Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3923

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
05/720274-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland veroordeelde een 20-jarige man uit Den Haag voor een poging tot diefstal met geweld. Hij kreeg een gevangenisstraf van 14 maanden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720274-16

Datum uitspraak : 21 juli 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1]

thans gedetineerd te PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 LAA te Vught,

raadsvrouw: mr. J. Lintjer, advocaat te 's-Gravenhage.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 december 2016, 17 maart 2017, 9 juni 2017 en 7 juli 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 september 2016 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededfader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2] ) weg te nemen

- een hoeveelheid geld en/of enig(e) (ander(e)) goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(s) en

zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door het inslaan/verbreken van een raam in de keuken van de woning,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zichtbaar zwangere echtgenote van [slachtoffer 1] ),

gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn medeverdachte(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging hierin bestond, dat met betrekking tot die [slachtoffer 1]

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) door verdachte en/of zijn medeverdachte(s) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd is gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt en/of

met betrekking tot die [slachtoffer 2]

- die (zwangere) [slachtoffer 2] (met kracht) door verdachte en/of zijn medeverdachte(s) aan de kant/weg) is geduwd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 9 september 2016 heeft verdachte samen met een andere man (hierna: medeverdachte) ingebroken in een huis aan de [adres 2] te Nijmegen. Zij zijn de woning binnengekomen door het raamkozijn in de keuken open te breken met een schroevendraaier. Zij zijn naar boven gelopen op zoek naar goederen en werden kort daarna betrapt door de bewoners die thuiskwamen: [slachtoffer 1] (hierna: aangever), [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en hun zoontje. Aangever is de trap opgelopen en werd vervolgens tegen zijn gezicht geslagen of gestompt. Verdachte en de andere man zijn naar beneden gegaan. [slachtoffer 2] was ten tijde van het tenlastegelegde 31 weken zwanger.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de poging tot woninginbraak kan worden bewezen, maar dat verdachte partieel vrijgesproken dient te worden van het medeplegen van geweld. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geen geweld heeft gebruikt tegen aangever. Toen aangever bijna bovenaan de trap stond, begon volgens verdachte zijn medeverdachte “er op los te beuken". Zijn medeverdachte sloeg aangever met zijn vuisten. Tijdens het gevecht is verdachte naar beneden gerend. Toen hij beneden was, heeft hij ervoor gekozen naar de voordeur te gaan. Volgens verdachte pakte de vrouw (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) hem beet en heeft hij zich losgerukt. Toen hij buiten stond, voelde hij dat hij werd beetgepakt. Verdachte heeft verklaard dat hij niet gevochten heeft, maar dat hij gestoeid heeft om los te komen. Hij geeft aan niet geslagen of getrapt te hebben. Volgens de verdediging moet de verklaring van verdachte over het gebeuren worden gevolgd, omdat uit het dossier niet duidelijk wordt wat er precies is gebeurd, omdat er wisselende verklaringen zijn afgelegd over de klappen die aangever heeft ontvangen. [slachtoffer 2] heeft een verklaring afgelegd die niet juist kan zijn, omdat zij niet heeft kunnen zien wat er bovenaan de trap gebeurde. Daarnaast is er onvoldoende bewijs dat aangever met zowel verdachte als zijn medeverdachte in de keuken heeft gevochten. Evenmin is er voldoende bewijs dat verdachte buiten met aangever zou hebben gevochten.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever heeft verklaard dat hij op 9 september 2016 omstreeks 23.00 uur bij de woning van zijn ouders aankwam. Hij woonde tijdelijk met zijn gezin in deze woning. Toen hij binnen was, hoorde hij vanaf de eerste etage geluiden komen en zag hij het licht van een zaklamp. Hij heeft verklaard dat hij vervolgens de trap op is gelopen en dat hij, toen hij op de laatste trede stond werd geslagen. Hij werd tegen zijn linkeroog, wenkbrauw en voorhoofd geslagen. De twee mannen zijn daarna naar beneden gelopen.3 Aangever heeft verklaard dat één van de mannen via de deur in de keuken naar buiten is gevlucht. Hij zag dat de andere man, naar de rechtbank begrijpt verdachte, zich omdraaide en via de keuken en de woonkamer naar de hal rende. Daarbij duwde verdachte de [slachtoffer 2] , zijn zwangere echtgenote.4 Door die duw viel [slachtoffer 2] tegen de eetkamerstoel aan.5 Aangever zag dat de man naar buiten rende en in de tuin viel. Daardoor kon aangever op de man springen. Volgens aangever probeerde de man te vluchten en sloeg hij daarbij om zich heen om weg te komen. Aangever weet niet of hij daarbij geraakt werd. Zijn linkeroog was op de trap al dichtgeslagen en daardoor kon hij niet goed meer zien.6

