Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:4005

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3763
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

“Surinaamse vrouw verblijft illegaal in Nederland. Haar 3 jarig dochtertje is door een Nederlandse man erkend. Omdat het kind nu Nederlander is geworden is verzocht bij de gemeente om een bijstandsuitkering en spoedopvang.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op zijn zitting is gebleken dat het kind is erkend enkel en alleen met als doel om haar de Nederlandse nationaliteit te verstrekken zodat er een kans bestaat dat de vrouw in Nederland mag blijven op basis van afgeleid verblijfsrecht. Er is volgens de verklaring van de vrouw geen enkele familierechtelijke betrekking met de Nederlandse man in welke vorm dan ook. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit aanwijzingen zijn van een vermoeden van een schijnerkenning die louter plaatsvond om rechtsgevolgen op het gebied van het nationaliteits- en vreemdelingenrecht te bewerkstelligen. Een dergelijke erkenning is in strijd met de Nederlandse openbare orde. Niet uitgesloten is dat het openbaar ministerie de rechtbank zal verzoeken tot vernietiging van de erkenning. Dan zal het kind haar Nederlanderschap verliezen. Het ligt dan ook voor de hand dat de IND een nader onderzoek zal instellen. Er is geen aanleiding om onder deze omstandigheden de vrouw onmiddellijk een bijstandsuitkering te laten krijgen. “

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/3763, 17/3628 en 17/3629

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2017

op de verzoeken om voorlopige voorziening en in de bodemprocedure in de zaken tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld te Barneveld, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een bijstandsuitkering en compensatie van niet ontvangen kindgebonden budget en kinderbijslag afgewezen. Aan haar dochter, [naam 1] , is bijzondere bijstand verstrekt voor de noodzakelijke kosten van haar bestaan ten bedrage van in totaal € 100,35 netto per maand.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 17/3763.

Verzoekster heeft op 20 juli 2017 beroep ingesteld tegen verweerders (fictieve) weigering om op haar aanvraag van 4 juli 2017 voor spoedopvang te beslissen. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 17/3628. Verzoekster heeft gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 17/3629.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2017. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Kruseman, kantoorgenoot van mr. E.C. Weijsenfeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. L.H. Franken en mr. C. van Eijsden.

Overwegingen

Inleiding:

1.1

Verzoekster is op [geboortedatum] 1974 in Suriname geboren en heeft de Surinaamse nationaliteit. Haar dochter [naam 1] is op [geboortedatum] 2013 in Suriname geboren. In 2014 is verzoekster met [naam 1] naar Nederland gekomen omdat zij een relatie wilde aangaan met een Nederlandse man. Verzoekster heeft vier kinderen in Suriname moeten achter laten. De bedoeling was dat haar kinderen later zouden overkomen. Dat is niet zo gegaan omdat de man met wie verzoekster een relatie wilde aangaan gehandicapt bleek en de ouders van de man verzoekster niet accepteerden. Haar relatie strandde. Verzoekster verbleef illegaal in Nederland. Zij ontvangt hulp van familie. Verzoekster verblijft tijdelijk in Voorthuizen. Zij mag tot 1 augustus 2016 in de woning van haar verhuurder verblijven. Verzoekster stelt dat een aanvraag bij de IND voor verblijfsrecht is ingediend. [naam 1] is als wettig kind erkend door de [naam 2] te [plaats] , geboren op [geboortedatum] 1953. [naam 2] heeft de Nederlandse nationaliteit. [naam 1] heeft door de erkenning de Nederlandse nationaliteit. [naam 1] wordt dagelijks verzorgd door haar moeder. [naam 1] is volledig afhankelijk van haar moeder, zowel wettelijk, affectief als financieel. [naam 2] heeft geen gezag, betaalt niets en zorgt niet voor [naam 1] .

1.2

Op 19 april 2017 heeft verzoekster een aanvraag kindgebonden budget bij de Belastingdienst Toeslagen Heerlen ingediend. Dezelfde dag is de Sociale Verzekeringsbank te Utrecht verzocht om kinderbijslag. Verzoekster heeft zich op 9 mei 2017 bij verweerder gemeld voor een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Daarnaast is verzocht om bijstand voor [naam 1] , verhoging vanwege het missen van kinderbijslag, KGB en alokop en bijzondere bijstand voor het missen van het kindgebonden budget, alokop en kinderbijslag.

