Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4013

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5665
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:6302, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag IB/PVV 2013. Vermogensrendementheffing. Artikel 1 Eerste Protocol EVRM.

De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 juni 2017. Verder is geen sprake van een individuele en buitensporige last.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1861
V-N 2017/48.20.20
Viditax (FutD), 01-08-2017
FutD 2017-1962
NTFR 2017/1985
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/5665

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 28 juli 2017

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.36.01) in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 107.198 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 69.817.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2016 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 23 september 2016, ontvangen door de rechtbank op 26 september 2016, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn [gemachtigde] en [A] verschenen.

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft op 23 maart 2014 en op 25 maart 2015 aangifte gedaan voor de IB/PVV 2013. Daarbij heeft hij, voor zover thans van belang, voor de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen een rendementsgrondslag aangegeven van € 1.745.435. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Bank- en spaartegoeden

€ 1.588.434

Beleggingen

€ 61.279

Appartement

€ 138.000

Totaal bezittingen

€ 1.787.713

Heffingvrij vermogen

€ 42.278 -/-

Rendementsgrondslag

€ 1.745.435

2. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt 4% van de rendementsgrondslag, oftewel € 69.817. De hierover verschuldigde belasting bedraagt € 20.945.

3. Eiser heeft in 2013 een bedrag van € 29.178 aan rente ontvangen op zijn bank- en spaartegoeden. Op zijn beleggingen heeft hij een feitelijk rendement behaald van € 9.506 en aan huuropbrengsten uit het appartement heeft hij € 6.600 ontvangen. Zijn totale daadwerkelijke inkomsten uit de genoemde vermogensbestanddelen bedragen daarmee € 45.284.

4. Tot de bank- en spaartegoeden behoorden op 1 januari 2013 onder meer twee depositorekeningen. Deze zijn in 2013 vrijgevallen. Op onderscheidenlijk 23 januari 2013 en 27 maart 2013 heeft eiser achtereenvolgens € 400.000 en € 600.000 afgelost op zijn eigenwoningschuld. Deze gelden waren beschikbaar gekomen door het vrijvallen van de deposito’s.

Geschil

5. In geschil is of de vermogensrendementsheffing als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (hierna: EP) bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Beoordeling van het geschil

6. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812, over de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2010 - kort gezegd - geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van heffing over de inkomsten uit sparen en beleggen naar de opzet van de wetgever robuust en enigszins ruw is, aangezien het niet afhankelijk is gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De Hoge Raad heeft, gelet op de uitgangspunten die de wetgever daarbij heeft geformuleerd, geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat het stelsel elke redelijke grond ontbeert en dat het niet in strijd is met artikel 1 van het EP. Dit zou anders zijn als zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 van het EP is niet voldoende dat het rendement van bepaalde bezittingen structureel blijft beneden 4% van het daarin geïnvesteerde bedrag, ook niet als de bezittingen van de belastingplichtige in box 3 vooral uit dergelijke bezittingen bestaan. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, langs dezelfde lijnen geoordeeld over de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2011.

7. Eiser bestrijdt de uitgangspunten van de Hoge Raad niet, maar voert aan dat de weging voor het jaar 2013 in zijn geval tot een andere uitkomst dient te leiden. Daarvoor acht hij van belang dat het rendement op risicoarme beleggingen sinds 2009 onder de 4% ligt, terwijl daarnaast de overheersende verwachting in de literatuur is dat de rente nog geruime tijd laag zal blijven. Daarmee is naar zijn mening in 2013 wel sprake van een lange reeks van jaren waarin het rendement van 4% niet meer haalbaar is. Met betrekking tot de individuele en buitensporige last wijst hij op de volgende omstandigheden. In de eerste plaats verwijst hij naar het feitelijke rendement, dat aanzienlijk onder de 4% is gebleven, zeker als rekening wordt gehouden met de inflatie, die in 2013 2,5% bedroeg. Daarnaast is van belang dat de vrijgevallen bedragen uit de deposito’s volledig meetellen bij de vaststelling van de rendementsgrondslag, terwijl deze bedragen het zogeheten box-3-vermogen al in het eerste kwartaal van 2013 hebben verlaten. De wetswijziging per 1 januari 2011 als gevolg waarvan de waarde van de bezittingen aan het begin van het jaar als maatstaf dient, en niet meer het gemiddelde van het vermogen aan het begin van het jaar en het vermogen aan het eind van het jaar, pakt in het geval van eiser naar zijn mening onredelijk en buitensporig uit.

