Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3873

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
05/880080-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 38-jarige man uit Arnhem veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De man, die als werkmeester werkzaam was in een Penitentiaire inrichting, had giften aangenomen van gedetineerden. Hoewel de man niets had betaald, was de rechtbank van oordeel dat de man redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat van hem in de toekomst wel een tegenprestatie voor die giften zou worden verlangd. De rechtbank heeft hierbij laten meewegen dat de man onder meer een schilderij had gekregen en de maker van het schilderij aan medegedetineerden veel geld vroeg voor door hem gemaakte schilderijen. Ook achtte de rechtbank van belang dat de man in het gedetineerdenrapportagesysteem de mogelijkheid had gedetineerden een beoordeling te geven waardoor zij grote kans hadden op ruimere verlofmogelijkheden of meer bezoek. De man had daarnaast vertrouwelijke informatie gedeeld met een of meer gedetineerden. Hij zocht thuis en op het werk informatie op het internet op en gaf die informatie door aan gedetineerden. Ook deelde hij informatie uit het gedetineerdenrapportagesysteem, informatie uit een rapportage van collega en informatie van een registratiekaart met een of meer gedetineerden, terwijl hij wist dat dit verboden was. Tijdens het onderzoek naar de strafbare feiten werden bij de man thuis een alarmpistool en munitie aangetroffen, hetgeen de man bekende. De rechtbank legde de man een gevangenisstraf op van 10 maanden waarvan de helft voorwaardelijk. De rechtbank sprak de man vrij van heling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/880080-16

Datum uitspraak : 21 juli 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte 1]

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

raadsman: mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
31 maart 2017 en 7 juli 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 31 maart 2017 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2016 tot en met 24 februari 2016 in de gemeente Zutphen, een goed te weten een horloge (merk Hublot) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 417bis Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 juli 2015 tot en met 24 februari 2016 in de gemeente Zutphen, althans in Nederland, (telkens) als ambtenaar, te weten als medior medewerker arbeid werkzaam voor de penitentiaire inrichting Zutphen, locatie Verlengde Ooyerhoekseweg 21, (telkens) (een) gift(en), te weten een schilderij (met daarop een afbeelding van de overleden hond van verdachte) en/of een horloge (merk Hublot), althans enige gift(en) heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat deze gift(en) hem werd(en) gedaan teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten;

art 363 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 24 februari 2016 in de gemeente Zutphen, (telkens) enig geheim, waarvan hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift, te weten als medior medewerker arbeid werkzaam voor de penitentiaire inrichting Zutphen, locatie Verlengde Ooyerhoekseweg 21, verplicht was te bewaren, (telkens) opzettelijk heeft geschonden,

immers heeft hij (telkens) opzettelijk

- informatie uit het computersysteem van DJI voorgelezen/samenvattend besproken met een of meer gedetineerde(n) en/of

- informatie vanaf een zogenaamde registratiekaart voorgelezen aan een of meer

gedetineerde(n) en/of

- thuis voor een of meer gedetineerde(n) informatie opgezocht op internet en dit (vervolgens) gedeeld met voornoemde gedetineerde(n) en/of

- informatie uit het multidisciplinaire overleg gedeeld met een of meer gedetineerde(n) en/of

- ( een) rapportage(s) van collega's gedeeld met een of meer gedetineerde(n);

