Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3966

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7940
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling Belastingdienst. Aanvraag voor ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie (variant A) is ten onrechte afgewezen. Geen beleidsvrijheid voor verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-08-2017
FutD 2017-2035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/7940

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2017

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Bots),

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag voor ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie (variant A) afgewezen.

Bij besluit van 22 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. G.B. Honders en J.G. Gerritsen.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.2

Eiser, die geboren is op [geboortedatum] 1952, is vanaf 1 augustus 1972 werkzaam geweest bij de [Belastingdienst] . Op 3 februari 2013 heeft eiser zich ziek gemeld. Met ingang van 1 maart 2015 is eiser een uitkering ingevolge de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA), gebaseerd op arbeidsongeschiktheidspercentage van 49,80, toegekend en is hem voor 18 uur per week ontslag verleend.

1.3

Op 27 maart 2014 heeft eiser een afscheidsreceptie gehouden. Ook heeft hij zijn bedrijfsmiddelen ingeleverd. Hij heeft met ingang van 1 april 2014 levensloopverlof opgenomen.

1.4

Op 20 mei 2015 is de Investeringsagenda Belastingdienst gepresenteerd. De Investeringsagenda Belastingdienst is een verbeterprogramma voor de Belastingdienst waardoor naar verwachting ongeveer 5.000 functies komen te vervallen.

1.5

Op 23 november 2015 heeft de Directeur-Generaal van de Belastingdienst het Georganiseerd Overleg Belastingdienst (GOBD) een voorstel gedaan voor vrijwillige mobiliteit en een uitwerking voorgesteld van het rijksbrede Van-Werk-Naar-Werkbeleid (VWNW-beleid) voor de Belastingdienst. Dit is op 24 november en 8 december 2015 bekendgemaakt op intranet. In het overleg van 14 januari 2016 is hierover door het GOBD definitief overeenstemming bereikt. Dit is op 18 januari 2016 op intranet bekendgemaakt. In dit VWNW-beleid, hierna: de Regeling Belastingdienst, is opgenomen dat medewerkers van de Belastingdienst die de veranderingen door de Investeringsagenda niet willen afwachten onder meer afspraken kunnen maken over directe uitstroom met een stimuleringspremie (variant A). Medewerkers van de Belastingdienst konden zich met ingang van 1 februari 2016 aanmelden voor deze variant van de vrijwillige fase van het VWNW-beleid.

1.6

Eiser heeft per e-mail van 3 februari 2016 gemeld dat hij in aanmerking wil komen voor variant A. Op 23 februari en 7 maart 2016 heeft eiser gesprekken gehad met een HR-adviseur van Switch, mevrouw J.A. van Raaijen. Op 7 maart 2016 heeft hij een aanvraag gedaan voor ontslag met ingang van 1 mei 2016 onder toepassing van variant A met stimuleringspremie. Op 11 april 2016 heeft de HR-adviseur eiser verzocht om te bevestigen dat hij nog steeds akkoord is met uitdiensttreding per 1 mei 2016 en een stimuleringspremie van € 49.735,20 bruto. Dit heeft eiser nog diezelfde dag gedaan.

2. Verweerder heeft eisers aanvraag voor ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie (variant A) afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat eiser ruim voor de inwerkingtreding van de Regeling Belastingdienst op 18 januari 2016, neergelegd in onderdeel 7B van de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst (PUB), de intentie had om de Belastingdienst te verlaten. Hij is met ingang van 1 april 2014 met levensloopverlof gegaan om aansluitend per 1 april 2018 met pensioen te gaan. Hij heeft op 27 maart 2014 middels een afscheidsreceptie afscheid genomen van de Belastingdienst en al zijn bedrijfsmiddelen ingeleverd. Stimulering van het ontslag van eiser is dan ook niet nodig. Het toch toekennen van een stimuleringspremie aan eiser zou in strijd komen met de doelstelling van de vertrekbevorderende maatregelen.

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij geen levensloopverlof voor de jaren 2017 en 2018 heeft aangevraagd en nooit de intentie heeft gehad om zijn levensloopverlof zodanig te regelen dat hij aansluitend met pensioen kon gaan. Hij heeft een afscheidsreceptie gehad en zijn bedrijfsmiddelen ingeleverd, omdat het vanwege zijn arbeidsongeschiktheid niet zeker was of hij in zijn functie zou terugkeren. Eiser betwist de verklaring van zijn toenmalige leidinggevende, [naam 1] , van 13 september 2016 waarin staat dat eiser in 2014 tegenover hem heeft aangegeven dat hij na zijn levensloopverlof niet meer zou terugkeren en met pensioen zou gaan. Dat in de aanvraag om levensloopverlof van 31 december 2015 staat dat eiser levensloopverlof voorafgaande aan zijn pensionering geniet ook levensloopverlof opneemt over de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2018 kan eiser niet worden tegengeworpen. Omdat eiser geen toegang had tot P-Direkt is de aanvraag in P-Direkt verwerkt door [naam 2] in opdracht van [naam 3] , eisers toenmalige leidinggevende. Eiser heeft aanvankelijk wel met [naam 3] overlegd om het levensloopverlof ook over die periode op te nemen, maar hij bestrijdt dat hij heeft verklaard dat hij daaropvolgend met pensioen zou gaan. Eiser heeft [naam 3] op 20 januari 2016 verzocht om het levensloopverlof over die periode in te trekken. Verweerder stelt dan ook ten onrechte dat bevordering van het vertrek van eiser niet nodig was en toekenning van een stimuleringspremie in strijd zou komen met de doelstelling van vertrekbevorderende maatregelen. Van een voornemen om met ontslag te gaan, was geen sprake.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder geen beleidsvrijheid heeft om eisers aanvraag af te wijzen, aangezien in artikel 49tt, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is bepaald dat aan de VWNW-kandidaat op zijn aanvraag een stimuleringspremie wordt toegekend, indien hij afziet van zijn aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk VIIbis. Het is naar de mening van eiser dan ook niet relevant of een medewerker gestimuleerd moet worden om met ontslag te gaan.

