Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3985

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
C/05/305021 / HZ ZA 16-289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

falende bewindvoerder. Geen bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten bewind en mentorschap. geen deugdelijk verantwoording over PGB gegeven, waardoor client geconfronteerd werd met terugvordering en deurwaarderskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/305021 / HZ ZA 16-289

Vonnis van 2 augustus 2017

in de zaak van

DIRK ARJAN HOGERVORST t.h.o.d.n. BilancioBudget, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [naam onderbewindgestelde],

gevestigd te Elst,

eiser,

advocaat mr. B. Klomp-de Wijk te Nijmegen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOFIAD BEWIND B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Hogervorst en Sofiad genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 september 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 november 2016

  • -

    de akte wijziging van eis van 5 december 2016

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Hogervorst van 18 januari 2017

  • -

    de akte na comparitie van Sofiad van 18 januari 2017

  • -

    de akte tevens houdende wijziging van eis van Hogervorst van 15 februari 2017

  • -

    de akte na eiswijziging van Sofiad van 15 maart 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Sofiad is bewindvoerder geweest van [naam onderbewindgestelde] , geboren op [geboortedatum] 1993.

2.2.

Bij op tegenspraak gewezen beschikking van de kantonrechter van 7 november 2014 is Sofiad op verzoek van [onderbewindgestelde] per 1 december 2014 ontslagen als bewindvoerder over [onderbewindgestelde] omdat het vertrouwen in haar als bewindvoerder niet meer aanwezig is. Bilancio Budget, onder welke naam Hogervorst tevens handelt, is per 1 december 2014 benoemd als bewindvoerder over [onderbewindgestelde] .

Ook is bij deze beschikking op eigen verzoek de toenmalige mentor, [naam toenmalige mentor] , die ingaande 1 juli 2012 was benoemd, ontslagen per 1 december 2014. De moeder van [onderbewindgestelde] is toen benoemd tot haar mentor, omdat de situatie tussen hen beiden zich weer had genormaliseerd.

Omtrent het verzoek van [onderbewindgestelde] om Sofiad hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de schade die [onderbewindgestelde] zou hebben geleden en nog zal lijden, heeft de kantonrechter overwogen dat hij uit de ingediende stukken en het verhandelde ter zitting niet heeft kunnen vaststellen dat [onderbewindgestelde] schade heeft geleden. Om die reden heeft hij Sofiad niet veroordeeld tot vergoeding van enige schade.

3 Het geschil

3.1.

Hogervorst vordert na wijziging van eis dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

a. a) voor recht zal verklaren dat Sofiad als bewindvoerder tekort is geschoten in de uitvoering van haar werkzaamheden als bewindvoerder van [onderbewindgestelde] door het gereserveerde overschot van het PGB over 2011 en 2012 aan te wenden om de lopende zorgkosten voor 2013 mee te voldoen, terwijl Sofiad voor deze kosten geen PGB heeft aangevraagd noch verantwoord,

b) Sofiad zal veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan [onderbewindgestelde] te betalen een schadevergoeding ter hoogte van € 34.201,08, althans een in goede justitie te bepalen schadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en

c) Sofiad zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Hogervorst legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag.

Sofiad is als bewindvoerder van [onderbewindgestelde] tekort geschoten in de uitvoering van haar taak en [onderbewindgestelde] heeft daardoor schade geleden. Zo heeft Sofiad voor [onderbewindgestelde] , hoewel zij in de jaren 2011 tot en met 2014 een (Wajong)uitkering op minimumniveau had, geen bijzondere bijstand aangevraagd voor de jaarlijkse kosten van bewindvoering, de kosten van het mentorschap, de kosten beheer PGB en de intakekosten bewind en mentorschap. Ook heeft [onderbewindgestelde] schade geleden doordat over 2011 een bedrag van € 14.300,-- en over 2012 een bedrag van € 6.679,02 aan PGB-gelden is teruggevorderd, omdat Sofiad over deze gelden geen (deugdelijke) verantwoording heeft afgelegd aan het Zorgkantoor. Omdat de verantwoording over 2011 en 2012 niet goed verliep, heeft het Zorgkantoor de PGB- betalingen in 2013 gestaakt. De zorgverleners die als gevolg daarvan niet meer betaald werden, hebben een deurwaarder ingeschakeld om hun vorderingen te incasseren. Toen de PGB-gelden over 2013 en 2014 met terugwerkende kracht alsnog uitgekeerd werden, zijn deze vorderingen alsnog voldaan, maar de kosten van de deurwaarders zijn toen niet vergoed. Zou Sofiad een goed bewind hebben gevoerd dat was [onderbewindgestelde] niet met deze kosten geconfronteerd geworden. Sofiad is als bewindvoerder ook tekort geschoten in de uitvoering van haar werkzaamheden als bewindvoerder van [onderbewindgestelde] door het gereserveerde overschot van het PGB over 2011 en 2012 aan te wenden om de lopende zorgkosten voor 2013 mee te voldoen, terwijl Sofiad voor deze kosten geen PGB heeft aangevraagd noch verantwoord.