art 272 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 24 februari 2016 in de gemeente Arnhem een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (alarmpistool, merk Umarex Browning), en/of munitie van categorie III, te weten 43 knalpatronen, 11 traangaspatronen en/of 2 schietbekers, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Op 26 november 2015 vond in de PI Achterhoek te Zutphen een exitgesprek plaats met een gedetineerde. Tijdens dat gesprek vertelde de gedetineerde dat een andere gedetineerde maandelijks een flesje sterke drank zou krijgen van werkmeester [verdachte 1] (verdachte). Deze melding is dezelfde dag onderzocht. Op de cel van de betreffende gedetineerde werd een leeg plastic flesje aangetroffen met daarin de restanten van een sterk ruikende alcoholhoudende drank. Naar aanleiding hiervan is een feitenonderzoek begonnen door Bureau Integriteit van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Bij dat feitenonderzoek kwam de naam van verdachte meerdere keren voor. Dat was aanleiding om in de periode van 17 december 2015 tot en met 30 december 2015 een voicerecorder te plaatsen in de werkruimte waar verdachte werkzaam was. Gelet op de inhoud van de gesprekken is besloten om de Rijksrecherche in kennis te stellen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 4. Ter terechtzitting heeft zij de bewijsmiddelen opgesomd en uitvoerig toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak voor de feiten 1 en 2 bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft hij betoogd dat niet kan worden bewezen dat het horloge van misdrijf afkomstig is, te minder nu het een nephorloge betreft. De raadsman heeft daarnaast naar voren gebracht dat [naam 1] de betreffende track over “klokjes” niet herkent en dat hij heeft verklaard dat hij het horloge al lang had. Het horloge waarover in de track wordt gesproken, kan daarom niet worden gekoppeld aan de bij verdachte aangetroffen Hublot. Wat betreft feit 2 heeft de raadsman betoogd dat niet blijkt dat verdachte iets heeft gedaan of nagelaten in ruil voor het horloge en het schilderij. Bovendien is van andere giften niet gebleken. De raadsman heeft zich met betrekking tot feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Feit 4 kan volgens de raadsman worden bewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om (opzet)heling zoals tenlastegelegd bewezen te kunnen verklaren. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier naar voren komt dat verdachte een horloge heeft verworven tijdens zijn werkzaamheden in de PI in Zutphen. Verdachte heeft verklaard dat dit heeft plaatsgevonden eind december 2015, te weten twee of drie dagen na 18 december 2015 (p. 311). De rechtbank stelt vast dat het verwerven van het horloge dus buiten de in de tenlastelegging genoemde periode (15 januari 2016 tot en met 24 februari 2016) heeft plaatsgevonden. Niet kan worden bewezen dat verdachte het horloge in de ten laste gelegde periode heeft verworven, zodat verdachte in zoverre dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het voorhanden hebben van het horloge overweegt de rechtbank dat verdachte heeft verklaard dat hij het horloge thuis op het nachtkastje naast zijn bed heeft gelegd (p. 311). Het horloge is bij de aanhouding van verdachte in Ellecom, gemeente Rheden, in zijn auto aangetroffen. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte het horloge nadat hij het had verworven in zijn huis heeft neergelegd. Onduidelijk is wanneer verdachte het horloge vervolgens in zijn auto heeft gelegd. Duidelijk en niet betwist is dat verdachte het horloge in de ten laste gelegde periode voorhanden heeft gehad. Bewijs dat hij het in de gemeente Zutphen voorhanden heeft gehad ontbreekt echter, nu verdachte in Arnhem woont en de doorzoeking heeft plaatsgevonden in Ellecom, gemeente Rheden. Verdachte dient daarom ook ten aanzien van het voorhanden hebben van het horloge te worden vrijgesproken.

Gelet op het voorgaande dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Feit 2

Verdachte was werkzaam als medior medewerker arbeid in de PI, Verlengde Ooyerhoekseweg 21 te Zutphen.2

Op 24 februari 2016 is de auto van verdachte doorzocht.3 Achter de bestuurdersstoel is een plastic tas aangetroffen. In de tas zat een klein formaat schilderij, waarop een hond was afgebeeld. Rechts onderin de hoek stond [naam 2] en het jaartal 2015. In de tas werd ook een identieke afbeelding van de hond aangetroffen op kleiner formaat waarbij de tekst [naam 2] ontbrak. Verder is in de tas in een opgerold stuk (vermoedelijk) toiletpapier een horloge van het merk HUBLOT aangetroffen.4

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [naam 2] , die indertijd in de P.I. in Zutphen gedetineerd was, goed kon schilderen. [naam 2] zou ook voor andere gedetineerden schilderijen hebben gemaakt en daar kreeg hij behoorlijk geld voor.5

Verdachte heeft verklaard dat hij eind 2015 een horloge van [naam 1] in zijn handen gedrukt kreeg. [naam 1] zei op een toon die niet goed was dat hij het bij zich moest houden. [naam 1] had eerder gezegd dat het horloge van roof afkomstig was. Het zou gaan om een zwart horloge van het merk Hubort of zo iets. Hij heeft het horloge niet gekocht.6

Ten aanzien van het schilderij heeft verdachte verklaard dat zijn hond was doodgegaan en dat collega’s dat hadden rondgebazuind. Een gedetineerde die portretten kon tekenen was naar hem toegekomen en had gezegd dat hij wel een tekening van de hond kon maken. Wie het schilderij heeft gemaakt, staat onderaan het schilderij. Verdachte herkent de naam [naam 2] als de persoon die het schilderij heeft geschilderd. Hij heeft een foto van zijn hond aan [naam 2] gegeven als voorbeeld voor het schilderij. Hij heeft het schilderij na zijn vakantie mee naar huis genomen. In augustus 2015 had hij vakantie. Hij heeft [naam 2] niets voor het schilderij gegeven.7

