Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3989

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
C/05/311782 / HA ZA 16-598
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Exhibitieplicht. Incident in procedure tegen advocaat wegens gestelde beroepsfout. Toewijzing vordering van die advocaat tot overleggen processtukken o.g.v. 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4041
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/311782 / HA ZA 16-598

Vonnis in incident van 21 juni 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KIPPERSLUIS HOLDING B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J.B.R. Daniels te Arnhem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ADVOLOD B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

2. [Gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Kippersluis, Advolod en [Gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

2.1.

Vanaf 2007 heeft [Gedaagde sub 2] , al dan niet via zijn vennootschap Advolod, juridische diensten verleend aan Kippersluis.

2.2.

Kippersluis heeft in 2007 de aandelen verkregen in de vennootschap [Persoon 1] Bureau voor Coaching en Training B.V. De overeenkomst met betrekking tot de aandelentransactie is neergelegd in een overeenkomst van 25 april 2007 (verder: de overeenkomst). Verkoper was [Naam 1] Holding B.V. (verder: [Naam 1] b.v. ) met als achterliggende aandeelhoudster mevrouw [Persoon 1] ( [Persoon 1] en [Naam 1] b.v. verder samen aangeduid als: [Persoon 1] ).

2.3.

In verband met de uitvoering en naleving van de overeenkomst, met name ten aanzien van het daarvan deel uitmakende concurrentiebeding, zijn er geschillen ontstaan tussen Kippersluis en [Persoon 1] . Deze geschillen hebben geleid tot een aantal gerechtelijke procedures, waaronder een kortgedingprocedure met [Persoon 1] als eiseres, bijgestaan door haar advocaat mr. W.J.M. Messelink (verder Messelink), en Kippersluis als gedaagde, bijgestaan door [Gedaagde sub 2] . Bij kortgedingvonnis van 26 november 2009 werd de vordering van [Persoon 1] toegewezen en werd Kippersluis veroordeeld te gedogen dat [Persoon 1] bepaalde activiteiten ondernam, waaronder het in stand houden van een website. [Persoon 1] heeft die website, die eerder van het internet was gehaald, vanaf 3 december 2009 gereactiveerd.

2.4.

Zijdens Kippersluis is op 30 november 2009 spoedappel tegen het kortgedingvonnis ingesteld. In het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 6 juli 2010 is de vordering van [Persoon 1] alsnog afgewezen. Op 7 juli 2010 heeft [Persoon 1] de site weer van het internet gehaald.

2.5.

Door [Persoon 1] is een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarin zij werd bijgestaan door mr. Kampschreur. In de bodemprocedure is door Kippersluis, bijgestaan door [Gedaagde sub 2] , in reconventie betaling van € 1.025.000,00 aan verbeurde boetes gevorderd. In het tussenvonnis in die procedure van 22 juni 2011 (verder: het tussenvonnis) is daarover geoordeeld dat deze vordering tot een bedrag van € 242.000,00 gegrond was en voor een bedrag van € 401.000,00 ongegrond. De toewijsbaarheid van de daarboven gevorderde verbeurde boetes werd afhankelijk gesteld van door Kippersluis te leveren bewijs.

2.6.

Naar aanleiding van het tussenvonnis heeft er tussen Kippersluis, bijgestaan (in ieder geval tot en met 10 november 2011) door [Gedaagde sub 2] , en [Persoon 1] , bijgestaan door mr. Kampschreur, overleg plaatsgevonden.

2.7.

Op 11 november 2011 is er tussen [Persoon 1] en Kippersluis een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen, waarin - onder andere, kort weergegeven - is overeengekomen dat [Persoon 1] Kippersluis een bedrag van € 300.000,00 zou betalen en haar daarnaast een (vermeende) vordering van [Persoon 1] op Messelink cedeert. Deze vordering (verder: de vordering) betrof een aansprakelijkstelling van Messelink wegens een gestelde beroepsfout, er kort gezegd uit bestaande dat Messelink [Persoon 1] niet schriftelijk en ernstig heeft gewaarschuwd voor het risico van het verbeuren van contractuele boetes door het naar buiten treden onder de naam “Blik naar Buiten”, vóórdat in hoger beroep was beslist over het kortgedingvonnis. De vordering bedroeg € 328.044,00, bestaande uit het voornoemde schikkingsbedrag van € 300.000,00, vermeerderd met € 28.044,27 aan kosten die [Persoon 1] in de bodemprocedure had moeten maken aan rechtsbijstand.

