Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4076

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
C/05/322421 / KG ZA 17-313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht om bijstandsgerechtigden aan het werk te krijgen. Opzegging. Ook overeenkomst voor bepaalde tijd kan worden opgezegd, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit. Uitleg overeenkomst. Opzeggingsmogelijkheid beperkt. Of op goede gronden is opgezegd, kan niet worden vastgesteld. Vordering tot nakoming afgewezen op grond van belangenafweging. Van gemeente kan niet worden gevergd dat zij bijstandsgerechtigden blijft aanmelden voor deelneming aan een programma waarin zij geen vertrouwen meer heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/322421 / KG ZA 17-313

Vonnis in kort geding van 1 augustus 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P1 WERKT B.V.,

gevestigd te Oss,

eiseres,

advocaten mrs. C.G.P. Mennen en S.J. Beedie te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EDE,

zetelend te Ede,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Molenaar te Arnhem.

Partijen zullen hierna P1 en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de conclusie van antwoord in kort geding met producties van de gemeente

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van P1

- de pleitnota van de gemeente.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente is belast met de uitvoering van de Participatiewet. In dat verband is zij verantwoordelijk voor het versterken van de sociaaleconomische positie en de maatschappelijke participatie van de inwoners binnen haar gemeente. Onderdeel hiervan is de re-integratie van bijstandsgerechtigden naar de arbeidsmarkt. De gemeente beschikt daartoe over verschillende voorzieningen gericht op het doen participeren van de burgers in haar gemeente.

2.2.

P1 is een bedrijf dat een groepsdynamisch cognitief gedragsveranderend programma heeft ontwikkeld en aanbiedt, genaamd Focus. Het inzetten van dit programma is gericht op succesvolle re-integratie van bijstandsgerechtigden. Meer in het bijzonder is Focus een gedragsveranderend programma in groepsverband waardoor deelnemers met een grote tot middelgrote afstand tot de arbeidsmarkt door nieuwe inzichten weer kunnen participeren, en is zij gericht op het aanleren en versterken van positief gedrag. Deelnemers aan het programma Focus volgen een intensief programma van 32 uur per week, voor gemiddeld drie tot negen maanden. De groepsdynamiek is hierbij van groot belang. Gestreefd wordt naar groepsbewustzijn, structuur, motivatie en het bestaan van een gemeenschappelijk doel. In een groep moeten om die reden deelnemers van verschillend geslacht, uiteenlopende leeftijden, opleidingsniveau, diverse persoonlijke situaties en verschillende (etnische, culturele) achtergronden bij elkaar zitten. Iedere groep deelnemers in het programma Focus bestaat uit minimaal 7 en maximaal 13 deelnemers.

2.3.

In 2015 heeft P1 een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd in de gemeente Ede. Dit onderzoek had als doel te bekijken of er mogelijkheden waren om het programma Focus te implementeren binnen de huidige voorzieningen van de gemeente.

2.4.

Op 11 maart 2015 zijn de resultaten van het haalbaarheidsonderzoek gepubliceerd. In het daartoe opgemaakte rapport is onder meer het volgende opgenomen:

Het onderzoek heeft laten zien dat er voldoende aanleiding is om het programma FOCUS succesvol te kunnen implementeren binnen de gemeente Ede. De onderdelen binnen het programma om te komen tot pro-sociale motivatie, zelfmotivatie en daar waar nodig het gesloten ‘wij’-gevoel te doorbreken zijn in voldoende mate aanwezig in het programma.

(…)

P1 Werkt heeft geen belemmeringen aangetroffen voor de uitvoering van het programma Focus.

2.5.

Op 3 augustus 2015 hebben de gemeente en P1 de ‘Overeenkomst P1 Werkt BV, Dienstverlening re-integratie’ gesloten. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

Definities

Opdracht: opdracht van de gemeente Ede tot het verlenen van diensten zoals omschreven in artikel 1.

Deelnemer: een persoon die deelneemt aan, dan wel gebruik maakt van de diensten zoals omschreven in de opdracht.

Uitstroom: als definitie van uitstroom geldt dat de deelnemer door werkaanvaarding geen aanspraak maakt op een uitkering gedurende tenminste 6 maanden. Voor deelnemers waarvan is vastgesteld dat zij zijn aangewezen op parttime werk (bijvoorbeeld bepaalde alleenstaande ouders of cliënten met een arbeidshandicap) wordt gezocht naar passend werk in aard en omvang, waarbij de arbeidsmogelijkheden van de cliënt zo goed mogelijk worden benut. Plaatsingen voor de omvang van de beschikbaarheid worden voor deze deelnemers gezien als uitstroom. Deelnemers die direct geplaatst worden zonder programma interventie en tenminste 6 maanden uit de uitkering blijven.

Artikel 1 Opdracht

De gemeente Ede draagt op aan opdrachtnemer, welke deze opdracht aanvaardt, om gedurende de looptijd van deze overeenkomst diensten te verlenen.

