.

De desbetreffende vordering van Reparco ten bedrage van € 84.000,00 kan dus worden toegewezen. Ook hier kan de gevorderde de wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2015 worden toegewezen, zulks op grond van het eerste lid van artikel 6:119a BW.

Brandwacht-, steiger- en overige kosten

4.37.

Ten aanzien van de DIP6-machine maakt Reparco aanspraak op vergoeding van

€ 37.140,00 voor brandwachtkosten, € 28.146,57 voor steigerkosten en € 7.262,31 voor
overige kosten.

4.38.

Voor de brandwachtkosten beroept Reparco zich op artikel 2.17 van de PS02B standaard, zijnde algemene voorwaarden die in Appendix 3 van toepassing zouden zijn verklaard. Volgens artikel 2.17 van de overgelegde PS02B (productie 6) dient de supplier, [gedaagde] dus, te voorzien in ‘Fire guard at working place’ en zijn de kosten daarvan voor haar rekening. Reparco vordert nakoming van deze contractsbepaling, waarbij Reparco zich, anders dan bij de sorteermachine, rechtstreeks op de schriftelijke overeenkomst baseert en niet op een aanvullende mondelinge afspraak op 21 augustus 2014, hetgeen natuurlijk ook niet kan omdat de DIP6-overeenkomst pas nadien is gesloten en wel op 19 september 2014.

4.39.

[gedaagde] betwist dat de PS02B van toepassing is op de DIP6-overeenkomst, maar erkent wel dat de overgelegde PS02B standaard voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst door Reparco aan haar is toegezonden. [gedaagde] stelt echter dat in artikel 1.3 van Appendix 3 niet naar de PS02B wordt verwezen.

4.40.

Op zichzelf is dit juist. In artikel 1.3 van Appendix 3 wordt verwezen naar de PS2B standaard en dat was ook al gedaan in de Tender (pagina 13 van 19, productie 5). Ter comparitie is echter door Reparco gesteld dat de PS02B en de PS2B dezelfde algemene voorwaarden zijn, terwijl [gedaagde] in elk geval van haar kant niet heeft gesteld dat in de PS2B standaard iets anders is bepaald omtrent de brandwachtvoorziening dan in de aan haar toegestuurde PS02B standaard.

4.41.

Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde] uit de voorafgaande toezending van de PS02B standaard en de toepasselijk verklaring van een standaard, die met een vrijwel gelijke code werd aangeduid, in redelijkheid moeten begrijpen dat een brandwachtclausule van toepassing werd verklaard, die overeenstemde met de aan haar toegezonden clausule.

[gedaagde] is daarom ten aanzien van de DIP6-machine contractueel verplicht om in de brandwacht te voorzien en de kosten daarvan te betalen. Hier is de overeenkomst niet ontbonden door Reparco.

4.42.

Voorts betwist [gedaagde] de hoogte van de gevorderde brandwachtkosten. Die kosten zijn echter per week gespecificeerd in de bijlage van de brief van Reparco van 17 juni 2015, productie 26. Het gaat om een groot aantal uren in de weken 48 tot en met 52 van 2014 en om de weken 1 tot en met 4, 9 en 14 van 2015. Het gaat dus om de periode vóór de nader door Reparco geaccordeerde Take-over datum direct na de afwerking van de restpunten in week 14. Per week wordt opgegeven om hoeveel uren het gaat. Tevens wordt verwezen naar bonnummers.

4.43.

De betwisting van [gedaagde] beschouwt de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd. In aanmerking genomen dat de rechtbank heeft vastgesteld dat [gedaagde] contractueel verplicht was om in de brandwacht te voorzien en de kosten daarvan te betalen, heeft [gedaagde] in het bijzonder niet gemotiveerd betwist (i) dat zij die weken aan het werk is geweest, (ii) dat in die weken brandwacht nodig was, (iii) dat zij zelf niet heeft voorzien in die brandwacht en (iv) dat Reparco ervoor heeft gezorgd dat toch brandwacht aanwezig was.

4.44.

Hiermee oordeelt de rechtbank de vordering tot vergoeding van de gefactureerde brandwachtkosten ten bedrage van € 37.140,00 toewijsbaar. Omdat Reparco voor het eerst in haar brief van 17 juni 2015 aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van deze kosten zonder bijvoeging van een factuur met een betalingstermijn, zal de rechtbank hier de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW pas toekennen vanaf de dag van dagvaarding.

4.45.

