Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4108

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
03-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1468
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrag uitgekeerd van de inboedelverzekering vanwege roet- en rookschade aan de inboedel door een brand. Belastinginspecteur heeft dit bedrag meegenomen bij de vaststelling van het vermogen. Dit heeft geleid tot terugvordering van de voorschotten huurtoeslag voor dat jaar door Belastingdienst/Toeslagen. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres verweerder de schade-uitkering ten behoeve van de brand buiten beschouwing had moeten laten bij het vaststellen van het recht op huurtoeslag. Het geval van eiseres is vergelijkbaar met de situatie beschreven in artikel 5.3 tweede lid, onder c van de Wet IB 2001. Geen feitelijke draagkrachtverbetering omdat de uitgekeerde vergoeding bedoeld is ter compensatie van het verloren gegane vermogen in de inboedel. De door verweerde gehanteerde uitleg leidt tot het ongerijmde gevolg dat er in de jaren voor en na de schade-uitkering (namelijk als die is aangewend om een nieuwe boedel aan te schaffen) wel aanspraak bestaat op huurtoeslag en alleen niet in het jaar waarin de schadevergoeding wordt uitgekeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-08-2017
FutD 2017-2023

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1468

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: drs. C. Overduin),

en

[verweerder] te [plaats 1], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiseres om bij het vaststellen van de huurtoeslag over 2015 een bestanddeel van het toetsingsinkomen buiten beschouwing te laten, afgewezen.

Bij besluit van 7 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Burghardt.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres heeft op 10 december 2014 van de inboedelverzekering € 22630 uitgekeerd gekregen vanwege roet- en rookschade aan de inboedel door een brand. Dit heeft gevolgen gehad voor het vermogen van medebewoner [betrokkene]. Bij hem heeft dat geleid tot een door de belastinginspecteur vastgestelde grondslag voor sparen en beleggen van € 765 en daarmee tot een vermogen dat meer is dan het heffingsvrije vermogen uit de inkomstenbelasting; verweerder is ook van dit gegeven uitgegaan. Omdat volgens de regelgeving het vermogen van de medebewoner meetelt is hierdoor de huurtoeslag voor eiseres over 2015 definitief berekend op nihil en zijn eerder toegekende voorschotten teruggevorderd.

In deze procedure gaat het, gezien de inhoud van het primaire en bestreden besluit, alleen over de vraag of bovengenoemde schadevergoeding al of niet als bijzonder vermogen buiten beschouwing dient te blijven.

2. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat de schade-uitkering niet voorkomt in de lijst van artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene inkomensafhankelijke regelingen (Uitvoeringsregeling Awir) en om die reden kan dit bestanddeel niet buiten beschouwing worden gelaten.

3. Eiseres heeft op 12 juni 2017 nog aangevoerd dat, achteraf bekeken, [betrokkene] over een negatief vermogen beschikt. In het kader van zijn aanslag inkomstenbelasting heeft hij namelijk verzuimd melding te maken van een studieschuld van ruim € 50.000 op de peildatum 1 januari 2015. Verweerder is, gelet op dat feit en gelet op artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) gehouden in het voordeel van eiseres het recht op huurtoeslag te herzien. Voorts voert eiseres- samengevat- aan dat het onbegrijpelijk is dat de door eiseres ontvangen schade-uitkering niet gelijk wordt gesteld met de in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir genoemde gevallen.

4. Voor wat betreft de stelling dat verweerder op grond van een studieschuld van [betrokkene] niet mag uitgaan van het door de inspecteur van de Belastingdienst vastgestelde vermogen van [betrokkene] overweegt de rechtbank het volgende.

In de eerste plaats gaat dit geschil alleen over de vraag of de in geding zijnde schadevergoeding als bijzonder vermogen al dan niet buiten beschouwing moet blijven.

De door eiseres thans opgeworpen stelling gaat strikt genomen buiten dit geschil om.

Niettemin zal de rechtbank hierover ten overvloede het volgende zeggen.