2.8.

Nadat Messelink de aansprakelijkheid van de hand had gewezen heeft Kippersluis, bijgestaan door mr. A.T. Bolt, met betrekking tot de vordering een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank heeft in het eindvonnis Kippersluis in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard, kort gezegd omdat niet Messelink maar de maatschap [naam maatschap] (verder: [naam maatschap]), waarvan de praktijkvennootschap van Messelink maat is, contractspartij was van [Persoon 1] . De subsidiaire grondslag, onrechtmatig handelen door Messelink, is door de rechtbank afgewezen op de grond dat daarvoor onvoldoende gesteld was. Het rechtbankvonnis is in hoger beroep ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid bekrachtigd. Tegen het oordeel van de rechtbank dat Kippersluis onvoldoende had gesteld om haar vordering op de subsidiaire grondslag van onrechtmatig handelen te kunnen toewijzen had Kippersluis geen grieven gericht.

2.9.

In de bodemzaak tussen Kippersluis en Advolod en [Gedaagde sub 2] vordert Kippersluis - kort gezegd - verklaring voor recht dat Advolod en [Gedaagde sub 2] jegens Kippersluis zijn tekortgeschoten in de verplichtingen uit de tussen hen gesloten overeenkomst, en dat zij aansprakelijk zijn voor daaruit voortvloeiende schade ten belope van € 401.593,--, bestaande uit de begrote waarde van de vordering van € 328.044,00 en € 11.600,00 aan proceskostenveroordeling en € 61.948,00 aan honoraria en griffierechten, met veroordeling van Advolod en [Gedaagde sub 2] tot betaling van dat bedrag, vermeerderd met kosten. Ten aanzien van [Gedaagde sub 2] is deze vordering subsidiair gegrond op gesteld onrechtmatig handelen.

2.10.

Het verwijt dat Kippersluis Advolod en [Gedaagde sub 2] in de bodemzaak maakt komt er kort gezegd op neer dat [Gedaagde sub 2] /Advolod een beroepsfout heeft gemaakt bij het adviseren van Kippersluis bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Ten onrechte is Kippersluis daarbij, aldus Kippersluis, kort gezegd, niet goed geïnformeerd over de tenaamstelling van de vordering, wat, aldus Kippersluis, de reden is voor het niet kunnen innen van de vordering en de afwijzing van de vordering in rechte. Subsidiair stelt Kippersluis dat [Gedaagde sub 2] haar niet goed heeft geadviseerd nu hij haar bij de onderhandelingen had verteld dat de vordering “een inkoppertje” was.

2.11.

Advolod en [Gedaagde sub 2] hebben in de bodemzaak nog niet geconcludeerd voor antwoord, maar stellen zich kennelijk, kort weergegeven, op het standpunt dat het niet kunnen innen van de vordering niet te wijten is aan hun advies maar door onjuist procederen door Kippersluis en/of haar opvolgende advocaat, althans het door hen niet opvolgen van het advies van [Gedaagde sub 2] ten aanzien van de wijze van stuiting van de vordering. Zij betwisten voorts - zo begrijpt de rechtbank - dat gezegd is dat de vordering een “inkoppertje” was. Naast de fouten en het causaal verband betwisten Advolod en [Gedaagde sub 2] ook de omvang van de gevorderde schade en beroepen zij zich - zo begrijpt de rechtbank - op eigenschuld aan de zijde van Kippersluis en het door haar niet voldoen aan haar schadebeperkingsplicht.

3 De vordering in het incident

3.1.