Ten aanzien van de gevorderde steigerkosten heeft [gedaagde] weliswaar niet weersproken dat zij op grond van het contract voor de steigers moest zorgen, die zij nodig had voor de door haar uit te voeren werkzaamheden, maar [gedaagde] heeft wel gemotiveerd betwist dat zij dat niet heeft gedaan. [gedaagde] stelt dat zij haar eigen steigers en hoogwerker heeft gebruikt en zij betwist dat het nodig was om daarnaast ook gebruik te maken van andere steigers.

4.46.

Reparco stelt daartegenover dat [gedaagde] (ook) steigers van Reparco heeft gebruikt en nodig had, welke steigers zij, Reparco, al eerder had laten plaatsen en die langer moesten blijven staan vanwege de opgelopen vertragingen en tekortkomingen aan de DIP6-machine, maar dit is niet genoeg om de kosten van die (andere) steigers aan [gedaagde] in rekening te brengen.

4.47.

Voor zover die kosten niet reeds zijn gedekt met de gefixeerde vertragingsschadevergoeding (Reparco stelt immers dat de steigers langer moesten blijven staan vanwege de vertragingen), hadden partijen, om aanspraak te kunnen maken op een vergoeding voor het gebruik van de steigers van Reparco, hieromtrent in het werk nadere afspraken moeten maken, dan wel had Reparco tevoren in het werk, en niet pas achteraf, [gedaagde] moeten aanzeggen dat zij aanspraak zou maken op die vergoeding indien [gedaagde] (ook) van haar steigers gebruik zou maken. Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd. De gevorderde steigerkosten worden afgewezen.

4.48.

Voorts maakt Reparco in haar dagvaarding aanspraak op vergoeding van overige kosten ten belope van € 7.262,31. Het betreft kosten die zij in haar sommatiebrief van 17 juni 2015 heeft geclaimd voor herstel van constructiefouten en onjuiste plaatsing van de DIP6-machine, waardoor deze doorzakte en de elektrische bedrading moest worden hersteld (ad € 5.813,61) en voor een geplaatste noodvoorziening bij een te steile helling bij laadband 2 (ad € 1.448,70).

4.49.

[gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord deze posten bestreden en Reparco tegengeworpen dat deze vordering niet of onvoldoende is onderbouwd en dat Reparco de achterliggende gegevens en/of bescheiden niet in het geding heeft gebracht.

4.50.

Vervolgens heeft Reparco bij haar akte overlegging aanvullende producties als productie 43 in het geding gebracht een factuur van Mulder Metaal van 25 maart 2014 (dit zal 2015 moeten zijn, gezien het inkomststempel) ten bedrage van € 1.448,70 exclusief btw voor het aanbrengen van hoeklijnen op roosters, waarna op de comparitie uitgebreid is gesproken over de onjuiste hellinghoek, die in strijd is met de NEN-norm, welk euvel overigens, zo begrijpt de rechtbank, nog niet definitief is opgelost.

4.51.

Hiermee beschouwt de rechtbank deze schadepost wel als voldoende toegelicht en onderbouwd, maar toch niet toewijsbaar, omdat Reparco zich op het standpunt stelt dat het herstel van die hellinghoek tot het takenpakket van [gedaagde] behoorde en [gedaagde] dit in week 14 had moeten oplossen. Hieronder zal de rechtbank dit standpunt aanvaarden, maar dit brengt wel mee dat de kosten van het treffen van een noodvoorziening tijdens de vertraagde (en uiteindelijk niet uitgevoerde) herstelwerkzaamheden vallen onder de vertragingsschade, die is gedekt met de Liquidated Damages.

4.52.

De vordering tot vergoeding van herstelkosten ten bedrage van € 5.813,61 voor elektrische voorzieningen rondom de doorgezakte machine heeft, zo begrijpt de rechtbank uit de opstelling bij de sommatiebrief van 17 juni 2015 (productie 26), betrekking op werkzaamheden die ten dele op verzoek van [gedaagde] zouden zijn uitgevoerd door [persoon in uitoefening] . Deze vordering is na het verweer van [gedaagde] in haar conclusie van antwoord niet met onderliggende facturen en nadere documentatie onderbouwd en op de comparitie ook niet nader toegelicht. De rechtbank beschouwt deze, gemotiveerd door [gedaagde] betwiste, vordering daarmee als onvoldoende onderbouwd en deze vordering wordt daarom eveneens afgewezen.

Andere herstel- en afwerkkosten

4.53.