Nadat Hogervorst het bewind heeft overgenomen van Sofiad, heeft hij een bedrag van € 464,64 extra in rekening aan [onderbewindgestelde] gebracht als forfaitair bedrag voor het schuldendossier en € 314,60 voor de inventarisatie van de schulden van [onderbewindgestelde] . Ook deze kosten zijn aan te merken als door Sofiad aan [onderbewindgestelde] te vergoeden schade.

3.3.

Sofiad voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Sofiad heeft in haar conclusie van antwoord allereerst gesteld dat niet vast staat dat [onderbewindgestelde] door toedoen van Sofiad schade heeft geleden, gelet op wat de kantonrechter in zijn beschikking van 7 november 2014 heeft geoordeeld. Daarbij ging het om exact dezelfde schade als die waarvan Hogervorst in deze zaak vergoeding vordert, aldus Sofiad. Ter comparitie heeft Hogervorst erop gewezen dat de kantonrechter, na te hebben overwogen dat hij uit de ingediende stukken en het verhandelde ter zitting niet heeft kunnen vaststellen dat [onderbewindgestelde] schade heeft geleden, Sofiad “thans” niet heeft veroordeeld tot vergoeding van enige schade van [onderbewindgestelde] . De beschikking bevat dan ook geen inhoudelijk oordeel over de gevorderde schade, zo meent Hogervorst. De rechtbank vat het verweer van Sofiad op als een impliciet beroep op het gezag van gewijsde van de beslissing van de kantonrechter van 7 november 2014. Dat beroep faalt evenwel, aangezien de beslissing van de kantonrechter over de gevorderde schade in de beschikking van 7 november 2014 niet de rechtsbetrekking betrof die in geschil was bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft beslist op verzoeken om Sofiad te ontslaan als bewindvoerder en tot benoeming van een andere bewindvoerder en ontslag van de mentor van [onderbewindgestelde] . Daarbij komt dat Hogervorst ook geen partij was in dat geding.

4.2.

Sofiad heeft betwist dat zij vanaf 13 juli 2011 bewindvoerder van [onderbewindgestelde] is geweest, zoals Hogervorst heeft gesteld, en aangevoerd dat zij sinds 13 maart 2012 bewindvoerder is geweest. Voordien was volgens haar de voor haar werkzame I. Post bewindvoerder van [onderbewindgestelde] . De rechtbank gaat aan deze betwisting voorbij, nu uit de eerste van de drie door Sofiad zelf overgelegde, eerder door haar bij de kantonrechter ingediende, rekening en verantwoordingen (productie 4) blijkt dat deze de periode van 13 juli 2011 tot en met 31 december 2011 beslaat.

4.3.

Gelet op artikel 1:444 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet in deze zaak nagegaan worden of Sofiad in de periode tussen 13 juli 2011 en 1 december 2014 is tekortgeschoten in de zorg van een goed bewindvoerder. Daarvan zal in het algemeen sprake zijn als zij aan het vermogen van [onderbewindgestelde] niet de zorg heeft besteed die men gewoonlijk aan het eigen vermogen geeft.

Het aanvragen van bijzondere bijstand

4.4.

Sofiad heeft aanvankelijk aangevoerd dat zij tot de 21ste verjaardag van [onderbewindgestelde] op 4 februari 2014 geen bijzondere bijstand heeft aangevraagd, omdat [onderbewindgestelde] daar geen recht op had. Ingevolge artikel 12 van de Participatiewet (voorheen Wet Werk en Bijstand) hebben personen van 18, 19 en 20 jaar oud alleen recht op bijzondere bijstand als hun noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm, en zij voor die kosten geen beroep kunnen doen op hun ouders. Zou zij wel bijzondere bijstand hebben aangevraagd, dan zou zij hebben gefraudeerd en zouden de uitgekeerde bedragen terug gevorderd worden, aldus Sofiad. Ter zitting heeft Sofiad gesteld dat zij “denkt” dat zij bijzondere bijstand voor de hier aan de orde zijnde kosten heeft aangevraagd vóór de 21ste verjaardag van [onderbewindgestelde] .