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 9 september 2016 omstreeks 23.00 uur, samen met haar man en zoontje, bij de woning aan de [adres 2] te Nijmegen aankwam, waar zij tijdelijk woonden. In de gang hoorde zij boven gerommel en zag zij de lamp van het halletje boven branden. Haar man is via de trap naar boven gelopen. Op dat moment zag zij bovenaan de trap twee onbekende mannen staan. Die mannen begonnen meteen allebei haar man te slaan. De langste van de twee mannen kwam daarna snel naar beneden gelopen. Hij liep naar de keuken om weg te komen. De andere man kwam naar haar toe, duwde haar opzij en liep via de voordeur naar buiten. Door het duwen, viel zij met haar rug tegen de eetkamerstoel aan en dat deed veel pijn.7

Uit het letselonderzoek blijkt dat aangever een verwonding had boven zijn linkeroog die gehecht is, een verwoning en bloeduitstorting had onder het linkeroog, en bloeduitstortingen en/of verwondingen bij zijn rechteroog, armen, rug en benen.8 Voorts blijkt uit een brief van de oogarts dat aangever blijvend letsel heeft aan het linkeroog.9

Op basis van deze bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachte aangever op de trap met hun vuisten hebben geslagen en dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geduwd.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat [slachtoffer 2] niet kan hebben gezien door wie aangever is geslagen. Niet in geschil is dat aangever werd geslagen toen hij bijna bovenaan de trap stond. Uit het dossier blijkt dat het een rechte trap is en uit de verklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat zij onder aan de trap stond.10 De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het standpunt dat [slachtoffer 2] vanuit haar positie niet heeft kunnen zien door wie aangever bijna bovenaan die trap werd geslagen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 2] op dit punt.

De rechtbank acht voorts bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen, nu zowel aangever en [slachtoffer 2] dit hebben verklaard.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat hij samen met zijn medeverdachte heeft ingebroken en dat zij beiden aangever hebben geslagen om te kunnen vluchten. Hieruit volgt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde tezamen en in vereniging plegen bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 09 september 2016 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medeverdachte(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2] ) weg te nemen een hoeveelheid geld en/of enig(e) (ander(e)) goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(s) en

zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door het inslaan/verbreken van een raam in de keuken van de woning,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zichtbaar zwangere echtgenote van [slachtoffer 1] ),

gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn medeverdachte(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging hierin bestond, dat met betrekking tot die [slachtoffer 1] :

 die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) door verdachte en/of zijn medeverdachte(s) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd is gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt

en/of met betrekking tot die [slachtoffer 2] :

 die (zwangere) [slachtoffer 2] (met kracht) door verdachte en/of zijn mededader(s) aan de kant/weg) is geduwd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

poging tot diefstal in vereniging, vergezeld of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en een andere deelnemer de vlucht mogelijk te maken.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Zij heeft hiertoe gewezen op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit begaan is en de gevolgen voor de slachtoffers. Volgens de officier van justitie komen de feiten en omstandigheden overeen met een woningoverval. De officier van justitie heeft voorts rekening gehouden met de proceshouding van verdachte en zijn justitiële documentatie.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de oplegging van een straf gelijk aan de tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, voldoet.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 29 mei 2017;

- een reclasseringsadvies, gedateerd 19 december 2016.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning. Een inbraak in een woning – en ook een poging daartoe – is een ernstig feit. Het brengt niet alleen hinder en schade met zich, maar tast ook de gevoelens van veiligheid van de benadeelden in ernstige mate aan. Dit klemt temeer, nu een woning bij uitstek als het privédomein van de bewoner heeft te gelden. Een woning moet dan ook een veilige plek zijn, zowel voor de bewoners als voor de zich in de woning bevindende goederen.