1.3

Verweerder heeft bij primair besluit van 13 juli 2017 de aanvraag van verzoekster voor een bijstandsuitkering en compensatie van niet ontvangen kindgebonden budget en kinderbijslag afgewezen. Aan [naam 1] is bijzondere bijstand verstrekt voor de noodzakelijke kosten van haar bestaan ten bedrage van € 100,35 netto per maand. Verweerder heeft daarbij overwogen dat zolang de IND geen beslissing heeft genomen over verzoeksters verblijfsrecht, zij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Op grond van artikel 11, eerste en tweede lid van de Pw kan verzoekster ook niet worden aangemerkt als een rechthebbende in de zin van de Pw. De omstandigheden waarin verzoekster verkeert kunnen op grond van artikel 16, tweede lid, van de Pw evenmin aanleiding zijn om op grond van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid tot bijstandsverlening over te gaan. Verzoekster heeft daarom geen recht op bijstand. De aanvragen voor het vooralsnog niet ontvangen van kindgebonden budget en de kinderbijslag worden aangemerkt als voorliggende voorzieningen waarvoor op grond van artikel 15 van de Pw geen bijstand wordt verstrekt. Om die reden wordt de aanvraag op dit punt eveneens afgewezen. Omdat [naam 1] wel de Nederlandse nationaliteit heeft maar nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt kan zij evenmin aanspraak maken op bijstand op grond van artikel 13, eerste lid onder f van de Pw. Wel worden er dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw aangenomen. De dringende redenen zijn hoofdzakelijk gelegen in het feit dat verzoekster niet beschikt over een verblijfsrecht en daarom geen beroep kan doen op publieke middelen zoals een bijstandsuitkering. Daarom wordt aan [naam 1] bijzondere bijstand toegekend voor de noodzakelijke kosten van haar bestaan voor een periode van zes maanden. Verweerder verwacht dat binnen zes maanden de IND een besluit zal nemen over verzoeksters verblijfrecht. De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand is vastgesteld op een conform de NIBUD-richtlijnen ten bedrage van € 100,35 per maand, bestaande uit € 2,28 per dag voor voeding en € 31, - per maand voor kleding. [naam 2] zal op de hoogte worden gesteld van de toekenning van de bijzondere bijstand aan [naam 1] . Omdat hij dit kind erkend heeft is hij daarmee onderhoudsplichtig. Onderzocht wordt of de kosten van bijzondere bijstand op hem kunnen worden verhaald.

1.4

Bij brief van 4 juli 2017 heeft verzoekster kenbaar gemaakt dat zij per 1 augustus 2017 niet langer kan verblijven aan de [adres] te [plaats] . Zij doet om die reden een beroep op een tijdelijke maatwerkvoorziening in het kader van artikel 2.3.3.de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO-2015). Op 12 juli 2017 heeft een intake plaatsgevonden bij de [crisisopvang] .

1.5

Verweerder heeft in zijn besluit van 13 juli 2017 met betrekking tot verzoeksters aanvraag om bijstand overwogen dat het bieden van maatschappelijke opvang is geregeld bij de centrumgemeente Ede welke samen met verzoekster zal bekijken welke opvangmogelijkheden er zijn en of er wellicht meer binding met een andere gemeente is. Indien de gemeente Ede van mening is dat verzoekster opvang dient te ontvangen in de gemeente Ede dan zullen de kosten daarvan voldaan worden door de gemeente Barneveld. Mocht tijdens de screening blijken dat verzoekster meer binding heeft met een andere gemeente dan zal de gemeente Ede zorgen voor een ‘warme’ overdracht en zal de uitkering vanuit verweerders gemeente beëindigd worden.

1.6

Verzoekster heeft op 20 juli 2017 beroep ingesteld tegen verweerders (fictieve) weigering om op haar aanvraag van 4 juli 2017 voor spoedopvang te beslissen. Zij heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en verweerder op te dragen om alsnog onverwijld te beslissen op het verzoek om een tijdelijke maatwerkvoorziening en hangende het beroep per 1 augustus 2017 kindvriendelijke opvang te verstrekken aan moeder en kind samen, met voldoende geld voor eten, drinken en kleding.

Het standpunt van verzoekster

2.1

Verzoekster stelt dat er een aanvraag in voorbereiding voor een verblijfsvergunning op grond van een afgeleid verblijfsrecht ex artikel 20 VWEU in het licht van het arrest Chavez-Vilchez v NL van 10 mei 2017. Verweerder komt de verplichtingen jegens het kind, waaraan de moeder volgens rechtspraak gekoppeld is, niet na (HR:2012:BW5328, CRVB:2011:BQ6438). Verzoekster beroept zich op het recht op bescherming tegen dakloosheid en armoede. Verweerder dient eerst opvang te bieden en vervolgens warm over te dragen aan de gemeente Ede. De aanvraag is niet in de gemeente Ede gedaan, maar bij verweerders gemeente.