Bij haar akte na comparitie heeft Sofiad als productie 8 een brief van de gemeente Deventer (waar [onderbewindgestelde] tot 27 december 2012 woonde) aan Sofiad van 8 oktober 2012 in het geding gebracht, waaruit blijkt dat Sofiad op 26 september 2012 bijzondere bijstand heeft aangevraagd voor de kosten van bewindvoering en waarin wordt meegedeeld dat [onderbewindgestelde] niet voor deze bijzondere bijstand in aanmerking komt, omdat haar draagkracht in de periode van 1 september 2012 tot en met 1 september 2013 hoger is dan de noodzakelijke kosten die zij maakt, en omdat [onderbewindgestelde] een beroep op haar moeder kan doen, aangezien op haar moeder totdat [onderbewindgestelde] 21 jaar wordt, een onderhoudsplicht rust.

Hogervorst heeft betwist dat deze brief betrekking heeft op [onderbewindgestelde] . Omdat uit de aanhef van deze brief van de gemeente Deventer duidelijk blijkt dat de beslissing betrekking heeft op [onderbewindgestelde] , gaat de rechtbank aan de betwisting door Hogervorst voorbij.

Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand door de gemeente Deventer heeft Hogervorst aangevoerd dat Sofiad tegen deze beslissing met succes bezwaar had kunnen aantekenen, omdat de inkomens van [onderbewindgestelde] en haar moeder minimaal waren, zodat wel recht op bijstand bestond. Sofiad heeft volgens Hogervorst echter nimmer geïnformeerd naar de inkomens- en vermogenspositie van de moeder van [onderbewindgestelde] . Sofiad heeft ter zitting verklaard dat het vermogen van de ouders van [onderbewindgestelde] zodanig was dat zij veronderstelde dat [onderbewindgestelde] niet voor bijstand in aanmerking kwam.

4.5.

Hogervorst heeft als productie 10 een brief van de gemeente Deventer van 2 mei 2015 aan [onderbewindgestelde] in het geding gebracht waarin wordt meegedeeld dat naar aanleiding van een aanvraag op 30 december 2014 aan [onderbewindgestelde] bijzondere bijstand zal worden toegekend voor de kosten beheer PGB, voor de intakekosten en voor de maandelijkse kosten van bewindvoering. Naast een eenmalig bedrag van € 638,28 voor de kosten beheer PGB en een eenmalig bedrag van € 468,88 voor de intakekosten wordt haar maandelijks voor onbepaalde tijd een bedrag toegekend van € 103,25 ingaande 1 december 2014 en van € 111,42 vanaf 1 januari 2015. Ter zitting heeft Hogervorst verklaard dat de bijzondere bijstand over de periode van 14 februari 2015 tot 1 november 2016 is teruggevorderd in verband met een nabetaling van de Wajonguitkering van [onderbewindgestelde] . Daarbij is gewezen op een e-mailbericht van de gemeente Apeldoorn aan hem (dat als onderdeel van productie 19 door Hogervorst is overgelegd) van 5 december 2016, waarin te lezen valt dat de bijzondere bijstand ingaande 14 februari 2015 vanwege overschrijding van het vrij te laten vermogen/ het vrij te laten bedrag is teruggevorderd.

4.6.