Verdachte heeft samen met een ander ’s avonds laat geprobeerd in te breken in een woning waarin aangever, zijn destijds hoogzwangere echtgenote en hun zesjarige zoontje woonden. Toen verdachte en zijn medeverdachte werden overlopen, hebben zij geweld gebruikt in hun poging te ontsnappen uit de woning. Uit de brief van de oogarts van aangever blijkt dat aangever hierdoor blijvend oogletsel heeft opgelopen, bestaande uit een vaatvliesruptuur aan zijn linkeroog met paracentraal uitval van zicht. Dat levert een blijvende functionele invaliditeit op van 4% van zijn gezichtsvermogen. Concreet betekent dit dat aangever een streep net buiten het centrum van het zicht ziet, waardoor computerwerk lastig is en hij zich moeilijk kan concentreren. Hij heeft ook problemen met het zien van diepte, waardoor zijn werk als koerier lastig uit te voeren is. Waarschijnlijk is een medische eindtoestand bereikt. Het is echter mogelijk dat op de middellange termijn een netvliesloslating ontstaat.

Verdachte heeft zich ook buiten nog bediend van geweld om te kunnen ontkomen aan aangever, die verdachte op de grond vast probeerde te houden. Deze ervaring heeft grote impact gehad op de slachtoffers, zoals blijkt uit de onderbouwing van de ingediende vorderingen tot schadevergoeding. Het zoontje van aangever is getuige geweest van de mishandeling van zijn vader en is daardoor – onder andere – erg bang geworden. Hij heeft hiervoor een behandeling van kinder- en jeugdpsycholoog ondergaan. Ook aangever en [slachtoffer 2] ondervinden tot op heden psychische klachten ten gevolge van het gebeuren.

Blijkens het op verdachte betrekking hebbende uittreksel justitiële documentatie is verdachte vaker ter zake van vermogens- en geweldsdelicten personen veroordeeld. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk delict te begaan.

Verdachte heeft voor het eerst ter terechtzitting op 7 juli 2017 verklaard over wat er gebeurd is. De naam van zijn medeverdachte heeft hij niet willen noemen. Hoewel verdachte ter zitting verklaard heeft spijt te hebben van wat er gebeurd is, komt de rechtbank deze verklaring niet oprecht over. Verdachte heeft voorafgaand aan de zitting nooit contact gezocht met de slachtoffers om berouw te tonen. Daarnaast maakt de reclassering in haar advies melding van de omstandigheden dat verdachte geen enkele compassie toont met de slachtoffers, een egocentrische indruk maakt en dat een eventuele samenwerking met de reclassering voornamelijk het doel lijkt te hebben een positief signaal af te geven naar de rechtbank. De rechtbank herkent dit en rekent verdachte zijn houding zwaar aan.

De rechtbank acht een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook passend. De rechtbank zal daarbij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De vordering van de officier van justitie past, zoals zij ter zitting ook heeft toegelicht, bij de kwalificatie van een woningoverval. Daarvan is hier geen sprake van. Niet uitgesloten is dat de uiteindelijke impact van het gebeuren op aangever, [slachtoffer 2] en hun zoontje misschien wel even groot is als die zou zijn geweest bij een woningoverval, maar er bestaat wel degelijk verschil tussen de beide situaties, onder meer waar het gaat om de intentie van de dader. De intentie was hier niet gericht op het binnengaan van een woning waar bewoners aanwezig zijn. Dat de bewoners zijn geconfronteerd met de daders was geen onderdeel van het vooraf gemaakte plan. Dat maakt deze zaak anders dan die van een woningoverval en daarbij past dan ook een andere straf. Het geweld dat verdachte en zijn medeverdachte hebben gebruikt toen zij werden overlopen, waardoor aangever blijvende schade aan zijn oog heeft overgehouden, werkt uiteraard wel strafverhogend. De rechtbank ziet in de ernst van het feit, de gevolgen voor aangevers, de houding van verdachte en zijn strafblad geen aanleiding om de door de verdediging voorgestelde strafmaat te volgen, te weten een straf gelijk aan de duur van het voorarrest. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Ten aanzien van het beslag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen handschoenen en mobiele telefoon verbeurd verklaard dienen te worden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen goederen.

Beoordeling door de rechtbank

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een paar handschoenen, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van het na te melden voorwerp, te weten een blauwe telefoon, aan de rechthebbende.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit.