Clusterbeschrijving: Focus, Dienstverlening re-integratie

Soort overeenkomst: Contract voor de duur van 3 jaar met een optie op verlenging van één jaar contract.

Omvang: Bandbreedte bedraagt 60 tot 100 klanten op jaarbasis.

Doelgroep

Personen die door gedrag en/of teleurstelling belemmerd worden duurzaam te participeren binnen de maatschappij, in hun (sociale) leven, arbeid en/of scholing. In overleg tot de doelgroep behoren personen met een langdurige drugsverslaving, met een ernstige lichamelijke handicap die deelname aan het traject verhindert, en zij die psychiatrisch, suïcidaal, zelfverwondend of anderszins ernstig afwijkend gedrag vertonen, een dusdanig hoge schulden problematiek verkregen uit criminele activiteiten, niet beschikbaar/belastbaar voor minimaal 32 uur dan wel een IQ hebben dat lager ligt dan 75.

Artikel 3 Tarieven

Opdrachtnemer levert het programma Focus tegen een bedrag van € 300.000 op jaarbasis. Met daarnaast een eenmalig voorschot van € 135.000 dat bedoeld is voor de opstart.

Opdrachtnemer stuurt twee keer per jaar een factuur met het bedrag van € 150.000 (zie artikel 10). De beoogde resultaatverplichting dient mede als basis van deze overeenkomst (zie artikel 4).

(…)

Artikel 4 Beoogd resultaat

Partijen hebben als beoogd resultaat 75% uitstroom (zie definities) van de deelnemers minimaal 6 maanden door werkaanvaarding geen gebruik te laten maken van een uitkering. Met uitzondering van het eerste jaar waarbij het beoogde resultaat 60% uitstroom (zie definities) van de deelnemers minimaal 6 maanden door werkaanvaarding geen gebruik te laten maken van een uitkering. Bij de evaluatie van de dienstverlening door opdrachtnemer zal dit percentage getoetst worden.

Artikel 6 Rapportages

a Opdrachtnemer dient maandelijks een rapportage aan te leveren ter attentie van de door de gemeente

aangewezen contactpersoon. De rapportage bevat de volgende informatie:

Aantal deelnemers instroom

Aantal deelnemers uitstroom

Uitstroomreden per deelnemer

b Opdrachtnemer levert per kandidaat een intakeverslag aan binnen 2 weken na de intake.

Artikel 11 Evaluatie

a. Partijen zullen per kwartaal een overleg organiseren waarbij de ingediende rapportages leidend zullen zijn.

b. De gemeente Ede kan periodiek onderzoek (laten) uitvoeren naar de resultaten die zijn behaald onder

deelnemers aan het project.

Artikel 15 Ontbinding

(…)

c. Wanneer opdrachtnemer het beoogde resultaat met een minimum van 60% uitstroom niet behaald gedurende ieder boekjaar (lopende van 1 januari tot en met 31 december). Heeft opdrachtgever het recht de opdracht te ontbinden, met in achtneming van een opzeg termijn van 6 maanden.

Artikel 17 Ingang en duur van de overeenkomst

De overeenkomst is aangegaan voor de periode van 3 jaar, aanvangend op 1 oktober 2015. Na de einddatum blijven de bepalingen van deze overeenkomst van kracht, voor zover dit voor de afwikkeling van de overeenkomst noodzakelijk is. Partijen hebben de mogelijkheid om onder gelijkblijvende voorwaarden het contract te verlengen.

Uiterlijk 1 juli 2018 wordt besloten of het programma na 1 oktober 2018 wordt voortgezet.

2.6.

Vanaf oktober 2015 heeft P1 kennismakings- en intakegesprekken gevoerd met potentiële deelnemers. In januari/februari 2016 is de eerste groep van start gegaan.

2.7.

Op 27 september 2016 hebben de gemeente en P1 een aanvullende overeenkomst gesloten. Hierin is opgenomen dat de per 3 augustus 2015 gesloten dienstverleningsovereenkomst tussen de gemeente en P1 per 1 oktober 2016 wordt uitgebreid met één extra groep per jaar. Deze extra groep zal 30 tot 50 klanten van de gemeente Ede bedienen en is specifiek opgezet voor problematische jongeren met overwegend een Marokkaans-Nederlandse achtergrond uit de wijk Veldhuizen te Ede.

2.8.

In november 2016 is de tweede groep van start gegaan.

2.9.

Bij brief van 18 november 2016 heeft P1 de gemeente geïnformeerd over de overname van P1 door Pit Strategie B.V.

2.10.

In het kader van het programma Focus is een stuurgroep ingesteld. De stuurgroep komt eens in de twee á drie maanden bij elkaar en bestaat uit zowel medewerkers van de gemeente als medewerkers van P1. In de notulen van de stuurgroepvergadering van 10 april 2017 is onder meer het volgende opgenomen:

Inleiding

Dit is de vierde stuurgroep. Gemeente Ede is ontevreden over de resultaten. Deze stuurgroep worden de resultaten besproken en conclusies getrokken.