De rechtbank stelt vast dat Sofiad de stelling van Hogervorst dat het inkomen van [onderbewindgestelde] over de jaren 2011 tot en met 2014 gezien de jaaropgaven van ontvangen Wajonguitkering en van een uitkering verstrekt door het ABP, zo laag was dat zij in aanmerking had kunnen komen voor bijzondere bijstand, niet expliciet heeft betwist. Dat geldt ook voor de stelling van Hogervorst dat zich in de periode dat Sofiad bewindvoerder was, veranderingen hebben voorgedaan die aanleiding gaven om te bezien of [onderbewindgestelde] in aanmerking zou komen voor bijzondere bijstand. Zo is [onderbewindgestelde] uit huis gegaan, is haar vader medio 2012 overleden en is [onderbewindgestelde] weer bij haar moeder gaan wonen, aldus Hogervorst. Sofiad heeft ter zitting alleen gesteld dat de wezenuitkering van [onderbewindgestelde] na het overlijden van haar vader medio 2012 in de weg stond aan toekenning van bijzondere bijstand, maar die stelling niet onderbouwd. Sofiad heeft in haar akte na comparitie nog gesteld dat de draagkracht van [onderbewindgestelde] “gedurende de jaren dat zij nog geen 21 was geworden, steeds hoger is gebleven dan haar noodzakelijke kosten”. Zij heeft die stelling niet met concrete cijfers onderbouwd en dat had gezien de hiervoor vermelde jaaropgaven wel van haar gevergd kunnen worden. Met de afwijzing van de aangevraagde bijzondere bijstand door de gemeente Deventer in de brief van 8 oktober 2012 is wel komen vast te staan dat [onderbewindgestelde] in de periode van 1 september 2012 tot 1 september 2013 niet in aanmerking zou zijn gekomen voor bijzondere bijstand. Ten aanzien van die afwijzing wordt nog overwogen dat Hogervorst zijn stelling dat tegen de afwijzing door de gemeente Deventer van de aanvraag met succes bezwaar gemaakt had kunnen worden, onvoldoende heeft onderbouwd en dat is reden om daaraan voorbij te gaan. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat Sofiad in de zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten door voor de kosten waarop [onderbewindgestelde] doelt, in de periode van 13 juli 2011 tot 1 september 2012 geen bijzondere bijstand aan te vragen.

4.7.

Met betrekking tot de periode van 1 september 2013 tot 1 december 2014 wordt het volgende overwogen. Sofiad heeft als productie 9 een aan de gemeente Apeldoorn gerichte aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind overgelegd, gedateerd 21 april 2014. De rechtbank hecht daaraan geen betekenis omdat (zoals ook Hogervorst heeft aangevoerd) uit deze aanvraag niet blijkt dat deze bij de gemeente Apeldoorn is ingediend. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat uit productie 19 van Hogervorst blijkt dat de door Sofiad als productie 7 in het geding gebrachte aanvraag voor bijzondere bijstand bij de gemeente Apeldoorn van 28 mei 2014, anders dan Sofiad heeft aangevoerd, geen betrekking had op [onderbewindgestelde] , maar op een andere cliënt van Sofiad en dat uit productie 9 van Hogervorst blijkt dat van de zijde van die gemeente in een e-mailbericht van 30 december 2014 aan Hogervorst is meegedeeld dat in het verleden niet eerder een aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten is ingediend. Gezien het vorenstaande is ook voor de periode van 1 september 2013 tot 1 december 2014 komen vast te staan dat Sofiad in de zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten door geen bijzondere bijstand aan te vragen voor de eerder bedoelde kosten.

4.8.

Als gevolg van het tekortschieten van Sofiad heeft [onderbewindgestelde] schade geleden ter hoogte van de kosten waarom het hier gaat. Sofiad heeft nog aangevoerd dat zij voor het PGB-beheer nimmer kosten in rekening heeft gebracht, maar dat is in tegenspraak met de door haar afgelegde rekening en verantwoording over de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 november 2014 (productie 11 van Hogervorst). Daarin staat vermeld een resterende schuld van [onderbewindgestelde] aan Sofiad per 30 november 2014 van € 1.394,52 voor “PGB 2013 + 2014 en eindafrekening”.

4.9.

De schade die [onderbewindgestelde] heeft geleden doordat zij in de periode van 13 juli 2011 tot 1 september 2012 en in de periode van 1 september 2013 tot 1 december 2014 de (intake) kosten van bewindvoering en mentorschap en de kosten van het beheer PGB heeft moeten voldoen, kan als volgt worden vastgesteld. Hogervorst heeft onbetwist gesteld dat de intakekosten voor het bewind € 456,37 bedroegen en de intakekosten voor het mentorschap € 383,50. Ook de in het overzicht in de dagvaarding opgenomen kosten van bewind en mentorschap zijn door Sofiad niet betwist. De rechtbank zal de gevorderde kosten van het bewind over (de periode van 13 juli 2011 tot eind) 2011 en over (de periode van 1 januari 2014 tot 1 december) 2014 en de gevorderde kosten van het mentorschap over (de periode van 1 januari 2014 tot 1 december) 2014 volledig toewijzen, de gevorderde kosten van het

bewind over 2012 voor 8/12de deel en over 2013 voor 4/12de deel en de gevorderde kosten van het mentorschap over 2012 voor 2/12de deel en die over 2013 voor 4/12de deel. De gevorderde kosten voor beheer PGB over (de schadeperiode in) 2011 komen als onbetwist volledig voor toewijzing in aanmerking, het gevorderde bedrag over 2012 voor 8/12de deel. De kosten beheer PGB over 2013 en 2014 zullen conform de onbetwiste opgave van Hogervorst, dus voor een bedrag van € 1.394,52, worden toegewezen. Dit alles resulteert in het volgende:

Kosten bewind:

Intake € 456,37

2011 595,60

2012 (€ 1.210,54 : 12 = € 100,878 x 8 =) 807,03

2013 (€ 1.234,20 : 12 = € 102,85 x 4 = ) 411,40

2014 1.135,75

Kosten mentorschap

Intake 383,50

2012 (€ 506,50 : 12 = € 42,21 x 2 =) 84,42

2013 (€ 1.020,-- : 12 = € 85,-- x 4 =) 340,00

2014 383,50

Beheer PGB

2011 285,86

2012 (€ 576,26 : 12 = € 48,02 x 8 =) 384,17

2013 en 2014 1.394,52

Totaal € 6.662,12

Deze vordering zal daarom voor een bedrag van € 6.662,12 worden toegewezen.

Kosten schuldendossier

4.10.

Ten aanzien van de kosten schuldendossier ad € 464,64 en kosten inventarisatie schade ad € 314,60 heeft Sofiad weersproken dat deze kosten door Hogervorst bij [onderbewindgestelde] in rekening zijn gebracht. Volgens Sofiad was er ook geen sprake van problematische schulden, die toepassing van een forfaitair bedrag volgens een LOVCK-tarief rechtvaardigen. Hogervorst was voorts niet gerechtigd om € 314,60 bij [onderbewindgestelde] in rekening te brengen, omdat het inventariseren van de schade waarop Hogervorst het oog heeft, tot de normale taken van een bewindvoerder hoort, aldus Sofiad. Namens Hogervorst is ter zitting verklaard dat onbekend is of deze kosten in rekening zijn gebracht en is aangeboden bewijs te leveren. Nu Hogervorst bij zijn na de comparitie genomen akten geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit kan worden afgeleid dat deze kosten aan [onderbewindgestelde] in rekening zijn gebracht en evenmin is ingegaan op de overige verweren van Sofiad heeft Hogervorst deze onderdelen van zijn vordering onvoldoende onderbouwd. Dit onderdeel zal daarom worden afgewezen.

PGB 2011 en 2012

4.11.

Hogervorst heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat over 2011 en 2012 geen (deugdelijke) verantwoording over de PGB-gelden is afgelegd, twee beschikkingen van Agis Zorgkantoren van 5 februari 2014 in het geding gebracht (producties 13 en 14). Een daarvan heeft betrekking op 2011. Daarbij is vastgesteld dat van het te verantwoorden PGB-budget een bedrag van € 14.300,00 niet is verantwoord. Dat is gebeurd op basis van ingezonden en akkoord bevonden verantwoordingsformulieren waarop in totaal een bedrag van € 50.423,28 is verantwoord. De tweede beschikking ziet op 2012. Daarbij is vastgesteld dat van het te verantwoorden PGB-budget een bedrag van € 6.679,02 niet is verantwoord. Op de ingezonden verantwoordingsformulieren is over de eerste helft van 2012 een bedrag van € 27.547,00 verantwoord en over de tweede helft van 2012 een bedrag van € 0,00. Het eerste van die twee bedragen is akkoord bevonden. Als productie 15 zijn herinneringen tot betaling van een bedrag van € 20.979,02 overgelegd, waarop is verwezen naar de beide hiervoor vermelde beschikkingen. Sofiad heeft bij wijze van verweer gewezen op een (door haar al eerder aan Hogervorst toegezonden) beschikking van 12 april 2013, waarbij de subsidie over 2012 definitief is vastgesteld en waarin uitdrukkelijk is vermeld dat er geen terugvordering zal plaatshebben. Hogervorst heeft dit laatste bestreden. Dat het bedrag van

€ 20.979,02 (wel) van [onderbewindgestelde] wordt teruggevorderd, blijkt volgens hem uit de stukken die als productie 22 door hem zijn overgelegd. Hij heeft daarnaast erop gewezen dat de beschikking van 12 april 2013 afkomstig is van een ander zorgkantoor dan het zorgkantoor dat de beschikkingen van 5 februari 2014 heeft genomen. Hem is uit navraag gebleken dat er (mogelijk parallel) twee PGB’s vanuit twee verschillende zorgkantoren hebben gelopen. Als de beschikkingen van 5 februari 2014 niet juist zijn, had het op de weg van Sofiad, die toen nog bewindvoerder van [onderbewindgestelde] was, gelegen om daartegen bezwaar te maken, aldus Hogervorst.