Eiser heeft voorts een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Hij heeft in dit verband gesteld dat op 11 april 2016 per e-mail met Switch is overeengekomen dat hij met ingang van 1 mei 2016 met ontslag zou gaan onder toekenning van een stimuleringspremie van € 49.735,20 bruto. De HR-adviseur heeft geen enkel voorbehoud gemaakt van een goedkeuring door de directeur Switch en niet duidelijk is of enkel de directeur Switch bevoegd is. Daar komt bij de HR-adviseur op 26 april 2016 heeft aangegeven de vaststellingsovereenkomst binnen enkele weken te kunnen verstrekken. Eiser mocht er dan ook op vertrouwen dat bij zijn ontslagaanvraag de aangeboden stimuleringspremie zou worden toegekend.

Eiser heeft ten slotte een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Hij heeft in dit verband gesteld dat medewerkers die reeds om ontslag hebben verzocht, maar nog geen ontslagbesluit hebben ontvangen, de mogelijkheid wordt geboden om het ontslagverzoek in te trekken en gebruik te maken van variant A. Ook medewerkers die binnen 18 maanden voorafgaand aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd willen vertrekken, kunnen gebruik maken van variant A. In beide gevallen bestaat ten tijde van de aanvraag een voornemen om met ontslag te gaan.

4.1

De rechtbank stelt vast dat de Regeling Belastingdienst is gebaseerd op artikel 49xx van het ARAR waarin is bepaald dat het bevoegd gezag de aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 en 4 van hoofdstuk VIIbis, kan toekennen aan andere ambtenaren voor zover daarmee de plaatsing van een VWNW-kandidaat wordt gerealiseerd of hiermee een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een taakstelling.

4.2

In de Regeling Belastingdienst is, voor zover hier van belang, opgenomen dat een medewerker met een vaste aanstelling of met een tijdelijke aanstelling op grond van artikel 6, tweede lid, onder a, van het ARAR werkzaam bij een onderdeel van de Belastingdienst (behalve Douane en FIOD) afspraken kan maken over directe uitstroom met een stimuleringspremie (variant A). Indien voor variant A wordt gekozen, eindigt de aanstelling van de medewerker op eigen verzoek onder toekenning van een stimuleringspremie met toepassing van artikel 49tt van het ARAR. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat aan de VWNW-kandidaat op zijn aanvraag een stimuleringspremie wordt toegekend, indien hij afziet van zijn aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk VIIbis.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat de Regeling Belastingdienst is gebaseerd op artikel 49xx van het ARAR niet betekent dat verweerder bevoegd is om eiser al dan niet een stimuleringspremie toe te kennen. In de Regeling Belastingdienst is immers bepaald dat de toekenning van een stimuleringspremie met toepassing van artikel 49tt van het ARAR plaatsvindt en dit artikel biedt verweerder geen beleidsvrijheid om een stimuleringspremie al dan niet toe te kennen. In dit artikel is dwingend bepaald dat op aanvraag een stimuleringspremie wordt toegekend, indien de VWNW-kandidaat afziet van zijn aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk VIIbis. Indien verweerder bepaalde (groepen van) medewerkers had willen uitsluiten van de toekenning van een stimuleringspremie, anders dan de medewerkers, werkzaam bij de Douane en FIOD, dan had hij dat moeten regelen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan en eiser ten tijde van zijn aanvraag behoorde tot de doelgroep van de Regeling Belastingdienst, was verweerder gehouden om hem een stimuleringspremie toe te kennen.

4.4

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder ten onrechte eisers aanvraag voor ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie (variant A) heeft afgewezen. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking meer. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat eiser met ingang van 1 augustus 2016 met pensioen is gegaan. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

4.5

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

4.6

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 990,- aan kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt

€ 495,-, wegingsfactor 1) en € 18,42 aan reiskosten, in totaal € 1.008,42. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

4.7

Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,- aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,- aan hem vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.008,42.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. van Wezel, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en

mr. M.M.L.A.T. Doll, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 juli 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.