1. Achterblijvend resultaat

Vanuit gemeente Ede is dit gesprek bedoeld om het contract te bespreken en het niet nakomen van de resultaatafspraken. Daadwerkelijke start 1 feb 2016. Inmiddels 14 maanden bezig en 16% uitstroom.

Bij aanvang van het project is 60% uitstroom naar werk afgesproken. Dit percentage is niet in beeld en dat is een somber perspectief.

2. Afspraken 3e stuurgroep

In de stuurgroep van 14 februari is aangegeven coulance tot juni te bieden. FOCUS wil daar gebruik van maken om toch nog de 60% te halen.

Gemeente Ede geeft aan dat deze speelruimte er niet meer is. De percentages zijn te laag en het is niet haalbaar om de 60% te halen. Daarbij valt dit buiten de oorspronkelijke opdracht.

3. Definitief resultaat

FOCUS geeft aan of de gedragsverandering in de groep ook als resultaat tellen? Ook geven zij aan dat de complexiteit van de deelnemers wordt genoemd als vertragende factor. En er vallen veel deelnemers aan de voorkant af. Als laatste punt geeft FOCUS aan zich geen onderdeel van de gemeente te voelen.

Gemeente Ede hanteert de uitstroom definitie vanuit het contract. FOCUS verstaat mee onder uitstroom; mensen die zelf werk hebben gevonden voordat ze in het programma komen, mensen die leerwerktrajecten hebben gekregen. En er is nazorg voor deelnemers waar tijd in gaat zitten om hen aan het werk te houden. Er zijn ook mensen die een nul uren contract hebben gekregen. FOCUS geeft aan dat het jammer is dat er veel positieve zaken zijn gebeurd maar dat deze niet tellen in het resultaat.

(…)

4. Maandrapportages

Maandrapportages worden niet geleverd door FOCUS. Er is gestart met zo min mogelijk administratieve rompslomp. Daarom gezocht naar partner die P1Werkt over wilden nemen. Tot op heden is er geen sturingsinformatie aangedragen.

6. Halfjaarlijkse rapportage aan de raad (december)

December is een tussenrapportage opgesteld. Daarin is al een winstwaarschuwing aan de raad gegeven. Van daaruit verbeteren met nog 6 maanden aanzien. Nu 3 maanden later moet blijken dat er geen ontwikkeling in uitstroom is. Daarmee de hoop en het vertrouwen in het halen van het resultaat er vanuit de kant van gemeente Ede er niet meer is.

7. Conclusie

De gevoeligheden zijn besproken en erkent. Gemeente Ede ziet op basis van de resultaten en de tekortkomingen in de uitvoering van de methodiek geen reden om een derde groep op te starten. Het resultaat is teleurstellend en biedt onvoldoende houvast dat het aan het eind van de 6 maanden tot het gewenste resultaat komt. Daarom stopt de gemeente Ede met FOCUS per 1 juli 2017 en toewerken. Businessmanager komt terug met een afbouwafspraak tot de afloop van het programma wordt moet leiden tot een goede afronding.

2.11.

Bij brief van 1 mei 2017 heeft de gemeente onder meer het volgende aan P1 bericht:

In de stuurgroep van10 april jl. is geconstateerd dat de uitstroom na een jaar project niet de contractueel overeengekomen 60% bedraagt, maar feitelijk slechts op 16% uitkomt. In dat gesprek heeft de gemeente aangegeven dat zij samenwerking met programma FOCUS wil stoppen en toe wil werken naar een goede afwikkeling ten behoeve van de zittende deelnemers.

De stuurgroep heeft het college van burgemeester en wethouders over deze tegenvallende resultaten geïnformeerd. Het college stelt vast dat de overeengekomen resultaatafspraken niet worden behaald en ziet daarin aanleiding om per 1 juli 2017 de samenwerking met P1Werkt te beëindigen.

2.12.

Op 11 mei 2017 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen P1 en de gemeente. Bij P1 bestond het vermoeden dat er sprake moest zijn van een misverstand met betrekking tot de behaalde resultaten aangezien zij zich niet in de door de gemeente geschetste situatie herkende. De bespreking heeft echter niet tot een voor P1 bevredigende oplossing geleid.

2.13.

Eveneens op 11 mei 2017 heeft de gemeente het volgende nieuwsbericht op haar website (www.ede.nl) geplaatst:

Re-integratietraject FOCUS stopt

Het college van B&W heeft besloten om het re-integratietraject FOCUS per 1 juli te beëindigen. Het project was bedoeld om mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt intensief te begeleiden en klaar te maken voor een duurzame dagbesteding. Voor een aantal werkzoekenden is een succesvol traject verlopen. Dit aantal blijft echter (ver) achter bij de doelstellingen van het project en de resultaatafspraken die zijn gemaakt.