Ter bepaling van de draagkracht, waarvan het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk is, dient verweerder ingevolge artikel 7, eerste lid, in verbinding met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir het verzamelinkomen, zoals in de aanslag inkomstenbelasting is opgenomen, in aanmerking te nemen. Verweerder heeft daarom bij de bepaling van de draagkracht terecht de aanslag inkomstenbelasting gevolgd, zoals die is vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst.

Een beroep op artikel 21a van de Awir en artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir kan eiseres niet baten.

Uit deze artikelen, gelezen in samenhang met artikel 20 van de Awir, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het op de weg van eiseres ligt om te bewerkstelligen dat de inspecteur van de Belastingdienst ambtshalve de aanslag in de door haar verlangde zin wijzigt. Als dat gebeurt kan verweerder indien nodig gebruik maken van artikel 20 van de Awir op grond van gewijzigde fiscale gegevens. Ter zitting is gebleken dat eiseres zich ook met een dergelijk verzoek tot de inspecteur heeft gewend.

Verweerder hier bevoegd maken zelf een oordeel te geven over het vermogen zou leiden tot een ongewenste doorkruising van verantwoordelijkheden en bevoegdheden.

5. Voor wat betreft de kern van het geschil overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 7, derde lid van de Awir bepaalt dat, indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, er geen aanspraak bestaat op een tegemoetkoming, indien bij de belanghebbende of, indien de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, zijn partner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van die wet.

Ingevolge artikel 47 van de Awir kan een afwijkende maatregel worden getroffen voor groepen van gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde lid, van de Awir leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De gevallen waarin kan worden afgeweken van deze regel zijn nader uitgewerkt in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir.

6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de situatie van eiseres niet voorkomt in de genoemde gevallen in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder desondanks de schade-uitkering van eiseres buiten beschouwing had moeten laten bij het vaststellen van het recht op huurtoeslag.

7. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres verweerder de schade-uitkering ten behoeve van de brand buiten beschouwing had moeten laten bij het vaststellen van het recht op huurtoeslag. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Vooropgesteld zij in de eerste plaats dat de rechtbank uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:225), rechtsoverweging 4.1, afleidt dat er in uitzonderlijke gevallen ruimte is om een geval gelijk te stellen met de wel in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir geregelde gevallen.

Voorts wijst de rechtbank erop dat artikel 47 van de Awir is ingevoerd voor situaties waarin de vermogenstoets ertoe zou leiden dat in strijd met de bedoeling van de wetgever geen of een lagere tegemoetkoming zou worden toegekend (aangehaald in de toelichting op artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir).

Vaststaat dat inboedel vrijgesteld vermogen is in de zin van Hoofdstuk 5 Wet IB 2001 en dat de waarde daarvan ook niet meetelt bij de rendementsgrondslag van artikel 5.3 van de Wet IB 2001. In het geval van eiseres is de inboedel verloren gegaan door een brand en heeft de inboedelverzekeraar een bedrag uitgekeerd waarmee eiseres deze kan vervangen. Het bedrag dat door de inboedelverzekeraar is uitgekeerd ziet dan ook op de waarde van de inboedel.

Het voorliggende geval van eiseres is daarmee naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbaar met de situatie beschreven in artikel 5.3 tweede lid, onder c van de Wet IB 2001. De rechtbank tekent daar nog bij aan dat van een feitelijke draagkrachtverbetering geen sprake is omdat de uitgekeerde vergoeding bedoeld is ter compensatie van het verloren gegane vermogen in de inboedel. Voorts leidt de door verweerde gehanteerde uitleg tot het ongerijmde gevolg dat er in de jaren voor en na de schade-uitkering (namelijk als die is aangewend om een nieuwe boedel aan te schaffen) wel aanspraak bestaat op huurtoeslag en alleen niet in het jaar waarin de schadevergoeding wordt uitgekeerd.

Dit alles overziende komt de rechtbank tot de conclusie dat de wetgever heeft gewild dat een schadevergoeding bedoeld voor een vermogensonderdeel dat al tot de uitzonderingen behoort in dat karakter van uitzondering deelt.

Verweerder had daarom de schade-uitkering buiten beschouwing dienen te laten op grond van artikel 47 van de Awir in samenhang met artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir.

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht groot € 46 aan haar vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 990.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.D. Endlich, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.