Door [slachtoffer 1] wordt een bedrag gevorderd van € 15.681,06 bestaande uit € 2.298,06 ter zake van materiële schade en € 13.383,00 ter zake van immateriële schade, inclusief de wettelijke rente.

Door zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] wordt een bedrag gevorderd van € 1.102,00 bestaande uit immateriële schade, inclusief de wettelijke rente.

[slachtoffer 1] daarnaast een bedrag van € 3.025,00 ter zake van proceskosten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] tot betaling van het bedrag van € 15.681,06 en tweemaal € 1.106,00 in zijn geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot deze bedragen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 113 dagen hechtenis ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] , en telkens 21 dagen hechtenis ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen afgewezen dienen te worden, dan wel dat zij niet-ontvankelijk in hun vorderingen verklaard dienen te worden. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte geen geweldshandelingen zou hebben gepleegd. Indien tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde wordt gekomen, heeft de verdediging verzocht om matiging van de vergoeding van immateriële schade en om matiging van de gevorderde advocaatkosten. De verdediging heeft tenslotte verzocht om te komen tot hoofdelijke oplegging van de verplichting tot schadevergoeding.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vorderingen is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen tot een bedrag van € 7.298,06 schade heeft geleden, bestaande uit € 2.298,06 ter zake van materiële schade en € 5.000,- ter zake van immateriële schade waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn vordering. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:RBSHE:2011:BR4461), waarnaar is verwezen, onvoldoende vergelijkbaar is. Het slachtoffer in die zaak is na een mishandeling tweemaal aan zijn ogen geopereerd. Nadien bleef hij de klacht houden dat hij dubbel zag, wat alleen te verhelpen was door zijn hoofd steeds scheef te houden. Hierdoor had hij voortdurend nekpijn. Verder heeft de oogarts bij dat slachtoffer een percentage van 15% blijvende functionele invaliditeit vastgesteld, terwijl dat percentage bij [slachtoffer 1] op 4% is vastgesteld.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is gebleken, is komen vast te staan dat deze benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot de gevorderde bedragen van elk € 1.102,- schade hebben geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vorderingen zijn voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank ziet geen aanleiding de verplichting tot het betalen van schadevergoeding hoofdelijk aan verdachte en zijn medeverdachte op te leggen, nu tot op heden onduidelijk is gebleven wie de medeverdachte is.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van de toe te wijzen bedragen ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

[slachtoffer 1] vordert tevens vergoeding van de rechtsbijstandskosten die hij heeft gemaakt ter verkrijging van schadevergoeding in de onderhavige strafprocedure. Deze kosten, die toewijsbaar zijn op de voet van artikel 592a Sv, en die niet nader gespecifieerd zijn in de vordering, worden naar maatstaven van billijkheid gesteld en begroot op € 1.000,-. De gevorderde en toegewezen rente en vergoeding voor overige proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 9 september 2016.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24, 24c, 27, 33, 33a, 36f, 47, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf;

Ten aanzien van het beslag

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een paar handschoenen (goednummer PL0600-2016446709-1234781);

 gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan de rechthebbende, te weten: een blauwe telefoon (goednummer PL0600-2016446709-1234788);

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 7.298,06 (zevenduizendtweehonderdachtennegentig euro en zes eurocenten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 1.000,-;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 1.102,- (eenduizendhonderdtwee euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een bedrag van € 1.102,-(eenduizendhonderdtwee euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 7.298,06 (zevenduizendtweehonderdachtennegentig euro en zes eurocenten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 113 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 1.102,- (eenduizendhonderdtwee euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 21 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 1.102,- (eenduizendhonderdtwee euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 21 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. M.P. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, OPS-dossiernummer 2017122479, onderzoek 08WATER206, gesloten op 19 mei 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 16; proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 86; proces-verbaal sporenonderzoek, p. 99; verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 7 juli 2017.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 16.

4 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 26 en 27.

5 Proces-verbaal van aangifte, p. 16.

6 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 26 en 27.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 83.

8 Rapportage letselonderzoek, p. 45-46.

9 Brief van oogarts [naam] , gevoegd bij de vordering van aangever.

10 Een schriftelijk bescheid zijnde een fotomap, foto 13, p. 109; een schriftelijk bescheid zijnde een plattegrond van de woning, p. 22.