Resultaatafspraken

Contractueel is vastgelegd dat van de 60 tot 80 deelnemers die per jaar begeleid worden, er ongeveer 36 moeten uitstromen naar werk. Uitstroom betekent dat deelnemers door werkaanvaarding gedurende tenminste 6 maanden geen aanspraak meer maken op een uitkering. Sinds de start van het project, eind 2015, zijn er 31 mensen daadwerkelijk in het traject opgenomen, waarvan 9 zijn uitgestroomd. Eind 2016 kwamen de eerste signalen binnen van tegenvallende uitstroomresultaten. Een periode van intensieve sturing op het project heeft niet tot gewenste verbetering geleid.

Deelnemers die nu een begeleidingstraject doorlopen, kunnen dit naar verwachting rond 1 juli op een goede wijze afronden. Later dit jaar komt het college met een voorstel op welke wijze in de toekomst mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt weer actief op de arbeidsmarkt geholpen kunnen worden.

Achtergrond

FOCUS kwam landelijk in het nieuws door de resultaten die ze voor de gemeente Oss behaalden. Om te weten of deze aanpak ook voor Ede toepasbaar zou zijn, is een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten waren goed en op basis daarvan hebben Ede en FOCUS resultaatafspraken gemaakt. De gemeenteraad heeft in juli 2015 besloten om gedurende de contractperiode extra geld vanuit de algemene middelen beschikbaar te stellen voor dit project.

2.14.

Voornoemd bericht is ook op de website www.ede.nieuws.nl verschenen. Tevens hebben enkele andere media het bericht opgepakt en erover geschreven.

2.15.

Bij brief van 12 mei 2017 heeft de advocaat van P1 onder meer het volgende aan de gemeente bericht:

Tegen deze achtergrond, verzoek ik u namens cliënte vriendelijk doch dringend om de volgende informatie te verstrekken: een lijst met namen van alle 98 kandidaten die u heeft aangemeld, een onderbouwing van uw berekeningen, een kopie van uw brief van oktober 2016 aan de heer [naam 1] en de heer [naam 2] alsmede een kopie van de notulen van alle vergaderingen van de stuurgroep.

Op basis van de thans bij cliënte bekend zijnde informatie, deelt cliënte de door u geconstateerde resultaten zoals gezegd niet (…)

Zelfs wanneer het percentage aan uitstroom daadwerkelijk niet behaald is, hetgeen cliënte betwist, bent u gehouden de opzegtermijn van zes maanden in acht te nemen. De overeenkomst kan derhalve niet reeds per 1 juli 2017 worden beëindigd.

Gezien het voorgaande is de opzegging zoals u die deed per brief van 1 mei jl. om meerdere redenen niet rechtsgeldig. Cliënte gaat dan ook niet akkoord met deze eenzijdige beëindiging van de overeenkomst. Wanneer u de opzegging doorzet, zal dit bovendien voor P1Werkt tot veel schade leiden, waaronder, zoals bekend, de mede op verzoek van uw gemeente recent aangegane huur- en loonverplichtingen.

Cliënte betreurt de gang van zaken en nodigt u graag uit voor een nieuw gesprek om de verschillende zienswijzen en informatie ten aanzien van de uitvoering van Programma FOCUS en het resultaat nader te bespreken. Cliënte hoopt op deze manier te achterhalen hoe de uiteenlopende zienswijzen zijn ontstaan en zodoende een juridisch conflict te voorkomen. Graag vernemen wij uiterlijk op donderdag 18 mei a.s. of u op deze uitnodiging in gaat.

2.16.

Op 16 mei 2017 heeft de gemeente alle informatie verstrekt waarover zij naar eigen zeggen beschikt.

2.17.

Op 18 mei 2017 heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden tussen P1 en de gemeente. Op verzoek van de gemeente heeft P1 haar tijdens dit gesprek geuite zienswijze op papier gezet en op 23 mei 2017 aan de gemeente toegezonden.

2.18.

Op 2 juni 2017 heeft P1 de factuur voor de tweede termijn van het programma Focus in 2017 ad € 150.000,00 (exclusief btw) aan de gemeente doen toekomen. De gemeente heeft deze factuur tot op heden onbetaald gelaten. Bij brief van 3 juli 2017 is de gemeente daarom in gebreke gesteld door P1.

2.19.

Bij brief van 19 juli 2017 heeft de gemeente onder meer het volgende aan P1 bericht:

In navolging op onze brief van 1 mei 2017 berichten wij u als volgt.