[getuige 2] , werkzaam als hoofd Veiligheid van de PI Achterhoek, locatie Zutphen, en [getuige 3] , werkzaam als senior onderzoeker bij het Bureau Integriteit van de DJI, hebben verklaard dat iedere werkmeester in staat is informatie omtrent zijn eigen observaties over gedetineerden in een rapport in het gedetineerdenrapportagesysteem TULP te verwerken. Aan de hand van observaties en notities in TULP wordt in een multidisciplinair overleg beoordeeld of een gedetineerde in aanmerking komt voor verlof. De werkmeester heeft de mogelijkheid om de gedetineerde op basis van diens gedrag binnen de PI op ‘groen’ of ‘rood’ te zetten. Indien de gedetineerde op ‘groen’ wordt gezet, is de kans groot dat hij privileges verdient zoals een ruimere verlofregeling of het ontvangen van meer bezoek. Indien een gedetineerde op ‘rood’ wordt gezet, geschiedt het tegenovergestelde. Volgens [getuige 2] viel het op dat gedetineerde [naam 3] door verdachte telkens weer op ‘groen’ werd gezet, terwijl zijn collega’s hem juist alleen op ‘rood’ zetten.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte giften van gedetineerden heeft aangenomen in de vorm van een horloge en een schilderij van zijn hond. Niet is gebleken dat verdachte daarvoor iets heeft gegeven of nagelaten. Dat is ook niet nodig voor strafbaarheid op grond van artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 februari 2000 (NJ 2000/557) al geoordeeld dat voldoende is dat de ambtenaar op het moment van aannemen van de gift weet dat die hem is gedaan om hem te bewegen in de toekomst iets te doen of na te laten. Per 1 februari 2001 is de wet gewijzigd en is ook strafbaar geworden het aannemen van een gift indien de ontvanger redelijkerwijs kon vermoeden dat die gift werd aangeboden teneinde hem te bewegen om iets te doen of te laten.

De rechtbank overweegt dat verdachte in ieder geval redelijkerwijs heeft kunnen vermoeden dat van hem in de toekomst iets zou worden verlangd als tegenprestatie voor de giften die hij aannam. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat verdachte de mogelijkheid had gedetineerden op ‘groen’ te zetten in het gedetineerdenrapportagesysteem, waardoor zij grote kans hadden op meer verlofmogelijkheden dan wel meer bezoek. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat [naam 2] voor zijn schilderijen aan gedetineerden veel geld vroeg. Verdachte heeft verklaard niets te hebben betaald voor het schilderij. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [naam 2] mogelijk in de toekomst nog een tegenprestatie van verdachte zou verwachten.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande het onder 2 tenlastegelegde bewezen.

Feit 3

[getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat werkmeesters binnen de PI Zutphen toegang hebben tot het gedetineerdenrapportagesysteem, genaamd TULP. Deze toegang verkrijgen zij via hun gebruikersnaam en persoonlijk gekozen wachtwoord. Binnen dit systeem heeft de werkmeester toegang tot zogenaamde persoonskaarten van gedetineerden. Dit betreft vertrouwelijke informatie over de gedetineerde, gevoed uit politie- en justitiesystemen, zoals aanhoudingsgronden, insluitingsgronden, detentieduur, etc. Iedere werkmeester kan de rapportage voeden en aanvullen met informatie over zijn eigen observaties. Aan de hand van observaties van de werkmeesters en hun notities in het systeem wordt bijvoorbeeld in het multidisciplinair overleg beoordeeld of een gedetineerde in aanmerking komt voor verlof. Gezien de vertrouwelijkheid van de informatie is het ten strengste verboden voor een werkmeester om een rapportage van een gedetineerde te delen met deze gedetineerde, dan wel met andere gedetineerden. Iedere werkmeester is ervan op de hoogte dat de informatie niet kan en mag worden gedeeld. Uit het oogpunt van veiligheid kan een gedetineerde alleen beschikken over zijn eigen persoonskaart na daartoe een officieel verzoek te hebben gedaan.8