Ten slotte vordert Reparco nog betaling van een bedrag van € 62.582,00 voor het herstel of alsnog in orde maken van allerlei tekortkomingen, die door [gedaagde] volgens de restpuntenlijst in week 14 van 2015 zouden worden uitgevoerd, maar niet door haar zijn uitgevoerd.

4.54.

Ook hier werpt [gedaagde] aan Reparco tegen dat dit mogelijk valt onder de Liquidated Damages, maar overigens niet is onderbouwd, anders dan met een door Reparco zelf opgestelde opgave met globale bedragen, waarvan het grootste (€ 40.000,00) de helling van een bordes betreft, welk werk volgens [gedaagde] geen onderdeel uitmaakt van de overeenkomst met betrekking tot de DIP6-machine. Dit geldt volgens [gedaagde] ook voor een constructieberekening ten bedrage van € 4.000,00. [gedaagde] heeft zelf een constructieberekening laten uitvoeren door [persoon in uitoefening 2] en dit betreft, zo vermoedt [gedaagde] , een second opinion, die niet voor haar rekening behoort te komen. Voorts is sprake van een aanpassing van een schoorconstructie ten bedrage van € 3.000,00, welke schoorconstructie [gedaagde] stelt verwijderd te hebben op verzoek van Reparco zelf, terwijl overigens de kostprijs van een dergelijke constructie nog geen € 100,00 is. En dan is er nog de post ‘afwerkpunten’ ten bedrage van € 5.000,00 die in het geheel niet is onderbouwd.

4.55.

Vervolgens heeft Reparco bij de akte ten behoeve van de comparitie twee offertes overgelegd voor een oplossing ten aanzien van de helling van het bordes. De eerste is van [gedaagde] zelf (productie 44). Het betreft haar offerte van 16 maart 2015, die sluit op het bedrag van € 48.802,00. Voorts heeft Reparco een factuur overgelegd van Civil Engineering d.d. 10 april 2015 ten bedrage van € 2.420,00 voor een controleberekening van de ondersteuning voor de transportbanden (productie 46). De andere posten zijn niet nader met facturen of offertes onderbouwd.

4.56.

De rechtbank overweegt dat deze vordering toewijsbaar is ten aanzien van de herstelkosten voor het bordes. Uit de stukken en het verhandelde ter comparitie is duidelijk geworden dat door de inkorting van een laadband de hoek steiler is geworden, waardoor ook het bordes te steil werd en niet meer voldeed aan de NEN-norm die vereist is om een CE-markering (veiligheidscertificaat) te verkrijgen, terwijl de CE-markering onderdeel is van de DIP6-overeenkomst (artikel 1.3 van Appendix 3). Het is duidelijk dat deze gevaar zettende situatie ontoelaatbaar is en moet worden opgelost. [gedaagde] meent dat dit niet tot haar opdracht behoorde, maar de rechtbank oordeelt anders. [gedaagde] is de machinebouwer, die verantwoordelijk is voor de engineering en zij dient ervoor te zorgen dat een veilige machine wordt opgeleverd. Zij had dit euvel bij de aanneming van het werk moeten voorzien en haar aanbieding hierop af moeten stemmen en zij kan niet achteraf het standpunt innemen dat het in overeenstemming brengen van haar werk met de toepasselijke veiligheidsnorm meerwerk oplevert. Dat deed zij ook niet in haar e-mail van 10 maart 2015 (productie 48), waarin zij erkent dat het probleem met de helling en de gevaarlijke posities van het loopbordes met prioriteit moest worden verholpen, waaruit Reparco in redelijkheid heeft mogen afleiden dat [gedaagde] dit wel tot haar opdracht rekende. Desondanks heeft [gedaagde] dit niet willen uitvoeren. In haar restpuntenlijst, gevoegd bij haar e-mail van 12 maart 2015 (productie 36), komt dit euvel wel voor, maar geeft [gedaagde] aan dat zij dit niet in week 14 gaat oplossen, hetgeen wel van haar gevergd kon worden, vooral ook omdat [gedaagde] zelf het standpunt inneemt dat de DIP6-machine reeds operationeel was en gebruikt kon worden.

4.57.

Dit levert een tekortkoming op die Reparco aanspraak geeft op schadevergoeding, die niet valt onder de Liquidated Damages omdat het hier niet gaat om een vertraging in de uitvoering, maar een weigering daarvan.

4.58.

