Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3872

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
05/820054-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fataal ongeluk John Frostbrug

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820054-16

Datum uitspraak : 21 juli 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

raadsman: mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2017.

1 Inleiding

Dit vonnis heeft een andere indeling en opzet dan andere vonnissen. Dat heeft een aantal redenen. Er is grote belangstelling voor de uitkomst van deze zaak. De belangen van de maatschappij, de verdachte en de nabestaanden zijn ook groot. Daarom zal de rechtbank beginnen met het noemen van de straf die aan de verdachte wordt opgelegd. Daarna zal worden uitgelegd welke verwijten de verdachte worden gemaakt, wat hiervan bewezen is, of dat een strafbaar feit oplevert en of sprake is van een strafbare dader. Pas wanneer sprake is van een strafbaar feit en een strafbare dader kan een straf en/of een maatregel worden opgelegd. De redenen voor de strafoplegging worden daarom als één van de laatste onderwerpen in het vonnis behandeld. Voor het bepalen van de hoogte van de straf vindt de rechtbank van belang dat vergelding plaatsvindt voor wat het slachtoffer en haar nabestaanden is aangedaan. Doel van de straf is daarnaast om herhaling in de toekomst - door de verdachte en door anderen - te voorkomen. De rechtbank weegt ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee.

De indeling van het vonnis is als volgt:

  • -

    De opgelegde straf en maatregel;

  • -

    De inhoud van de tenlastelegging (de omschrijving van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt);

  • -

    De overwegingen over het bewijs;

  • -

    De bewezenverklaring;

  • -

    De kwalificatie van het bewezenverklaarde (de beslissing welk strafbaar feit de bewezen gedragingen opleveren);

  • -

    Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

  • -

    Redenen voor de gekozen straf en/of maatregel;

  • -

    De toepasselijke wetsartikelen;

  • -

    Het dictum (een korte opsomming van de juridische beslissingen van de rechtbank).

2 De opgelegde straf en maatregel

De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Daarbij geldt een proeftijd van twee jaren waarin de verdachte zich aan een aantal voorwaarden moet houden. Houdt de verdachte zich in deze twee jaren niet aan één of meer van die voorwaarden, dan zal hij alsnog het voorwaardelijk opgelegde jaar in de gevangenis moeten doorbrengen. Eén van de gestelde voorwaarden is dat de verdachte zich laat behandelen voor zijn psychische problemen. Verder mag de verdachte na zijn vrijlating 5 jaren lang geen motorvoertuigen besturen, zoals bijvoorbeeld auto’s of motoren. De verdachte krijgt deze straf, omdat hij artikel 6 en artikel 8 van de Wegenverkeerswet heeft overtreden.

3. De inhoud van de tenlastelegging 1

De officier van justitie maakt de verdachte twee verwijten.

Het eerste verwijt is dat de verdachte op 27 april 2016 op de John Frostbrug in Arnhem met zijn auto (een rode Seat) een ongeval heeft veroorzaakt met een andere, tegemoetkomende auto. Hierdoor is de bestuurster van die andere auto, [slachtoffer] , overleden.

Volgens de officier van justitie heeft de verdachte meerdere verkeersregels overtreden en is daardoor het ongeval ontstaan. De verdachte kwam vanuit het centrum van Arnhem en reed over de John Frostbrug richting Nijmegen. De maximale toegestane snelheid op die weg is 50 kilometer per uur. Richting Nijmegen ligt op de John Frostbrug maar één rijstrook en het is daar verboden om in te halen. Toch heeft verdachte de auto die voor hem reed ingehaald, waardoor hij op de rijstroken voor het tegemoetkomend verkeer terechtkwam. Hij reed toen volgens de officier van justitie ongeveer 140 kilometer per uur en hij was dronken. Daarop botste hij tegen de hem tegemoetkomende auto van [slachtoffer] . Wanneer de rechtbank oordeelt dat niet bewezen is dat [slachtoffer] door dit ongeval overleden is, dan vindt de officier van justitie dat de verdachte in elk geval gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt.

Het tweede verwijt is dat de verdachte dronken was tijdens het rijden, omdat het alcoholgehalte in zijn bloed 1,63 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn. Omdat hij een beginnende bestuurder van een auto is, mag dit gehalte tijdens het rijden niet hoger zijn dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed.