1 Opzegging (primaire beëindigingsgrond)

1.1

In onze brief d.d. 1 mei 2017 hebben wij de overeenkomst “dienstverlening Re-integratie” d.d. 3 augustus 2015 (“overeenkomst”) met P1 Werkt, opgezegd per 1 juli 2017. De reden voor deze opzegging is gelegen in de uiterst tegenvallende resultaten die u heeft behaald. Dit heeft er toe geleid heeft dat u het beoogde resultaat als omschreven in artikel 4 van de overeenkomst bij lange na niet heeft gehaald.

1.2

Bij brief van 3 juli 2017 heeft u ons in gebreke gesteld tot betaling van een factuur d.d. 2 juni 2017 (kenmerk 17700004) ten bedrage van € 181.500,--. Omdat wij de overeenkomst rechtsgeldig hebben opgezegd/beëindigd bestaat er geen contractuele grondslag voor betaling van deze factuur. Wij wijzen de ingebrekestelling dan ook van de hand en zullen geen gehoor geven aan de sommatie.

2 Buitengerechtelijke ontbinding (subsidiaire beëindigingsgrond)

2.1

Bij zorgvuldige bestudering van het dossier is ons tevens gebleken dat u een aantal verplichtingen uit de overeenkomst niet bent nagekomen. Een van de belangrijkere verplichting is gelegen in artikel 6 van de overeenkomst op grond waarvan u gehouden bent om maandelijks te rapporteren over:

- het aantal deelnemers/instroom;

- het aantal deelnemers/uitstroom;

- de uitstroom/reden per deelnemer.

Tevens dient per kandidaat een intakegesprek binnen twee weken na de intake te worden aangeleverd.

2.2

Deze verplichtingen zijn opgenomen in de overeenkomsten teneinde de in- en uitstroom (de basis van de overeenkomst) maandelijks te kunnen monitoren met het oog op de resultaatsverplichting als genoemd in artikel 4, te weten een uitstroom van 60% in het eerste jaar (2016).

2.3

Ondanks regelmatig mondeling verzoek om deze informatie aan te leveren bent u telkens (elke maand) in gebreke gebleven.

2.4

Artikel 6 betreft een maandelijkse verplichting en bevat derhalve een termijnstelling. In ieder geval dient in de maand volgend op die waarop de rapportage betrekking zou moeten hebben, deze rapportage te worden aangeleverd. U heeft nimmer een rapportage aangeleverd en bent uit dien hoofde in ernstige mate tekortgeschoten jegens de gemeente.

2.5

Om die reden is er sprake van verzuim ex artikel 6:83 sub a BW. Artikel 10.2 van de toepasselijke algemene inkoopvoorwaarden van de gemeente vermelden dit bovendien nog een keer expliciet. Op grond van het bovenstaande bent u jegens de gemeente toerekenbaar tekort geschoten en ontbindt de gemeente de overeenkomst buitengerechtelijk met onmiddellijke ingang ex artikel 10.3 van de bovengenoemde algemene voorwaarden, slechts indien en voor zover de opzegging bij brief d.d. 1 mei 2017 niet het beoogde rechtsgevolg teweeg heeft gebracht, te weten beëindiging van de overeenkomst per 1 juli 2017.

3 Ontbinding ex artikel 15 lid 3 (meer subsidiaire beëindigingsgrond)

3.1

Indien en voor zover de opzegging als genoemd onder 1. dan wel de buitengerechtelijke ontbinding als genoemd onder 2 van deze brief niet het door ons beoogde rechtsgevolg hebben, dient de opzegging d.d.

1 mei 2017 gelezen te worden in een aanzegging van de ontbinding met ingang van een opzegtermijn van zes maanden, resulterende in een beëindiging per 1 november 2017. Indien en voor zover een beëindiging tegen laatstgenoemde datum in rechte niet zou worden aangenomen, althans dient de overeenkomst als beëindigd te worden beschouwd tegen 19 januari 2018 (zes maanden na datering van deze brief).

3 Het geschil

3.1.

P1 vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de gemeente veroordeelt:

I. primair

de overeenkomst met P1 na te komen, door Programma Focus (ook na 31 oktober 2017) voort te zetten en haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst onverkort na te komen totdat aan de overeenkomsten een rechtsgeldig einde is gekomen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de gemeente in gebreke blijft om geheel of gedeeltelijk aan dit gebod te voldoen, met een maximum van € 400.000,00,

I. subsidiair

de (opzegtermijn van de) overeenkomst met P1 na te komen, door Programma Focus tot en met 31 oktober 2017 voort te zetten en haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst onverkort na te komen tot en met voornoemde datum, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de gemeente in gebreke blijft om geheel of gedeeltelijk aan dit gebod te voldoen, met een maximum van

€ 400.000,00,

II. primair en subsidiair

tot voldoening van een voorschot op de aan P1 te vergoeden schade ex artikel 6:96 lid 2 BW ter hoogte van € 15.392,45, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag als voorschot op die schade,

III. primair en subsidiair

tot voldoening van een voorschot op de aan P1 te vergoeden schade ex artikel 6:106 lid 1 sub b BW ter hoogte van € 20.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag als voorschot op die schade,