Volgens [getuige 2] wordt er zodra een gedetineerde wordt binnengebracht een detentie en re-integratieplan opgesteld. Verschillende disciplines voeden dit plan en het wordt afhankelijk van het regime eens in de zes weken dan wel eens in de twee maanden besproken in het multidisciplinair overleg. Punten uit het multidisciplinair overleg mogen met de gedetineerde worden besproken, maar dit is niet de taak van de medewerker arbeid. Dagrapporten, rapportages over de dagelijkse gang van zaken (opmerkingen en waarnemingen) dienen niet met gedetineerden te worden gedeeld. Ook informatie afkomstig van een registratiekaart dan wel afkomstig uit het gedetineerdenrapportagesysteem TULP dienen niet met gedetineerden te worden gedeeld.9

[getuige 2] heeft verder verklaard dat een gedetineerde binnen de PI uit het oogpunt van veiligheid geen toegang heeft tot internet. Het is voor een werkmeester verboden om samen met een gedetineerde het internet te bezoeken en raadplegingen te doen.10

Op 17 december 2015 is een voicerecorder geplaatst in de werkruimte van verdachte. Daarop zijn meerdere gesprekken opgenomen tussen verdachte en een gedetineerde.

In een geluidsfragment van 17 en 18 december 2015 wordt gesproken over gedetineerden. Verdachte vertelt hoeveel jaar een gedetineerde heeft gekregen en meent dat die gedetineerde als hij weg kan, niet in Nederland moet blijven.11

Volgens [getuige 2] betreft dit informatie die vermoedelijk afkomstig is van het internet. De besproken informatie is niet verkrijgbaar via de systemen van de PI.12

In een geluidsfragment van 21 december 2015 zegt verdachte: “diefstal onder verdachte en verzwarende omstandigheden”, waarop de gedetineerde opmerkt dat hij daar niks mee te maken had en dat het van de drugs al 7 jaar geleden is. Verdachte zegt dat hij [naam 4] nog niet heeft bekeken en dat hij nog bijna niemand heeft bekeken. De gedetineerde zegt “ [naam 4] , 8,5 ons of zo. [naam 4] komt uit Meppel”.13

Volgens [getuige 2] betreft dit informatie die afkomstig kan zijn van een registratiekaart binnen systemen van de PI. Het is niet toegestaan om informatie afkomstig van een dergelijke kaart te delen met gedetineerden.14

In een gesprek tussen verdachten en een gedetineerde, opgenomen op 21 en 22 december 2015 zegt verdachte dat er niks in staat. De gedetineerde merkt op dat dat niet kan en dat er toch iets in moet staan. Verdachte antwoordt daarop dat hij zweert dat er niks instaat en dat hij er net uit is gegaan.15

Volgens [getuige 2] kan deze informatie uit het detentie en re-integratieplan komen en ook uit een dagrapportage. Het is niet de bedoeling dat deze informatie wordt gedeeld met gedetineerden.16

Verder is er een gesprek, track 62, waarin verdachte vraagt wie de mentor is van de gedetineerde. Verdachte lijkt te zoeken in de computer en praat voor verbalisant onverstaanbaar. De gedetineerde antwoordt: “ja, weet ik, heeft ie gezegd. Gebruik, gedrag… heeft ie dat zelf gedaan”. De gedetineerde vraag naar een datum. Verdachte leest voor, maar zo zacht dat het niet te verstaan is voor verbalisant. Daarop zegt de gedetineerde: “dit is [naam 5] , geen [naam 6] ”. Verdachte leest weer voor, zacht maar onverstaanbaar voor verbalisant. De gedetineerde zegt daarop: “Waar slaat dit op. Dat ze dit nog weet…ik vind het leuk. Aktielijst. Wat is die aktielijst? En waar staat wat ze over mij praten en over de afdeling? De bewaarders. Wat ze zeggen. Algemeen…(niet te verstaan)… Dat is al een half jaar geleden.” Verdachte en de gedetineerde fluisteren onverstaanbaar voor verbalisant. De gedetineerde zegt: “dit is zijn rapport”. Verdachte zegt dan “al die maanden ertussen…twee maanden,… twee maanden”. Hij fluistert dan: “OM… aangeschreven, hebben ze naar het OM gestuurd…”17