8. Verweerder betwist in de eerste plaats de stelling dat inmiddels sprake is van een lange reeks van jaren waarin het rendement van 4% niet meer haalbaar is. In 2011 kon de risicomijdende spaarder nog een rendement van ruim 3,5% halen, aldus verweerder. Ook betwist verweerder dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Afgezet tegen het feitelijke rendement is de heffing ongeveer 46%. Dit is volgens verweerder niet buitensporig. Daarnaast heeft eiser zelf de keuze gemaakt om de vrijkomende deposito’s te gebruiken voor aflossing van zijn hypotheekschuld. Hij had ook andere keuzes kunnen maken. Bovendien kan niet gezegd worden dat dit vermogen niet heeft gerendeerd, omdat eiser immers hypotheekrente heeft uitgespaard, aldus verweerder.

9. De rechtbank is van oordeel dat op wetgevingsniveau de weging voor 2013 niet anders dient uit te vallen dan voor de jaren 2010 en 2011. Zij sluit zich aan bij het oordeel hierover van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2511.

10. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last, waardoor de wettelijke regeling in het geval van eiser buiten toepassing zou moeten blijven. Eiser onderbouwt zijn stelling dat sprake is van een individuele en buitensporige last met name door erop te wijzen dat een belangrijk deel van zijn vermogen het grootste deel van het jaar niet tot het box-3-vermogen behoorde en feitelijk dus maar een beperkt rendement heeft opgeleverd, terwijl voor het hele jaar met het fictieve rendement van 4% wordt gerekend. De hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad maken echter duidelijk dat niet van belang is of de deposito’s een beperkt rendement hebben opgeleverd, aangezien de volledige vermogenspositie van eiser in de beoordeling moet worden betrokken. Dat de deposito’s slechts een deel van het jaar onderdeel van het vermogen hebben gevormd blijft in de systematiek van de wetgever buiten beschouwing doordat de peildatum voor de rendementsgrondslag 1 januari 2013 is. De rechtbank dient de keuze van de wetgever terughoudend te toetsen. Op grond van de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens en de jurisprudentie van de Hoge Raad heeft de wetgever in belastingzaken namelijk een ruime beoordelingsmarge. Ook in de gegeven omstandigheden is de wetgever naar het oordeel van de rechtbank niet buiten die ruime beoordelingsmarge getreden. Daarbij is mede van belang dat eiser een keuze had zijn vermogen op andere wijze - ook met beperkt risico - te laten renderen. Eiser heeft gekozen voor aflossing op de hypotheek omdat dit per saldo financieel meer voordeel opleverde. Dat maakt de onderhavige last op zich niet buitensporig.

11. Dit wordt niet anders als de verschuldigde belasting wordt afgezet tegen het daadwerkelijk behaalde rendement. Daarbij volgt de rechtbank de stelling van verweerder dat het werkelijke rendement van het box-3-vermogen van eiser in 2013 € 45.284 heeft bedragen. Eiser voert aan dat dit ongeveer de inflatie dekt en dat er materieel dus niet of nauwelijks rendement is geweest. Dan is ook de berekening van een belastingdruk van 46% niet reëel, aldus eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding eiser hierin te volgen. Eiser heeft verwezen naar het Verslag van een algemeen overleg inzake de Wet inkomstenbelasting 2001, Kamerstukken II 1999-2000, 26 727 en 26 728, nr. 8. Daaruit (met name het antwoord van de minister op pagina 27) valt af te leiden dat het fictieve rendement van 4% beoogt een benadering te geven van het werkelijke rendement gecorrigeerd voor inflatie. Voor het antwoord op de vraag of dit fictieve rendement haalbaar is, kan de inflatie dus een rol spelen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding de inflatie mee te wegen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last. De hoogte van de heffing wordt niet beïnvloed door de hoogte van de inflatie. Eiser heeft daadwerkelijk € 45.284 ontvangen en dient daartegenover € 20.945 te betalen. Dit komt neer op een belastingdruk van 46,25%. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar de hiervoor genoemde uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 juni 2017, overweging 4.7. Het hof heeft evenmin gecorrigeerd voor inflatie. Een dergelijke effectieve belastingdruk acht de rechtbank niet buitensporig.

12. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last.

13. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. J.J.J. Engel en mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 28 juli 2017

de griffier is buiten staat de uitspraak

te ondertekenen

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.