2.2

Verweerder kent slechts € 100 per maand toe aan [naam 1] en niets aan verzoekster. Zij verkeren in broodnood. Er is geen rechtvaardiging voor een toekenning van een afgebakende periode. De ingangsdatum is bovendien 19 april 2017 nu de aanvraag op die datum is gedaan. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten de aanvraag te toetsen aan het Unierecht (artikel 4, derde lid VWEU). Verweerder handelt in strijd met artikel 24, tweede lid handvest voor de grondrechten EU.

2.3

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster een zogenoemd ‘drie stappenplan’ met vraagstellingen van de IND overgelegd in een overigens andere procedure, waaruit volgens haar kan worden afgeleid dat bij beantwoording van die vragen de conclusie is dat sprake is van een afgeleid verblijfsrecht en verzoekster aanspraak kan maken op een verblijfstitel. De gemachtigde wijst op het recente advies van het Europese Hof. De aanvraag bij de Belastingdienst is op 6 juni 2016 afgewezen. De aanvraag bij de SVB is nog in behandeling. Desgevraagd is door de gemachtigde van verzoekster verklaard dat uit de stukken blijkt dat [naam 2] ‘buiten beeld’ is. [naam 2] verblijft in een seniorenflat. Hij wil geen medische informatie verstrekken. [naam 2] wil niet voor [naam 1] zorgen. Hij ontvangt bijstand van de gemeente Utrecht. Verzoekster weet dat [naam 2] geen financiële bijdrage wil leveren.

Dat er meer mensen zijn zonder een ingediende aanvraag bij de IND ontslaat verweerder niet van zijn verplichting om op de aanvraag – positief – te beslissen. In gelijke gevallen zijn wel voorzieningen verstrekt. Verzoekster heeft de volgende week een afspraak met de IND. De kamer waar verzoekster nu woont is door tussenkomst van de [stichting] aan haar beschikbaar gesteld, maar de kamer is per 1 augustus 2017 verhuurd aan een student. Omdat verzoekster vooralsnog niet in aanmerking komt voor toeslagen wordt om die reden verzocht om bijstand met een woonkostentoeslag.

2.4

Ter zitting heeft verzoekster desgevraagd verklaard dat zij geen geld ontvangt van kennissen, maar feitelijk wel op hun kosten boodschappen kan doen. De biologische vader van [naam 1] verblijft in Suriname. [naam 2] heeft [naam 1] in januari van dit jaar erkend. Hij is 64 jaar en woont in een seniorenflat in Utrecht waar hij bijstand ontvangt. Verzoekster wilde in 2015 trouwen maar de trouwplannen gingen niet door. Verzoekster kreeg daarmee geen verblijfstitel omdat er geen financiële middelen aanwezig bleek nu de beoogde partner een bijstandsuitkering had. Verzoekster heeft ter zitting, desgevraagd, verklaard dat erkenning van [naam 1] door [naam 2] de manier voor haar was om verblijfsrecht te krijgen. [naam 2] heeft veel schulden. Sinds februari 2017 heeft verzoekster geen omgang meer met de [naam 2] . Hij is vanaf dat moment ‘buiten beeld’.

Het standpunt van verweerder

3.1

Verweerder is bekend met de recente uitspraken van het Europese Hof en de Centrale Raad van Beroep maar stelt zich op het standpunt dat niet verweerder maar de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zich dient uit te laten over het verblijfsrecht van verzoekster. Er is veelvuldig contact geweest met de IND. Verzoekster is op een toeristenvisum in Nederland gekomen. Verweerder heeft gisteren nog bij de IND geïnformeerd en er bleek aldaar geen aanvraag of melding van verzoekster te zijn ontvangen. Verweerder wil dan ook eerst de besluitvorming van de IND afwachten. Vooralsnog heeft verweerder geen aanknopingspunten om verzoekster gelijk te stellen met een Nederlander.

Verweerder stelt vraagtekens bij de afhankelijkheidsrelatie tussen [naam 1] en de [naam 2] .

Op de uitkering van de [naam 2] is geen beslag gelegd. Er is contact geweest met de gemeente Utrecht. In december 2016 is de woning van de [naam 2] nog bezocht in het kader van een aanvraag WMO-voorziening en toen bleek in de woning geen enkele indicatie aanwezig waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de [naam 2] een relatie had met [naam 1] .