Advolod en [Gedaagde sub 2] vorderen dat de rechtbank in het incident bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Kippersluis veroordeelt om aan Advolod en [Gedaagde sub 2] te verstrekken:

a. alle processtukken in eerste aanleg in de procedure tussen Kippersluis Holding B.V. en mr. Messelink, eindigend in het vonnis van de Rechtbank Gelderland met zittingsplaats Arnhem van 21 mei 2014, met nummer ECLI:NL:RBGEL:2014:4331, meer specifiek de dagvaarding (met alle producties), de conclusie van antwoord (met alle producties), het in dat vonnis genoemde tussenvonnis van 4 september 2013, het proces-verbaal van de comparitie van 3 december 2013 en het verslag van de comparitie van partijen van 3 december 2013 opgemaakt door de advocaten van beide partijen;

b. alle processtukken in hoger beroep in de procedure tussen Kippersluis en mr. Messelink, eindigend in het arrest van het Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden met zittingsplaats Arnhem van 16 juni 2015, met nummer ECLI:NL:GHARL:2015:4363, meer specifiek de appeldagvaarding van 15 augustus 2014, de memorie van grieven (met producties) en de memorie van antwoord (met producties);

c. alle correspondentie gezonden tussen Kippersluis (al dan niet door Nysingh/Daniels) en Messelink/[naam maatschap]/Aon/hun advocaat aangaande de gepretendeerde vordering van Kippersluis (namens [Persoon 1] ) op Messelink/[naam maatschap];

d. alle nadere ondertekende stukken tussen Kippersluis en [Persoon 1] van eind 2016, alsmede stuitingsbrieven verstuurd door [Persoon 1] aan Messelink/[naam maatschap] aangaande de gepretendeerde vordering van Kippersluis (namens [Persoon 1] ) op Messelink/[naam maatschap];

2. het gevorderde toe te wijzen op straffe van een onmiddellijk opeisbare, door Kippersluis verschuldigde, dwangsom van € 10.000,-- voor iedere keer dat Kippersluis niet (volledig) voldoet aan één of meer tegen haar uitgesproken veroordelingen, in dier voege dat deze dwangsommen evenzoveel keer verschuldigd zullen zijn als aan (onderdelen van) de genoemde veroordeling niet (volledig) wordt voldaan en, cumulatief, per dag dat de betreffende niet-voldoening voortduurt, daarbij ieder gedeelte van de dag als hele gerekend;

3. ten laste van Kippersluis die voorziening te treffen ex art. 22 Rv en/of art. 843a Rv die de rechtbank gerade acht;

met veroordeling van Kippersluis in de kosten van dit geding, daaronder begrepen de nakosten.

3.2.

Advolod en [Gedaagde sub 2] stellen, kort gezegd, dat de gevorderde stukken voldoende bepaald zijn en de rechtsbetrekking tussen Advolod en [Gedaagde sub 2] en Kippersluis aangaan en dat Advolod en [Gedaagde sub 2] belang hebben bij de afgifte om verweer te kunnen voeren tegen de vordering in de hoofdzaak van Kippersluis, althans om hun standpunt daarin (nader) te kunnen bepalen.

3.3.

Kippersluis voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Op grond van artikel 843a Rv kan - kort weergegeven - iemand die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is van degene die die bescheiden onder zich heeft.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat, zoals ook niet is betwist, de stukken waarvan Advolod en [Gedaagde sub 2] afgifte vorderen zoals in 3.1. weergegeven onder 1.a. en 1.b. voldoende bepaald zijn in de zin van art. 843a Rv. De rechtbank is van oordeel dat dit, anders dan Kippersluis aanvoert, ook geldt voor de in 3.1. onder 1.c. en 1.d. genoemde stukken. De stukken genoemd onder 1.c. zijn concreet afgebakend, nu het gaat om correspondentie tussen specifiek genoemde (rechts-)personen over een afgebakend onderwerp: “aangaande de gepretendeerde vordering van Kippersluis (namens [Persoon 1] ) op Messelink/[naam maatschap]”. Ook bij de onder 1.d. genoemde stukken gaat het om specifiek omschreven geschriften, te weten ondertekende stukken en stuitingsbrieven, tussen concreet genoemde (rechts)personen in een bepaalde periode (eind december 2016). Zoals ook volgt uit de conclusie van antwoord in het incident onder randnummer 12, is bij Kippersluis bekend over welke stukken het gaat. De omstandigheid dat de bescheiden niet individueel omschreven zijn, doet aan het vorenstaande niet af.