4.12.

Sofiad heeft voorts als verweer aangevoerd dat toegekend PGB-budget voor ingekochte, maar niet afgenomen zorg en toegekend PGB-budget voor afgenomen zorg, waarvan het zorgkantoor vindt dat zij niet nodig is geweest, wordt teruggevorderd en dat niet Sofiad, maar de mentoren van [onderbewindgestelde] hebben beoordeeld welke zorg voor haar nodig was. Hogervorst heeft naar aanleiding daarvan aangevoerd dat Sofiad hiermee miskent dat een bewindvoerder verantwoordelijk is voor het beheer van het PGB. In een situatie dat niet alle ingekochte zorg wordt afgenomen, behoort de bewindvoerder te reserveren voor een te verwachten terugvordering. Sofiad heeft ter zitting verklaard dat zij nadat het PGB in 2013 was bevroren, het niet bestede PGB-budget over 2011 en 2012 heeft aangewend om de zorg die in 2013 is verleend, te betalen. Hogervorst heeft naar aanleiding daarvan in zijn akte houdende overlegging producties gesteld dat dit aanwenden zonder zeker te stellen dat voor de verleende zorg alsnog PGB zou worden toegekend, een tekortkoming oplevert. Uit de rekening en verantwoording over het jaar 2013 die Sofiad bij de kantonrechter heeft ingediend (onderdeel van haar productie 6) blijkt dat in dat jaar zorgkosten ten bedrage van € 23.209,82 zijn voldaan. Of daarvoor PGB is aangevraagd, blijft onduidelijk. Hogervorst heeft, nadat hij bewindvoerder was geworden, alsnog verantwoording afgelegd over twee bedragen die in twee perioden in 2013 aan zorg die door Stichting De Passerel is verleend, zijn besteed. Die verantwoordingen zijn bij beschikkingen van 2 juni 2015 en 6 juli 2015 goedgekeurd (overgelegd als productie 24). Het restant van het over 2013 toegekende PGB ad € 32.803,59 is blijkens productie 25 niet verantwoord. Dat bedrag is daarna teruggevorderd en door Hogervorst terugbetaald. Hogervorst houdt vol dat Sofiad over 2011 en 2012 geen sluitende verantwoording heeft afgelegd met de terugvorderingen van in totaal € 20.979,02 als gevolg. Voor zover die verantwoordingen wel sluitend waren en de terugvorderingen niet bestede PGB-gelden betroffen, heeft Sofiad door geen PGB over 2013 aan te vragen bewerkstelligd dat het niet bestede PGB niet kon worden aangewend voor voldoening van te verwachten terugvorderingen.

4.13.