4. De overwegingen met betrekking tot het bewijs 2

4.1

Over het eerste verwijt: het veroorzaken van een dodelijk ongeval

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het eerste verwijt, het veroorzaken van een dodelijk ongeval, bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte en zijn advocaat (de verdediging) zijn dit met de officier van justitie eens.

Beoordeling door de rechtbank

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bijna niets meer weet van het autorijden op die vroege ochtend. Hij heeft verklaard dat hij in de nacht voorafgaand aan het ongeval is uitgegaan met bevriende collega’s. Hij heeft toen veel bier en Flügels gedronken. De bedoeling was volgens de verdachte dat hij zou logeren bij zijn beste vriendin [naam] . Hij heeft verklaard dat zij eerder naar huis wilde dan hij en dat hij dacht dat hij bij een andere vriendin mocht logeren. Dat bleek echter niet te kunnen, terwijl [naam] intussen al was vertrokken. De verdachte heeft verklaard dat hij toen met een illegale taxi naar het huis van [naam] wilde gaan. Dat lukte niet. De mannen die zaten in de illegale taxi die de verdachte aanhield wilden vooraf worden betaald, maar dat wilde de verdachte niet. Uiteindelijk heeft hij hen wel geld betaald zonder dat zij hem naar het huis van [naam] hadden gebracht. Hij heeft verklaard dat hij daarna richting de taxistandplaats in het centrum van Arnhem is gelopen en dat hij onderweg door een groep jongens tegen de grond werd geduwd. Hierdoor is hij in paniek geraakt. De verdachte is daarna bij iemand in een busje gestapt en werd daar uit gezet bij de (de rechtbank begrijpt: toenmalige) V&D. Hij had intussen enkele malen telefonisch contact met [naam] . Zij was inmiddels ruim een uur naar hem op zoek en stond bij de V&D op hem te wachten. Zij hebben daar grote ruzie met elkaar gekregen. Hierdoor is verdachte nog verder in paniek geraakt. Hij kan zich nog herinneren dat hij daarna richting (de rechtbank begrijpt: het toenmalige) restaurant Zwagers aan de Apeldoornseweg is gerend. Hij kan zich niet herinneren dat hij in zijn auto is gestapt en is gaan rijden of het besluit nam om dat te doen. Ook van het ongeval en de aanloop daar naartoe kan hij zich weinig tot niets herinneren. Hij kan zich wel herinneren dat hij in de auto heeft gezeten en dat hij onderweg problemen kreeg met schakelen en op enig moment onder de motorkap heeft gekeken. De verdachte heeft verder verklaard dat hij het verschrikkelijk vindt voor het slachtoffer en de nabestaanden dat het slachtoffer door zijn schuld is overleden.3

Dat de verdachte tijdens het rijden dronken was, blijkt uit het bloedonderzoek dat na het ongeval is verricht. Na het ongeval is bloed afgenomen van de verdachte. Dit bloed is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut. Uit dit onderzoek blijkt dat in het bloed van de verdachte een bloedalcoholgehalte is gemeten van 1,63 promille (1,63 milligram alcohol per milliliter bloed).4

De politie heeft onderzocht hoe het ongeval kon gebeuren. Uit dit onderzoek is gebleken dat de verdachte heeft ingehaald waar dat niet mocht. Hij is namelijk over een doorgetrokken streep op de weg gereden en zo op een rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer gekomen5. Dat de verdachte op de John Frostbrug heeft ingehaald, blijkt ook uit de verklaring van de getuige [getuige] . [getuige] reed vlak voor het ongeval op de John Frostbrug richting Arnhem-Zuid. Hij heeft verklaard dat hij zag dat hij met hoge snelheid werd ingehaald door een rode auto die vervolgens tegen een tegemoetkomende auto botste.6 Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte met ongeveer 140 kilometer per uur tegen de auto van [slachtoffer] is gebotst.7

