Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3971

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1389
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling Belastingdienst. Aanvraag voor ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie (variant A) is ten onrechte afgewezen. Geen beleidsvrijheid voor verweerder. Geen ontslagverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/1389

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2017

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Bots),

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2016 (het primaire besluit), verzonden op 12 augustus 2016, heeft verweerder eisers aanvraag voor ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie (variant A) afgewezen.

Bij besluit van 7 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. G.B. Honders.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.2

Eiser, die geboren is op [geboortedatum] 1952, is vanaf 5 februari 1972 werkzaam geweest bij de [Belastingdienst] .

1.3

Eiser heeft op 24 april 2015 levensloopverlof aangevraagd voor de periode van 1 oktober 2015 tot en met 29 september 2016. Deze aanvraag is toegewezen. Eiser heeft in een functioneringsgesprek op 11 mei 2015 aangegeven de Belastingdienst te gaan verlaten. Op 30 september 2015 heeft hij een afscheidsreceptie gehouden. Ook heeft hij zijn bedrijfsmiddelen ingeleverd.

1.4

Op 20 mei 2015 is de Investeringsagenda Belastingdienst gepresenteerd. De Investeringsagenda Belastingdienst is een verbeterprogramma voor de Belastingdienst waardoor naar verwachting ongeveer 5.000 functies komen te vervallen.

1.5

Op 23 november 2015 heeft de Directeur-Generaal van de Belastingdienst het Georganiseerd Overleg Belastingdienst (GOBD) een voorstel gedaan voor vrijwillige mobiliteit en een uitwerking voorgesteld van het rijksbrede Van-Werk-Naar-Werkbeleid (VWNW-beleid) voor de Belastingdienst. Dit is op 24 november en 8 december 2015 bekendgemaakt op intranet. In het overleg van 14 januari 2016 is hierover door het GOBD definitief overeenstemming bereikt. Dit is op 18 januari 2016 op intranet bekendgemaakt. In dit VWNW-beleid, hierna: de Regeling Belastingdienst, is opgenomen dat medewerkers van de Belastingdienst die de veranderingen door de Investeringsagenda niet willen afwachten onder meer afspraken kunnen maken over directe uitstroom met een stimuleringspremie (variant A). Medewerkers van de Belastingdienst konden zich met ingang van 1 februari 2016 aanmelden voor deze variant van de vrijwillige fase van het VWNW-beleid.

1.6

Eiser heeft op 10 maart 2016 een aanvraag gedaan voor ontslag met ingang van 29 september 2016 onder toekenning van een stimuleringspremie (variant A). Hierover heeft hij op dezelfde datum een gesprek gehad met een HR-adviseur van Switch. Op 30 juni 2016 heeft hij zijn aanvraag herhaald.

2. Verweerder heeft eisers aanvraag voor ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie (variant A) afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat uit de feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat sprake is van een eigen en in vrijheid genomen beslissing van eiser om de Belastingdienst met ingang van 7 november 2017 te verlaten. Hij is met levensloopverlof gegaan om aansluitend met pensioen te gaan. Dit blijkt uit het verslag van het functioneringsgesprek met eiser op 11 mei 2015 en uit de tekst van de afwezigheidsmelder van zijn zakelijke e-mail. Hij heeft middels een afscheidsreceptie afscheid genomen van de Belastingdienst en al zijn bedrijfsmiddelen ingeleverd. Stimulering van het ontslag van eiser is dan ook niet nodig. Het toch toekennen van een stimuleringspremie aan eiser zou in strijd komen met de doelstelling van de vertrekbevorderende maatregelen. In dit verband is gewezen op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1730) en 18 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1836).

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder geen beleidsvrijheid heeft om zijn aanvraag af te wijzen, aangezien in artikel 49tt, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is bepaald dat aan de VWNW-kandidaat op zijn aanvraag een stimuleringspremie wordt toegekend, indien hij afziet van zijn aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk VIIbis. Niet is vereist dat de ambtenaar door het aanbieden van een stimuleringspremie bewogen wordt om gebruik te maken van de vertrekregeling.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser al in 2015 de beslissing heeft genomen om de Belastingdienst te verlaten. Hij had zijn levensloopverlof niet zodanig geregeld dat hij aansluitend met pensioen kon gaan. Van een voornemen om met ontslag te gaan of een ontslagverzoek is geen sprake. De afscheidsreceptie en het inleveren van de bedrijfsmiddelen hadden te maken met het levensloopverlof van eiser.

Eiser heeft ten slotte en beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Medewerkers die hun vertrek al hebben aangekondigd, wordt wel een stimuleringspremie toegekend. En medewerkers die al een ontslagaanvraag hebben ingediend, maar nog geen ontslagbesluit hebben ontvangen, wordt de mogelijkheid geboden om het ontslagverzoek in te trekken. Beide groepen medewerkers hoefden niet meer gestimuleerd te worden om met ontslag te gaan. Ook medewerkers die binnen 18 maanden voorafgaand aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd willen vertrekken, wordt de mogelijkheid geboden om met een stimuleringspremie met ontslag te gaan.