Verdachte heeft verklaard dat hij thuis informatie over een zaak van een gedetineerde op internet heeft gelezen. Die informatie heeft hij aan een gedetineerde, te weten de voorman van de werkzaal van de gedetineerden verteld. Het eerste stukje van het geluidsfragment van 21 en 22 december 2015 (track 44) gaat over een overplaatsing. Verdachte heeft dat opgezocht in het systeem. Het betreft informatie uit een MDO en gaat over de overplaatsing van [naam 3] . [naam 3] wilde overgeplaatst worden en wilde weten of er informatie daarover in het systeem stond. Dat heeft hij voor [naam 3] nagekeken. Track 39 betreft waarschijnlijk informatie van een registratiekaart. Hij heeft dat met een gedetineerde besproken, maar volgens verdachte zat hij niet met die gedetineerde achter de computer. Wat betreft track 35 heeft hij informatie thuis en op het werk op internet opgezocht en de gedetineerde advies gegeven niet alles te delen met iedereen.18

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat wat hij voorleest in een rapportage staat. Met [naam 3] heeft hij gesproken over een overplaatsing. In gezelschap van een gedetineerde leest hij informatie voor van een blaadje. Die informatie heeft hij van tevoren overgeschreven.19

De rechtbank leidt uit de voormelde bewijsmiddelen af dat het verdachte niet was toegestaan informatie aan gedetineerden te geven uit het gedetineerdenrapportagesysteem TULP, informatie afkomstig van een registratiekaart, dagrapporten en rapportages over de dagelijkse gang van zaken. Verdachte was daarvan op de hoogte. Verder leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat verdachte zich hier niet aan heeft gehouden en informatie met een of meer gedetineerden heeft gedeeld. Hij heeft thuis en/of op zijn werk informatie op internet opgezocht en die informatie aan een gedetineerde verteld. Daarnaast heeft hij informatie met een of meer gedetineerden gedeeld afkomstig van de registratiekaart en van een rapportage van een collega. Verdachte heeft verklaard dat hij informatie uit het systeem overschreef en dat vanaf een blaadje voorlas. De rechtbank acht echter mede gelet op track 62 ook bewezen dat verdachte informatie voorlas vanaf de computer. Gelet hierop acht de rechtbank het onder 3 tenlastegelegde bewezen.

Feit 4

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt het bewijs op de volgende bewijsmiddelen:

- de bevindingen van verbalisant bij de doorzoeking van de woning van verdachte20;

- onderzoek van de in zijn woning aangetroffen wapens en munitie21;

- de bekennende verklaring van verdachte22.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 juli 2015 tot en met 24 februari 2016 in de gemeente Zutphen, althans in Nederland, (telkens) als ambtenaar, te weten als medior medewerker arbeid werkzaam voor de penitentiaire inrichting Zutphen, locatie Verlengde Ooyerhoekseweg 21, (telkens) (een) gift(en), te weten een schilderij (met daarop een afbeelding van de overleden hond van verdachte) en/of een horloge (merk Hublot), althans enige gift(en) heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat deze gift(en) hem werd(en) gedaan teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 24 februari 2016 in de gemeente Zutphen, (telkens) enig geheim, waarvan hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift, te weten als medior medewerker arbeid werkzaam voor de penitentiaire inrichting Zutphen, locatie Verlengde Ooyerhoekseweg 21, verplicht was te bewaren, (telkens) opzettelijk heeft geschonden,

immers heeft hij (telkens) opzettelijk

- informatie uit het computersysteem van DJI voorgelezen/samenvattend besproken met een of meer gedetineerde(n) en/of

- informatie vanaf een zogenaamde registratiekaart voorgelezen aan een of meer

gedetineerde(n) en/of

- thuis voor een of meer gedetineerde(n) informatie opgezocht op internet en dit (vervolgens) gedeeld met voornoemde gedetineerde(n) en/of

- informatie uit het multidisciplinaire overleg gedeeld met een of meer gedetineerde(n) en/of

- ( een) rapportage(s) van collega's gedeeld met een of meer gedetineerde(n);

4.

hij op of omstreeks 24 februari 2016 in de gemeente Arnhem een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (alarmpistool, merk Umarex Browning), en/of munitie van categorie III, te weten 43 knalpatronen, 11 traangaspatronen en/of 2 schietbekers, voorhanden heeft gehad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 2:

Als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd;

Feit 3:

Opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd;