Sofiad heeft in de conclusie van antwoord en nogmaals in haar akte na comparitie aangevoerd dat, voor zover zij weet, de ouders van [onderbewindgestelde] de verantwoording van het PGB over de eerste helft van 2011 hebben verzorgd. Bij de akte na comparitie heeft Sofiad twee verantwoordingsbeschikkingen van Agis Zorgverzekeringen gedateerd 28 november 2012 gevoegd (de producties 10 en 11), waarbij een deel van de door haar verantwoorde zorg over de tweede helft van 2011 en de eerste helft van 2012 is afgekeurd. Tegen deze beschikkingen is door de toenmalige mentor van [onderbewindgestelde] , aangezien deze een leidende rol had bij het inschakelen van de zorg, bezwaar gemaakt dat erin heeft geresulteerd dat Agis Zorgverzekeringen bij beslissing van 14 januari 2014 (productie 13) alsnog een groot deel van de afgekeurde bedragen heeft goedgekeurd en dat van het in totaal afgekeurde bedrag nog € 110,50 resteerde. Sofiad heeft als productie 12 de door haar ingediende verantwoording over de tweede helft van 2012 overgelegd en andermaal de beschikking van 12 april 2013, waarbij het volledige verantwoorde bedrag over de tweede helft van 2012 ad € 34.336,82 akkoord is bevonden. Productie 14 van Hogervorst (een van de beschikkingen van 5 februari 2014) is daarmee achterhaald, aldus Sofiad. Uit al deze stukken blijkt volgens Sofiad dat zij over de tweede helft van 2011 en over 2012 wel deugdelijk verantwoording heeft afgelegd. Zij blijft ook betwisten dat Hogervorst bewijs heeft bijgebracht van het terugvorderen van PGB-gelden over 2011 en 2012. Mocht dat toch het geval zijn, dan vindt die terugvordering haar grondslag in het gebruik van minder PGB-zorg dan waarvoor voorschotten zijn toegekend. Dat is geen gevolg van het tekortschieten van Sofiad in het afleggen van verantwoording over de besteding. Tegen de vaststellingen van het zorgkantoor dat er minder zorg was ingekocht dan waarvoor voorschotten waren toegekend, heeft de mentor dan ook geen bezwaar gemaakt. Sofiad heeft erkend dat zij, nadat het PGB in 2013 was bevroren, de reserves over 2011 en 2012 heeft aangesproken om zorgkosten in 2013 te betalen. Hogervorst had de PGB-gelden over 2013 en 2014 die later zijn uitgekeerd moeten aanwenden om de terugvorderingen over 2011 en 2012 te betalen. Dat er beschikkingen zijn genomen door verschillende zorgkantoren is een gevolg van het feit dat [onderbewindgestelde] in de loop der tijd meermaals is verhuisd. Anders dan Hogervorst veronderstelt ging het niet om twee parallel lopende PGB’s die door twee verschillende zorgkantoren werden uitgekeerd, aldus Sofiad.

4.14.

Hogervorst heeft daarna de deugdelijkheid van de verantwoordingen die Sofiad heeft overgelegd, (andermaal) betwist door erop te wijzen dat de beschikkingen van 5 februari 2014 van later datum zijn dan de beschikkingen van 28 november 2012 en de beschikking van 12 april 2013. Dat de uit de beschikkingen van 5 februari 2014 volgende bedragen worden teruggevorderd, is door hem aangetoond bij zijn akte houdende overlegging producties, zo meent hij. Vaststaat dat Sofiad voor 2013 geen PGB heeft aangevraagd en over dat jaar geen verantwoording heeft ingediend, maar wel zorgkosten ten bedrage van € 23.209,82 heeft betaald en daarvoor het restant van het PGB over 2012 heeft gebruikt, terwijl zij dat restant had moeten reserveren. Daardoor wordt [onderbewindgestelde] nu geconfronteerd met de terugvordering van € 20.979,02.

4.15.

De rechtbank stelt voorop dat het beheer van het PGB van [onderbewindgestelde] (dat ook tot haar vermogen behoorde) door Sofiad als haar bewindvoerder, mede behelsde het tijdig en volledig afleggen van verantwoording aan het zorgkantoor. Dat wordt niet anders doordat de mentor (en niet de bewindvoerder) een leidende rol heeft bij het inschakelen van zorg, nu de bewindvoerder ervoor moet zorgen dat er geen schulden ontstaan als gevolg van beslissingen van het zorgkantoor over die verantwoording en als gevolg van beslissingen van het zorgkantoor over de subsidievaststelling.

4.16.

Tegen die achtergrond moet allereerst worden geoordeeld dat Sofiad, gelet op de betalingsherinneringen van productie 15 van Hogervorst en de brieven van GGN die als productie 22 door hem zijn ingebracht, onvoldoende heeft betwist dat er € 20.979,02 van [onderbewindgestelde] wordt teruggevorderd als uitvloeisel van de beslissingen van 5 februari 2014 over de niet verantwoorde bedragen over 2011 en over 2012. In dit verband verdient nog opmerking dat het zorgkantoor in een door Sofiad zelf in het geding gebrachte brief van