4.1

De rechtbank stelt vast dat de Regeling Belastingdienst, neergelegd in onderdeel 7B van de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst (PUB), is gebaseerd op artikel 49xx van het ARAR waarin is bepaald dat het bevoegd gezag de aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 en 4 van hoofdstuk VIIbis, kan toekennen aan andere ambtenaren voor zover daarmee de plaatsing van een VWNW-kandidaat wordt gerealiseerd of hiermee een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een taakstelling.

4.2

In de Regeling Belastingdienst is, voor zover hier van belang, opgenomen dat een medewerker met een vaste aanstelling of met een tijdelijke aanstelling op grond van artikel 6, tweede lid, onder a, van het ARAR werkzaam bij een onderdeel van de Belastingdienst (behalve Douane en FIOD) afspraken kan maken over directe uitstroom met een stimuleringspremie (variant A). Indien voor variant A wordt gekozen, eindigt de aanstelling van de medewerker op eigen verzoek onder toekenning van een stimuleringspremie met toepassing van artikel 49tt van het ARAR. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat aan de VWNW-kandidaat op zijn aanvraag een stimuleringspremie wordt toegekend, indien hij afziet van zijn aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk VIIbis.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat de Regeling Belastingdienst is gebaseerd op artikel 49xx van het ARAR niet betekent dat verweerder bevoegd is om eiser al dan niet een stimuleringspremie toe te kennen. In de Regeling Belastingdienst is immers bepaald dat de toekenning van een stimuleringspremie met toepassing van artikel 49tt van het ARAR plaatsvindt en dit artikel biedt verweerder geen beleidsvrijheid om een stimuleringspremie al dan niet toe te kennen. In dit artikel is dwingend bepaald dat op aanvraag een stimuleringspremie wordt toegekend, indien de VWNW-kandidaat afziet van zijn aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk VIIbis. Indien verweerder bepaalde (groepen van) medewerkers had willen uitsluiten van de toekenning van een stimuleringspremie, anders dan de medewerkers, werkzaam bij de Douane en FIOD, dan had hij dat moeten regelen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan en eiser ten tijde van zijn aanvraag behoorde tot de doelgroep van de Regeling Belastingdienst, was verweerder gehouden om hem een stimuleringspremie toe te kennen. De rechtbank is in dit verband van oordeel dat de door verweerder genoemde uitspraken van de CRvB van 4 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1730) en 18 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1836) niet tot een ander oordeel leiden, omdat daarin sprake is van een andere situatie.

4.4

Ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van verweerders standpunt dat hij bevoegd is om een stimuleringspremie al dan niet toe te kennen, heeft verweerder in redelijkheid niet kunnen weigeren om eiser een stimuleringspremie toe te kennen. De rechtbank kan verweerder in dit verband niet volgen in zijn standpunt dat uit de feiten en omstandigheden een ontslagverzoek van eiser kan worden afgeleid. Volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de CRvB van 6 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:545) is voor het aannemen van een verzoek om ontslag een onmiskenbare en ondubbelzinnige wilsuiting van de betrokken ambtenaar vereist. Weliswaar kan onder omstandigheden ook uit het feitelijk handelen van een ambtenaar een verzoek om ontslag worden afgeleid; daarvoor is echter wel vereist dat er een ondubbelzinnige gedraging van betrokkene is aan te wijzen, gericht op het verkrijgen van ontslag uit de functie. In dit geval is geen sprake van een aan verweerder gericht verzoek van eiser om ontslag en evenmin van een ondubbelzinnige gedraging van eiser, gericht op beëindiging van het dienstverband bij de Belastingdienst, niet in 2015 en ook niet in de periode daarna. Met de aanvraag van eiser voor ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie met ingang van 29 september 2016 is in ieder geval geen sprake meer van een ondubbelzinnige gedraging van eiser, gericht op beëindiging van het dienstverband bij de Belastingdienst met ingang van 7 november 2017, zoals verweerder heeft gesteld. Bovendien valt niet in te zien waarom verweerder niet op het door hem gestelde ontslagverzoek van eiser heeft beslist, indien daarvan volgens hem zo duidelijk sprake is.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat een ontslagvoornemen onvoldoende is om aan te nemen dat een betrokkene daadwerkelijk met ontslag zal gaan en niet meer gestimuleerd hoeft te worden om overeenkomstig zijn voornemen en wellicht eerder met ontslag te gaan.

4.5

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder ten onrechte eisers aanvraag voor ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie (variant A) heeft afgewezen. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking meer. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat eiser met ingang van 7 november 2017 op eigen verzoek ontslag is verleend. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

4.6

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

4.7

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 990,- aan kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt

€ 495,-, wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

4.8

Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,- aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,- aan hem vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L. de Vos, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en

mr. Y. van Wezel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 juli 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.