IV. primair

om binnen twee dagen na dit vonnis de in productie 20 opgenomen tekst met nummer 1, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie nader te bepalen tekst van gelijke strekking, op haar website www.ede.nl op de pagina “Actueel Ede” te plaatsen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de gemeente in gebreke blijft om geheel of gedeeltelijk aan dit gebod te voldoen, met een maximum van € 400.000,00,

IV. subsidiair

om binnen twee dagen na dit vonnis de in productie 20 opgenomen tekst met nummer 2, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie nader te bepalen tekst van gelijke strekking, op haar website www.ede.nl op de pagina “Actueel Ede” te plaatsen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de gemeente in gebreke blijft om geheel of gedeeltelijk aan dit gebod te voldoen, met een maximum van € 400.000,00,

V. primair en subsidiair

in de kosten van deze procedure, met de bepaling dat deze kosten binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis dienen te worden voldaan en dat indien de proceskosten niet binnen die termijn zijn voldaan, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente op de voet van het bepaalde in artikel 6:119a BW verschuldigd is,

VI. primair en subsidiair

in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW hierover.

3.2.

De gemeente voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voldoende uit de stellingen van P1 voort.

4.2.

P1 vordert in de eerste plaats de veroordeling van de gemeente tot volledige nakoming van de overeenkomst. Het eerste verweer daartegen van de gemeente is dat de overeenkomst door opzegging per 1 juli 2017 is geëindigd. Op zichzelf is juist dat de opdrachtgever op grond van artikel 7:408 lid 1 BW de opdracht te allen tijde kan opzeggen, ook een overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd. De partijen kunnen echter overeenkomen dat de overeenkomst gedurende zekere tijd niet kan worden opgezegd. Dat hoeft niet noodzakelijk uitdrukkelijk in de overeenkomst te zijn bepaald. Het kan ook stilzwijgend uit de overeenkomst voortvloeien. Of dat zo is zal doorgaans en zo ook in het onderhavige geval vragen van uitleg oproepen.

4.3.

Uit artikel 17 van de overeenkomst (‘Ingang en duur van de overeenkomst’) blijkt dat die is aangegaan voor bepaalde duur, te weten een periode van drie jaar, met mogelijkheid van verlenging. Een uitdrukkelijke bepaling dat de overeenkomst tussentijds niet kan worden opgezegd, ontbreekt in artikel 17. In artikel 15 (‘Ontbinding’) is wel een bepaling opgenomen die voorziet in de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden. Op zichzelf wijst de gemeente er terecht op dat in die bepaling wordt gesproken over ontbinding. Daaraan kan echter niet de conclusie worden verbonden, zoals de gemeente doet, dat die bepaling van geen enkele betekenis is voor het antwoord op de vraag of uit de overeenkomst een beperking voortvloeit van de mogelijkheid van tussentijdse opzegging. In de eerste plaats geldt dat in artikel 15 onder c geen strikt onderscheid wordt gemaakt tussen ontbinding en opzegging gezien het feit dat de ontbinding kan plaatsvinden ‘met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden’. Door dit laatste lijkt het hier meer om een vorm van opzegging dan om ontbinding te gaan, terwijl een ten deze relevant verschil in effect en juridische gevolgen van een ontbinding of een opzegging op een termijn van zes maanden ook niet aanstonds in te zien valt. In beide gevallen eindigt de (duur)overeenkomst op termijn, zonder terugwerkende kracht. In ieder geval zou het gezien de inhoud van die bepaling waarin een tussentijdse beëindiging op een termijn van zes maanden in het daargenoemde geval mogelijk wordt gemaakt, tamelijk ongerijmd zijn aan te nemen dat het de opdrachtgever niettemin steeds vrij staat de overeenkomst op te zeggen. Daarmee zou artikel 15 onder c zinledig zijn. Daarom moet worden aangenomen dat uit de overeenkomst voortvloeit dat die niet tussentijds kan worden opgezegd, maar alleen in het in artikel 15 onder c genoemde geval tussentijds kan worden beëindigd, met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden. Op de vraag of dit geval zich hier voordoet, wordt hierna nog ingegaan.

4.4.