De politie heeft de door de verdachte op dat moment gereden snelheid bepaald door op vier verschillende manieren onderzoek te doen. Zo is onderzoek gedaan naar de stand waarop de snelheidsmeter van de auto van de verdachte na het ongeval was blijven staan (“bevroren”) en naar de toerenteller van de auto van de verdachte.8 Ook heeft de politie een reconstructie gemaakt van de situatie vlak voor het ongeval. Met eenzelfde auto als waarin de verdachte heeft gereden, is de politie met verschillende snelheden meerdere keren de John Frostbrug opgereden. Van deze reconstructie zijn camerabeelden gemaakt en die beelden zijn vergeleken met de originele beelden waarop de auto van de verdachte enkele ogenblikken voor het ongeval is te zien. Zo kon bij benadering worden vastgesteld hoe snel de verdachte heeft gereden toen hij tegen de auto van [slachtoffer] botste 9.

De schouwarts heeft het lichaam van [slachtoffer] onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat zij door de hevige botsing met de auto van de verdachte is overleden. 10

De mate van schuld van de verdachte

Om te kunnen bewijzen dat de verdachte artikel 6 van de Wegenverkeerswet heeft overtreden (hierin staat kort gezegd dat je geen dodelijk ongeval of een ongeval met zwaar lichamelijk letsel als gevolg mag veroorzaken) moet worden bewezen dat hij schuld heeft gehad aan het veroorzaken van het ongeval. Het begrip schuld in het strafrecht is niet hetzelfde als het begrip schuld in het normale taalgebruik. In het normale taalgebruik wordt sneller gezegd dat iemand schuld heeft aan een ongeval dan in het verkeersstrafrecht. De drempel om te zeggen dat iemand schuld heeft in het verkeerstrafrecht ligt dus hoger. Er is pas schuld in het verkeersstrafrecht als sprake is van een “ten minste aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid”. Dat betekent dat de verdachte meer dan een moment van onoplettendheid moet hebben gehad of meer dan een kleine verkeersfout moet hebben gemaakt. In de rechtspraak is bovendien uitgemaakt dat de ernst van de gevolgen van een ongeval, zoals een dodelijk slachtoffer, op zichzelf niet voldoende is om aan te nemen dat sprake is van deze mate van schuld.

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van schuld zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet zijn de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van die gedragingen en de omstandigheden van het geval van belang.

Er zijn daarbij vier niveaus van schuld mogelijk. Het laagste niveau is aanmerkelijke schuld, daarna komt ernstige schuld, vervolgens een zeer hoge mate van schuld en het hoogste niveau van schuld is roekeloosheid.

De rechtbank zal moeten beoordelen of de verdachte schuld heeft gehad aan het veroorzaken van het ongeval en zo ja, welk niveau van schuld van toepassing is.

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

Zowel de officier van justitie als de advocaat vinden dat niet kan worden bewezen dat de verdachte roekeloos heeft gereden. Wel kan volgens hen worden bewezen dat sprake is van de op één na hoogste vorm van schuld: een zeer hoge mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en onoplettendheid (schuld).

Beoordeling door de rechtbank

De wet geeft geen opsomming van voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om te kunnen zeggen dat een bepaalde gedraging in het verkeer roekeloos is. Uit de rechtspraak over dit onderwerp blijkt dat niet snel sprake is van roekeloosheid. In de uitspraken waarin is geoordeeld dat sprake was van roekeloosheid lijkt het te gaan om verkeersgedrag waarbij elke vorm van voorzichtigheid ontbrak. Gedacht moet daarbij worden aan gedrag waarbij de dader bewust de geldende verkeersregels en de normale orde van het verkeer negeert en zich niet laat remmen door de onacceptabele risico’s van zijn gevaarlijke rijgedrag. Voorbeelden daarvan zijn illegale straatraces en de zogenaamde “filefuik-zaak”.11

In deze zaak is komen vast te staan dat de verdachte na een aantal mislukte pogingen om bij bevriende collega’s te blijven slapen en een opeenstapeling van conflictsituaties in paniek is geraakt en dronken in de auto is gestapt. Hij is gaan rijden en heeft daarbij veel harder gereden dan de maximale toegestane snelheid. Hij heeft iemand ingehaald over een dubbele doorgetrokken streep met zogenaamde “kattenogen” daartussen en is vervolgens tegen [slachtoffer] gebotst.