4.3.

Ten aanzien van het belang overweegt de rechtbank dat in de hoofdzaak een gestelde beroepsfout met betrekking tot de vordering het onderwerp van geschil is. Kippersluis stelt primair dat het gegeven dat de vordering in en buiten rechte - tot dusver - oninbaar is gebleken, het gevolg is van slecht advies door [Gedaagde sub 2] , terwijl Advolod en [Gedaagde sub 2] dit gemotiveerd betwisten. Zij voeren aan dat dit het gevolg, althans mede het gevolg, is van, kort weergegeven, inadequaat handelen en procederen door Kippersluis en/of haar (opvolgende) advocaat. Met deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank het belang van Advolod en [Gedaagde sub 2] om over (afschriften van) de processtukken in die procedures te kunnen beschikken alsmede over de correspondentie met Messelink, de wederpartij van de vordering, en de rechtspersonen waarin hij participeert, teneinde hun verweer te kunnen onderbouwen, voldoende komen vast te staan. Nu Advolod en [Gedaagde sub 2] voorts gemotiveerd aanvoeren dat het niet kunnen innen van de vordering en de gevorderde schade mede het gevolg is van het niet juist opvolgen van hun advies en het niet correct stuiten van de vordering jegens Messelink en zijn maatschap is het belang om over (afschriften van) de daarop ziende stukken te kunnen beschikken ook afdoende komen vast te staan.

4.4.

De rechtbank overweegt dat Kippersluis nog stelt dat de verweren van Advolod en [Gedaagde sub 2] , hen hoe dan ook niet kunnen baten, gelet op de subsidiaire grondslag van haar vordering, te weten dat [Gedaagde sub 2] haar ten onrechte heeft voorgehouden dat de vordering een ‘inkoppertje’ zou zijn. De rechtbank overweegt dat indien dit zo gezegd zou zijn, wat, gelet op de kennelijke betwisting door Advolod en [Gedaagde sub 2] niet vaststaat, daaruit, anders dan Kippersluis stelt, nog niet volgt dat Advolod en [Gedaagde sub 2] geen belang meer hebben bij (afschriften van) de stukken teneinde hun verweer ten aanzien van het gestelde verband tussen de gestelde beroepsfout van [Gedaagde sub 2] en de schade, alsmede het eigen-schuldverweer te kunnen onderbouwen.

4.5.

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank tevens dat de vordering van Advolod en [Gedaagde sub 2] betrekking heeft op stukken die een rechtsbetrekking aangaan waarbij Advolod en [Gedaagde sub 2] partij zijn, te weten een rechtsbetrekking uit een gestelde tekortkoming door Advolod en [Gedaagde sub 2] in hun verplichtingen jegens Kippersluis en/of uit onrechtmatige daad van [Gedaagde sub 2] jegens Kippersluis .

4.6.

Kippersluis heeft ten aanzien van het onder 1.c. gevorderde nog aangevoerd dat gewichtige redenen zich verzetten tegen afgifte van de stukken, voor zover het confraternele correspondentie betreft. Dit, aldus Kippersluis, gelet op het vertrouwelijk karakter daarvan. De rechtbank overweegt dat zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, uit de enkele omstandigheid dat een stuk ‘confraterneel’ is, dat wil zeggen afkomstig van de ene advocaat en gericht aan een andere, niet volgt dat dat stuk vertrouwelijk is en wel dusdanig dat dit een gewichtige reden oplevert die zich tegen afgifte verzet. Dit volgt, voor zover Kippersluis daarop doelt, ook niet reeds uit artikel 12 van de gedragsregels voor advocaten, waarin slechts voorwaarden worden gesteld waaronder dergelijke correspondentie in rechte mag worden betrokken. Bijzondere omstandigheden waaruit ten aanzien van onder 1.c. gevorderde stukken dergelijke gewichtige redenen volgen, zijn niet gegeven.