De gemeente heeft zich er in de tweede plaats op beroepen dat zij de overeenkomst heeft ontbonden op grond van het feit dat P1 is tekortgeschoten in periodieke rapportage aan de gemeente, waartoe P1 op grond van artikel 6 van de overeenkomst was gehouden. Tussen de partijen is in geschil of P1 daarin tekortschoot. Volgens de gemeente heeft P1 ondanks verzoeken om schriftelijk te rapporteren alleen een mondelinge mededeling gedaan als er iemand klaar was of ophield met het volgen van het programma Focus. Volgens P1 heeft zij de gemeente de beschikking gegeven over toegang tot “the cloud” waar de informatie te vinden was. Vaststellingen kunnen hieromtrent in dit kort geding niet worden gedaan. Uit hetgeen ter zitting is besproken, is voorts gebleken dat de gemeente P1 op dit punt nooit officieel verzocht heeft de verplichting uit artikel 6 na te komen binnen een zekere termijn, waarna zij in verzuim zou zijn. Het kan bezwaarlijk worden aangenomen dat de gemeente zonder P1 ooit te wijzen op het niet nakomen van die verplichting en zonder haar te verzoeken die verplichting alsnog en binnen zekere termijn na te komen, na ruim anderhalf jaar zich zonder meer op het standpunt kan stellen dat P1 in verzuim is gekomen en daarom de overeenkomst ontbindt. De geldigheid van de door de gemeente ingeroepen ontbinding kan daarom niet worden aanvaard omdat noch een tekortkoming noch verzuim op dit punt kan worden vastgesteld.

4.5.

Dan de vraag of de gemeente de overeenkomst op grond van het niet behalen van het overeengekomen resultaat heeft kunnen opzeggen of ontbinden. De partijen verschillen in tal van opzichten van mening over het antwoord op de vraag of het resultaat als bedoeld in artikel 15 onder c van de overeenkomst is behaald. Voor de beoordeling daarvan rijzen in de eerste plaats vragen van uitleg, die aan de hand van de daarvoor geldende maatstaven moeten worden beantwoord. De tekst van artikel 15 onder c in combinatie met artikel 4 laat als zodanig geen andere conclusie toe dan dat in ieder boekjaar een minimumuitstroom van 60% moet worden gehaald, waarbij een boekjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. Waaraan het percentage uitstroom moet worden afgemeten staat nergens. Het zou gerelateerd kunnen worden aan de instroom in het desbetreffende boekjaar. Het zou ook gerelateerd kunnen zijn aan het aantal deelnemers (op enig moment) in dat boekjaar. Gezien de definitie is van uitstroom sprake indien een deelnemer door werkaanvaarding gedurende zes maanden geen aanspraak maakt op een uitkering. De vraag is of die periode van zes maanden geheel moet zijn gelegen binnen het desbetreffende boekjaar of daar ook geheel of gedeeltelijk buiten gelegen kan zijn. De partijen hebben ten aanzien van de door hen gepropageerde berekeningen van de uitstroom wel tal van feitelijkheden geponeerd, maar in het debat is nauwelijks aandacht besteed aan hoe de bepaling van artikel 15 onder c moet worden uitgelegd en op grond van welke argumenten in het licht van de overeenkomst. De voorzieningenrechter beschikt daarom nu niet over voldoende aanknopingspunten voor een bepaalde uitleg, terwijl een uitleg in de ene of de andere zin niet a priori duidelijk is.

4.6.

Bij gebreke van een duidelijke maatstaf is in dit kort geding ook niet voldoende vast te stellen of aan de hand van de door de partijen gepresenteerde aantallen het percentage van 60% is gehaald. Een mogelijke uitleg waarbij de periode van zes maanden geheel binnen een boekjaar moet zijn gelegen, zou tot de conclusie leiden dat er in 2016, afgezien van de personen die meteen naar werk zijn gegaan (zie hierna), geen uitstroom heeft plaatsgevonden. Maar in de benadering van de gemeente is er in 2016 een uitstroom van vijf personen die in 2016 zijn gaan werken, maar die kennelijk de periode van zes maanden niet volledig in 2016 hebben volgemaakt, maar deels ook in 2017. Daarnaast is er de kwestie van personen die wel zijn aangemeld voor het programma Focus, maar reeds voordat zij daaraan zijn gaan deelnemen werk hebben gevonden en gedurende zes maanden hebben behouden. Die lijken onder de definitie van uitstroom te vallen, hoewel zij in strikte zin geen deelnemers zijn geworden aan het programma. Daarmee zouden dan in mei of in juli 2017 14 personen zijn uitgestroomd, maar of die tot de uitstroom van het boekjaar 2016 gerekend moeten worden is niet duidelijk. Als deze personen tot de uitstroom in 2016 gerekend moeten worden, dan ligt voor de hand hetzelfde aantal ook op te nemen bij het aantal deelnemers waaraan het percentage van 60 moet worden gerelateerd. Het lijkt er wel enigszins op dat in deze benadering bij lange na geen percentage van 60 is gehaald. Dat en waarom al de categorieën van personen die P1 in de uitstroom betrekt tot de uitstroom zouden moeten worden gerekend, valt niet aanstonds in te zien.

4.7.