Feit 4:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar met dien verstande dat gelet op de verklaring van [getuige 2] niet strafbaar is dat verdachte informatie uit het multidisciplinair overleg heeft gedeeld met een of meer gedetineerden. Verdachte zal in zoverre daarvan worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een werkstraf bepleit, eventueel met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte mogelijk niet geschikt was voor zijn functie. Het gebeuren heeft veel met verdachte gedaan, hij heeft een PTSS eraan overgehouden. Volgens de raadsman zal verdachte niet meer in een soortgelijke situatie komen.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zogenaamde ‘passieve ambtelijke omkoping’. Hij heeft als werkmeester binnen de PI een horloge en een schilderij aangenomen van gedetineerden. Hiermee heeft hij zich chantabel gemaakt. Verdachte had redelijkerwijs moeten vermoeden dat de giften niet zo maar werden gedaan en dat van hem in de toekomst een tegenprestatie zou worden verwacht. Verdachte heeft daarnaast vertrouwelijke informatie uit het gedetineerdenrapportagesysteem, rapportages van collega’s en van registratiekaarten besproken met een of meer gedetineerden dan wel informatie daarvan aan hen voorgelezen vanaf de computer. Ook heeft verdachte informatie op internet opgezocht en met gedetineerde(n) besproken. Door het aannemen van giften en door het delen van vertrouwelijke informatie heeft verdachte zich niet integer gedragen. De feiten ademen de sfeer van corruptie. Integriteit van ambtenaren is van groot maatschappelijk belang. De samenleving moet er zonder meer op kunnen vertrouwen dat ambtenaren zich integer gedragen. Verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen dat zijn werkgever in hem had beschaamd en schade toegebracht aan het imago van de PI en van zijn collega’s. Ook heeft verdachte het vertrouwen dat de maatschappij heeft in ambtenaren beschaamd door regels te ondermijnen. Gezien de verklaring van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting, lijkt het er niet op dat verdachte de ernst van de door hem gepleegde feiten inziet, noch dat hij zijn verantwoordelijkheid daarvoor ten volle neemt.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een verboden wapen en verboden munitie.

De rechtbank heeft bij de strafmaat in aanmerking genomen dat verdachte volgens een overzicht van zijn justitiële documentatie van 1 juni 2017 geen voor deze zaak relevante feiten heeft gepleegd. Hij heeft alleen in 2012 een transactie aangeboden gekregen ter zake van een verkeersdelict.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsrapport van 28 maart 2017. Daaruit komt naar voren dat verdachte kampt met depressieve klachten en een PTSS. Hiervoor heeft hij zelf hulp gezocht. De reclassering acht een toezicht met bijzondere voorwaarden niet geïndiceerd en adviseert de zaak strafrechtelijk zonder verdere bemoeienis van de reclassering af te doen.

De ernst van de feiten laat naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat een werkstraf wordt opgelegd, zoals door de raadsman bepleit. De rechtbank acht alleen een gevangenisstraf passend en ook geboden. De rechtbank acht de vordering van de officier van justitie te hoog en zal een gevangenisstraf opleggen van 10 maanden. Teneinde te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten begaat, zal de rechtbank een deel daarvan, te weten 5 maanden, in voorwaardelijke vorm opleggen.

8 In beslag genomen goederen

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven munitie en slagbekers, met betrekking tot welke het onder 4 bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven vuurwerk, aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

  • -

    10, 14a, 14b, 14c, 27, 36c, 36d, 57, 91, 272 en 363 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het onder 3 bewezen verklaarde niet strafbaar voor zover dit betreft het delen van informatie uit het multidisciplinair overleg en ontslaat verdachte in zoverre van alle rechtsvervolging;

 verstaat dat hetgeen verder is bewezen verklaard, oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven munitie, schietbekers en het vuurwerk.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kleinrensink (voorzitter), mr. M.C. van der Mei en mr. C. van Linschoten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2017.

Mrs. Van der Mei en Van Linschoten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Rijksrecherche opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 20160001, gesloten op 17 mei 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Personeelskaart, p. 345.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 201.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 198-199.

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 288.

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte 1] , p. 309-311.

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte 1] , p. 317-318.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 196-197.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 221.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 197.

11 Woordelijke uitwerking gesprek van 17 en 18 december 2015, track 73, p. 96.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 221.

13 Woordelijke uitwerking gesprek van 21 december 2015, track 39, p. 88.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 221.

15 Woordelijke uitwerking gesprek van 21 en 22 december 2015, track 44, p. 90.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 222.

17 Woordelijke uitwerking gesprek, track 62, p. 192.

18 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte 1] , p. 321-322, 333.

19 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 juli 2017.

20 Proces-verbaal doorzoeking, p. 257.

21 Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 272-273.

22 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte 1] , p. 320.