3.2

Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat zij de aanvraag van verzoekster om spoedopvang niet heeft opgevat als een aanvraag in de zin van artikel 2.3.3. van de WMO-2015. Verweerder heeft de vaststelling van het recht op en de uitvoering daarvan gemandateerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede. De intake is doorgezonden. De regiobinding wordt niet meer tegengeworpen omdat dit standpunt niet juist bleek te zijn. Die regiobinding blijkt er wel te zijn. De gemeente Ede beslist pas op de aanvraag op het moment van daadwerkelijke dakloosheid. Er wordt niet op voorhand een beschikking afgegeven. Verzoekster zal per 1 augustus 2017 zeker niet op straat staan. Er zal passende opvang plaatsvinden bij [crisisopvang] . Dat is tijdelijke opvang en dan zal worden gezocht naar een structurele oplossing.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

4.1

De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen aan de ene kant het belang van verzoekster dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.2

Bij de afweging van de belangen houdt de voorzieningenrechter onder andere rekening met de kans dat het bezwaar van verzoekster slaagt en of het besluit rechtmatig is genomen. De voorzieningenrechter zal een zogenoemd voorlopig rechtsmatigheidsoordeel geven. Als de kans van slagen klein is, is er voor de voorzieningenrechter weinig reden om in te grijpen en een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft.

4.3

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat ter zitting is gebleken dat [naam 2] [naam 1] heeft erkend enkel en alleen met als doel om haar de Nederlandse nationaliteit te verstrekken zodat er een kans bestaat dat verzoekster in Nederland mag blijven op basis van afgeleid verblijfsrecht. Er is volgens verzoeksters eigen verklaring met [naam 2] geen enkele familierechtelijke betrekking in welke vorm dan ook. Evenmin is ‘family-life’ met [naam 2] beoogd.

Naar voorlopig oordeel zijn dit aanwijzingen van een vermoeden van een schijnerkenning die louter plaatsvond om rechtsgevolgen op het gebied van het nationaliteits- en vreemdelingenrecht te bewerkstelligen. Een dergelijke erkenning is in strijd met de Nederlandse openbare orde. Niet uitgesloten is dat deze constatering er toe kan leiden dat het openbaar ministerie op voet van artikel 1:205, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek de rechtbank zal verzoeken tot vernietiging van de erkenning. Bijgevolg zal [naam 1] haar Nederlanderschap verliezen. Het ligt dan ook voor de hand dat de IND een nader onderzoek zal instellen en de uiteindelijke uitkomst daarvan is op dit moment ongewis.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder dan ook worden gevolgd in zijn standpunt dat eerst de IND, na zorgvuldig onderzoek, de verblijfsrechtelijke status van verzoekster dient vast te stellen en verzoekster vooralsnog niet gelijk gesteld kan worden met een Nederlander, onverlet het Nederlanderschap van [naam 1] op het moment van aanvraag. Verzoeksters situatie kan vooralsnog niet gelijk worden gesteld met die personen die verblijfsrechtelijke status in Nederland hebben. Vooralsnog heeft de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten om de uitkomst van de bezwaarprocedure in te schatten. Bovendien heeft de voorzieningenrechter onvoldoende aanwijzingen dat verweerders besluit van 13 juli 2017 onrechtmatig is genomen.

De conclusie is dat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

4.4

Ten aanzien van de verzochte spoedopvang op voet van artikel 2.3.3. van de WMO 2015 overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder ter zitting heeft toegezegd dat verzoekster, in geval van daadwerkelijke dakloosheid op 1 augustus 2017, terstond voor moeder en kind passende (tijdelijke) opvang zal worden geboden door de gemeente Ede. Verweerder heeft ter zitting toegezegd dat onmiddellijk na opvang er een besluit zal worden afgegeven. Verweerder heeft overigens zijn (voorlopig) standpunt met betrekking tot de verzochte spoedopvang kenbaar gemaakt in zijn besluit van 13 juli 2017 met betrekking tot de aanvraag om bijstand. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzoekster beroep tegen verweerders gestelde fictieve weigering op aanvraag te beslissen gegrond te verklaren. Evenmin bestaat er aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

5.1

Er bestaat geen aanleiding verweerder te belasten met de proceskosten van verzoekster.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

-
verklaart het beroep tegen de fictieve weigering op aanvraag te beslissen ongegrond;

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van H. de Groot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 28 juli 2017.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak op de voorlopige voorzieningen staat geen rechtsmiddel open.
Tegen deze uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak van hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.