12 april 2013 (onderdeel van haar productie 12) erop heeft gewezen dat de acceptatie van de verantwoording over de tweede helft van 2012 een voorlopig karakter draagt. Gelet op die brief had Sofiad erop bedacht kunnen zijn dat de beslissingen van 28 november 2012 en de beslissing van 12 april 2013 niet in de weg stonden aan de beslissingen van 5 februari 2014 over de verantwoorde zorg over 2011 en 2012. Niet valt dan ook in te zien dat de beslissingen van 5 februari 2014 achterhaald zijn door de beslissing van 12 april 2013, zoals Sofiad heeft gesteld. Dat ligt gezien de latere datering overigens ook bepaald niet voor de hand. Wat daarvan ook zij, als Sofiad had gemeend dat deze beslissingen onjuist waren in het licht van de eerdere beslissingen van 28 november 2012 en de beslissing van 12 april 2013, had het voor de hand gelegen dat tegen de beslissingen van 5 februari 2014 tijdig bezwaar was gemaakt om te voorkomen dat er schulden zouden ontstaan als gevolg van terugvorderingen. Indien deze beslissingen een gevolg zijn van het afnemen van minder zorg dan de zorg waarvoor voorschotten zijn uitgekeerd, zoals Sofiad zelf heeft geopperd (in welk geval, zo begrijpt de rechtbank, het maken van bezwaar zinloos zou zijn geweest) dan had Sofiad, andermaal omdat een bewindvoerder moet voorkomen dat er schulden ontstaan, de resterende PGB-gelden over 2011 en 2012 niet moeten aanwenden voor betalingen aan zorgverleners in 2013. Ook daarbij is niet van belang dat niet Sofiad, maar de mentor van [onderbewindgestelde] verantwoordelijk is voor het inschakelen van zorg. Gezien het vorenstaande is Sofiad bij het beheer van de PGB-gelden in haar taak als bewindvoerder tekortgeschoten. Als gevolg daarvan heeft [onderbewindgestelde] schade geleden doordat van haar € 20.979,02 teruggevorderd. Die schade zal Sofiad dienen te vergoeden. Dit onderdeel van de vordering komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.

Deurwaarderskosten

4.17.

Hogervorst vordert een bedrag van in totaal € 2.520,77 aan deurwaarderskosten. Ter onderbouwing van deze vordering heeft hij als productie 18 twee facturen van deurwaarderskantoren van 31 augustus 2015 ad € 836,52 en van € 1.684,25 in het geding gebracht.

Sofiad heeft weersproken dat zij ten aanzien van deze bedragen schadeplichtig is. Haar verweer dat het niet aan haar wijze van bewindvoering te wijten is dat twee zorgverleners zich hebben bediend van de hulp van deurwaarders, maar aan de (te) late verwerking door de zorgkantoren van de verantwoording van de bestede zorggelden wordt verworpen met verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.11 en verder is overwogen en geoordeeld. Met name het oordeel dat Sofiad voor 2013 geen PGB heeft aangevraagd, over dat jaar geen verantwoording heeft ingediend, maar wel zorgkosten ten bedrage van € 23.209,82 heeft betaald en daarvoor het restant van het PGB over 2011 en 2012 heeft gebruikt, leidt tot het oordeel dat er een voldoende oorzakelijk verband bestaat tussen de schade die [onderbewindgestelde] in de vorm van deurwaarderskosten heeft geleden en de wijze waarop Sofiad bewind heeft gevoerd over het PGB.

Aan het verweer van Sofiad dat Hogervorst kennelijk na medio 2015 niets meer van de deurwaarders heeft gehoord en dat het zorgkantoor wellicht haar verantwoordelijkheid heeft genomen wordt voorbijgegaan. Niet alleen is dit louter speculatief, ook valt niet in te zien waarom het zorgkantoor haar verantwoordelijkheid zou moeten nemen als haar niets te verwijten valt.

Dit onderdeel van de vordering van Hogervorst zal worden toegewezen.

Resumé

4.18.

Dit alles leidt ertoe dat de vorderingen van Hogervorst als volgt zullen worden toegewezen:

(intake)kosten van bewind en mentorschap en kosten beheer PGB € 6.662,12

terugvordering PGB € 20.979,02

deurwaarderskosten € 2.520,77

totaal € 30.161,91

De gevorderde rente zal als niet weersproken worden toegewezen.

4.19.

De door Hogervorst gevorderde verklaring voor recht dat Sofiad als bewindvoerder tekort geschoten is, zal worden afgewezen wegens gebrek aan belang nu de op die tekortkoming gebaseerde vorderingen grotendeels worden toegewezen.

4.20.

Sofiad zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Hogervorst worden begroot op:

- dagvaarding € 99,88

- betaald griffierecht 79,--

- salaris advocaat 1.737,-- (3 punten × factor 1,0 × tarief € 579,--)

Totaal € 1.915,88

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Sofiad om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan [onderbewindgestelde] te betalen een bedrag van € 30.161,91 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt Sofiad in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hogervorst begroot op € 1.915,88,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2017.

ap/le