Aangezien [gedaagde] zelf uitgaat van een kostprijs van € 48.802,00 zal de rechtbank dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gewone wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. Het gaat om schadevergoeding en daarop heeft artikel 6:119a BW geen betrekking. Voorts is het herstelwerk nog niet uitgevoerd en betaald, dus het gaat hier om een abstracte schadebegroting, waarbij, in dit geval, geen grond bestaat voor een eerdere ingangsdatum van de rente.

4.59.

De andere onderdelen van deze vordering worden afgewezen. Die zijn onvoldoende onderbouwd met onderliggende documentatie en correcte facturen. Reparco heeft enkel een factuur van een bouwkundig adviseur aan [persoon in uitoefening 3] van 10 april 2015 overgelegd, maar dit is niet genoeg. Niet alleen gaat het hierbij om een veel lager bedrag dan de in de opstelling van 17 juni 2015 opgevoerde € 4.000,00, maar bovendien geldt dat Domatrac blijkens de stukken vanaf het begin zijdens Reparco als bouwbegeleider bij de opdracht betrokken is geweest. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de kosten van de hulppersoon van Reparco aan [gedaagde] in rekening kunnen worden gebracht.

Slotsom ten aanzien van de DIP6-machine

4.60.

De slotsom is dat toewijsbaar is: € 84.000,00 aan Liquidated Damages, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2015, alsmede € 37.140,00 voor brandwachtkosten en € 48.802,00 voor herstelkosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over het eerste bedrag en de gewone wettelijke rente over het tweede bedrag, beide vanaf de dag van dagvaarding, 9 augustus 2016.

Overige vorderingen

4.61.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat het grotendeels gaat om vorderingen tot nakoming en de vordering in overeenstemming is met

het desbetreffende Besluit.

4.62.

De rechtbank zal [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten en de nakosten. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van Reparco op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 77,75

- griffierecht 3.903,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 9.140,75

In reconventie

4.63.

Hetgeen in conventie is overwogen brengt mee dat Reparco reeds voldoende heeft betaald voor de sorteermachine en dat zij het restant van de aanneemsom niet meer hoeft te betalen, evenmin als een gebruiksvergoeding.

4.64.

De gevorderde verklaringen voor recht dat Reparco een inputgarantie heeft geschonden en de overeenkomst ten onrechte heeft ontbonden, zullen moeten worden afgewezen.

4.65.

Het ligt anders voor de DIP6-machine, waarbij de overeenkomst niet is ontbonden. Uit de stukken en het verhandelde ter comparitie volgt dat deze machine operationeel is, daadwerkelijk in gebruik is genomen en gereed is voor Take-over, met dien verstande dat, afgezien van enkele ondergeschikte afwerkpunten, de hellinghoek van het loopbordes nog moet worden aangepast. Voor deze tekortkoming wordt aan Reparco een vergoeding in geld toegewezen.

Onder deze omstandigheden kan, bij deze financiële compensatie, Reparco de ondertekening van een Take-over certificaat in redelijkheid niet weigeren. Dit brengt mee dat zij nu ook het restant van de koopsom ten bedrage van € 126.000,00 moet betalen. De rechtbank zal Reparco daartoe veroordelen. De rechtbank zal de gevorderde handelsrente toewijzen vanaf 14 dagen na de uitspraak van dit vonnis.

4.66.

[gedaagde] vordert nog dat de rechtbank hetgeen [gedaagde] in conventie aan Reparco verschuldigd is verrekend met hetgeen Reparco in reconventie aan [gedaagde] verschuldigd is. Dat zal de rechtbank niet doen. Het is aan [gedaagde] zelf om een verrekeningsverklaring uit te brengen.

4.67.

Omdat beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat de sorteermachineovereenkomst op 17 juni 2015 buitengerechtelijk partieel is ontbonden met betrekking tot de nog te verrichten prestaties over en weer na 17 juni 2015,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan Reparco te betalen een bedrag van € 729.942,00 (zevenhonderdnegenentwintig duizendnegenhonderdtweeënveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het bedrag van € 644.000,00 met ingang van 1 juli 2015 en over het bedrag van € 37.140,00 vanaf 9 augustus 2016 en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 48.802,00 vanaf 9 augustus 2016, alles tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding aan Reparco van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 6.559,86,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Reparco tot op heden begroot op € 9.140,75, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.6.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.8.

veroordeelt Reparco om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 126.000,00 (éénhonderdzesentwintig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag met ingang van 14 dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

5.9.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M.I. de Waele, mr. N.W. Huijgen en mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2017.