4.7.

Ook ten aanzien van de overige stukken zijn geen gewichtige reden aangevoerd die zich tegen afgifte verzetten. Kippersluis heeft evenmin de stelling van Advolod en [Gedaagde sub 2] weersproken dat zij de stukken niet op andere wijze kunnen verkrijgen en dat zij deze desgevraagd ook niet eerder hebben gekregen van de voormalige advocaten van respectievelijk Kippersluis en [naam maatschap]. Mede gelet voorts op de genoemde belangen van Advolod en [Gedaagde sub 2] is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde stukken voldoende is gewaarborgd.

4.8.

Uit het vorenstaande volgt dat aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 843a Rv is voldaan. De rechtbank zal daarom de vordering tot afgifte van de door Advolod en [Gedaagde sub 2] genoemde stukken toewijzen, met dien verstande dat, nu Advolod en [Gedaagde sub 2] niet hebben onderbouwd belang te hebben bij de originele stukken, volstaan kan worden met afgifte van afschriften van de stukken. Tegen de gevorderde dwangsom is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Deze zal worden toegewezen vanaf 14 dagen na vonnisdatum met dien verstande dat deze zal worden beperkt, zoals hierna vermeld, tot een maximum van € 300.000,00.

4.9.

Kippersluis zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, die tot op heden worden begroot op 1 punt à € 452,00 voor het salaris advocaat.

4.10.

De gevorderde veroordeling in de nakosten worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

In de hoofdzaak

4.11.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor conclusie van antwoord.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

veroordeelt Kippersluis om aan Advolod en [Gedaagde sub 2] te verstrekken afschriften van:

a. alle processtukken in eerste aanleg in de procedure tussen Kippersluis Holding B.V. en Messelink, eindigend in het vonnis van de Rechtbank Gelderland met zittingsplaats Arnhem van 21 mei 2014, met nummer ECLI:NL:RBGEL:2014:4331, meer specifiek de dagvaarding (met alle producties), de conclusie van antwoord (met alle producties), het in dat vonnis genoemde tussenvonnis van 4 september 2013, het proces-verbaal van de comparitie van 3 december 2013 en het verslag van de comparitie van partijen van 3 december 2013 opgemaakt door de advocaten van beide partijen;

b. alle processtukken in hoger beroep in de procedure tussen Kippersluis en Messelink, eindigend in het arrest van het Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden met zittingsplaats Arnhem van 16 juni 2015, met nummer ECLI:NL:GHARL:2015:4363, meer specifiek de appeldagvaarding van 15 augustus 2014, de memorie van grieven (met producties) en de memorie van antwoord (met producties);

c. alle correspondentie gezonden tussen Kippersluis (al dan niet door Nysingh/Daniels) en Messelink/[naam maatschap]/Aon/hun advocaat aangaande de gepretendeerde vordering van Kippersluis (namens [Persoon 1] ) op Messelink/[naam maatschap];

d. alle nadere ondertekende stukken tussen Kippersluis en [Persoon 1] van eind 2016, alsmede stuitingsbrieven verstuurd door [Persoon 1] aan Messelink/[naam maatschap] aangaande de gepretendeerde vordering van Kippersluis (namens [Persoon 1] ) op Messelink/[naam maatschap],

5.2.

veroordeelt Kippersluis om aan Advolod en [Gedaagde sub 2] een dwangsom te betalen van € 10.000,-- voor iedere dag dat zij na veertien dagen na vonnisdatum niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, in dier voege dat deze dwangsom evenzoveel keer verschuldigd is als aan (onderdelen van) de genoemde veroordeling niet (volledig) wordt voldaan en, cumulatief, per dag dat de betreffende niet-voldoening voortduurt, daarbij ieder gedeelte van de dag als hele gerekend, tot een maximum van € 300.000,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt Kippersluis in de kosten van het incident, aan de zijde van Advolod en [Gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 452,00,

5.4.

veroordeelt Kippersluis in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 augustus 2017 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2017.