Afgezien van het voorgaande hebben de partijen ook een verdergaande discussie over het resultaat. Volgens artikel 1 van de overeenkomst bedraagt de omvang van de opdracht op jaarbasis tussen de 60 en 100 personen. Het staat vast dat dit aantal bij lange na niet is gehaald. Het aantal deelnemers heeft (in 2016) 24 bedragen. Volgens de gemeente wees P1 heel veel van de aangemelde kandidaten ten onrechte af omdat zij niet geschikt zouden zijn, terwijl P1 de gemeente verwijt dat zij geen geschikte kandidaten aanleverde. In dat verband hebben de partijen er ook debat over wat precies was overeengekomen en wat zij mochten verwachten. Ook over de vraag of de gemeente feitelijk wel de 98 personen heeft aangemeld die zij zegt te hebben aangemeld, is in tal van opzichten verschil van mening. Dit alles kan in het kader van dit kort geding niet tot klaarheid worden gebracht.

4.8.

Dat de beëindiging van de overeenkomst door de gemeente in ieder geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en/of in strijd zou zijn met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals P1 stelt, valt niet zonder meer in te zien. De juistheid van de feitelijke beweringen die P1 daaraan ten grondslag heeft gelegd en door de gemeente zijn weersproken, is in het kader van dit kort geding niet vast te stellen. Bovendien nopen die feitelijkheden niet op voorhand zonder meer tot de conclusie dat het de gemeente niet vrij zou staan de overeenkomst te beëindigen met gebruikmaking van de mogelijkheden die de overeenkomst en de wet daartoe bieden.

4.9.

Een belangenafweging brengt in de gegeven omstandigheden met zich dat de gemeente er niet toe wordt verplicht verder mee te werken aan uitvoering van de overeenkomst. De overeenkomst strekt ertoe door een intensief trainingsprogramma cognitieve en gedragsverandering teweeg te brengen bij veelal kwetsbare personen met tal van problemen om hen te bewegen en in staat te stellen werk te aanvaarden en niet langer een beroep te doen op bijstand. Van de gemeente kan gezien de zorg die haar publiekrechtelijke taak met zich brengt niet worden verlangd dat zij deze personen voor het hiervoor omschreven doel ter beschikking blijft stellen aan een wederpartij, hier P1, in wie zij in het geheel geen vertrouwen meer heeft. Ook de belangen van deze personen verzetten zich daartegen. Behoorlijke en verantwoorde uitvoering van een overeenkomst als de onderhavige verlangt, behalve het vertrouwen dat de deelnemers in goede handen zijn, ook een behoorlijk verlopende samenwerking. Daaraan ontbreekt het in ieder geval in de visie van de gemeente. Daartegenover heeft P1 voornamelijk een financieel belang, waaraan ook door schadevergoeding tegemoet gekomen kan worden (indien daartoe gronden zouden zijn). Dat door het niet verder uitvoeren van deze overeenkomst omdat de gemeente daaraan niet wil meewerken P1 reputatieschade zou kunnen lijden, weegt tegen het belang van de gemeente om verder geen uitvoering te geven niet op. P1 kan desgewenst in een bodemprocedure schadevergoeding vorderen van de gemeente. Daarin moet dan verder worden beoordeeld of de gemeente de overeenkomst al dan niet terecht heeft opgezegd of ontbonden en of de gemeente daarbij ten onrechte niet een opzegtermijn van zes maanden heeft gehanteerd en welke gevolgen daaraan verbonden zouden moeten worden.

4.10.

De vorderingen onder 3.1 sub I primair en subsidiair zullen worden afgewezen. Ook die onder 3.1 sub II omdat in dit kort geding niet kan worden vastgesteld of de gemeente in enig opzicht toerekenbaar is tekort geschoten en daarom tot schadevergoeding is verplicht. Voor het oordeel dat de gemeente onrechtmatig jegens P1 heeft gehandeld en haar daardoor in eer en goede naam heeft geschaad, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond. Dat de gemeente een nieuwsbericht heeft geplaatst waarin zij de beëindiging van het programma Focus en de samenwerking met P1 aankondigt, kan bezwaarlijk onrechtmatig worden genoemd in het kader van voorlichting aan het publiek over gemeentelijke aangelegenheden dat de publieke taak van de gemeente met zich brengt. Het feit dat de gemeente daarbij de reden voor de beëindiging heeft genoemd is op zichzelf niet onrechtmatig gezien ook die voorlichtende taak. Dat de gemeente daarin (geheel) ten onrechte heeft gesteld dat het programma Focus niet succesvol is geweest en dat niet het overeengekomen minimumresultaat is gehaald, kan niet worden vastgesteld. Vast staat in ieder geval dat het aantal deelnemers ver is achter gebleven bij het in de overeenkomst voorziene aantal van tussen de 60 en 100 per jaar. Ook voor een voorschot op immateriële schade en voor rectificatie ziet de voorzieningenrechter daarom op voorhand geen grond. Ook de vorderingen onder 3.1 sub III en IV zullen daarom worden afgewezen, evenals de overige vorderingen.

4.11.

P1 zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 2.740,00

4.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt P1 in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 2.740,00,

5.3.

veroordeelt P1 in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat P1 niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2017.