De rechtbank vindt dat deze gedragingen van verdachte geen roekeloosheid opleveren zoals hiervoor bedoeld. Niet vast staat dat bij het handelen van de verdachte zorg om zijn medeverkeersdeelnemers volledig ontbrak. Ook niet vast staat dat de verdachte bewust de verkeersregels overtrad en de gevaarlijke situatie creëerde en dat het hem niet kon schelen wat de risico’s daarvan waren. De rechtbank vindt wel dat de gedragingen van de verdachte het op één-na-hoogste niveau van schuld opleveren, te weten een zeer hoge mate van schuld.

Al met al vindt de rechtbank bewezen dat het aan de verdachte te wijten is dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer] is gedood. De verdachte heeft daaraan een zeer hoge mate van schuld. Het eerste verwijt is dus bewezen.

4.2

Over het tweede verwijt: het rijden onder invloed van alcohol

Standpunt van de officier van justitie en de verdediging

Zowel de officier van justitie als de verdediging vinden dat het tweede verwijt kan worden bewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Een beginnende bestuurder is iemand die op of na 30 maart 2002 zijn rijbewijs heeft verkregen en die zijn rijbewijs nog geen 5 jaren heeft. De verdachte heeft ongeveer anderhalve maand na het ongeval verklaard dat hij zijn rijbewijs op dat moment ongeveer twee tot tweeënhalf jaar had.12 De verdachte is dus een beginnend bestuurder. Een beginnende bestuurder mag tijdens het autorijden niet meer alcohol in zijn bloed hebben dan 0,2 promille. Bij de beoordeling van het eerste verwijt heeft de rechtbank overwogen dat uit bloedonderzoek is gebleken dat verdachte heeft gereden met een alcoholpromillage van 1,63. Dat is een veel hoger promillage dan toegestaan. Dit betekent dat ook het tweede verwijt is bewezen.

5. De bewezenverklaring 13

Zowel de rechtbank als de officier van justitie en de verdediging vinden bewezen dat de verdachte op 27 april 2016 op de John Frostbrug in Arnhem een ongeval heeft veroorzaakt met een andere auto. Daardoor is [slachtoffer] , de bestuurster van die auto, overleden. De rechtbank vindt ook bewezen dat dit is gekomen doordat de verdachte te veel had gedronken, hij ongeveer 140 kilometer per uur reed en hij inhaalde op een plek waar dat was verboden. De verdachte heeft zich daardoor zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gedragen.

Daarnaast vindt de rechtbank net als de officier van justitie en de verdediging bewezen dat verdachte met te veel alcohol op in een auto heeft gereden. Het alcoholgehalte in het bloed van de verdachte was gelijk aan het gehalte dat is genoemd in de tenlastelegging, namelijk 1,63 promille alcohol. Dit is hoger dan is toegestaan bij een beginnend bestuurder als verdachte.

6 De kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 (primair):

overtreding van artikel 6 WVW 1994.

Ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 8 WVW 1994.

7 Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

Het staat dus vast dat verdachte twee strafbare feiten heeft begaan. Om een straf te kunnen opleggen, moet de verdachte strafbaar zijn. De rechtbank vindt verdachte in dit geval strafbaar, omdat er geen omstandigheden (zoals dat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar zou zijn) zijn genoemd of gebleken die maken dat de verdachte niet strafbaar is.

8 Redenen van de op te leggen straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte voor beide bewezen feiten tezamen wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden. Ook wil de officier dat de verdachte vijf jaar geen motorvoertuigen mag besturen. De officier van justitie heeft deze forse straf geëist, omdat het om heel ernstige feiten gaat waardoor iemand is overleden.

Het standpunt van de verdediging

De advocaat van de verdachte wil dat het jeugdstrafrecht wordt toegepast in plaats van het volwassenenstrafrecht. Hij wil daarnaast dat een lagere straf wordt opgelegd dan de officier van justitie heeft geëist. De advocaat heeft daarbij gewezen op de volgende omstandigheden. De verdachte is onderzocht door twee deskundigen die hierover rapporten hebben geschreven. Uit die rapporten blijkt dat de deskundigen, een psycholoog en een psychiater, de verdachte onrijp voor zijn leeftijd vinden en dat zij vinden dat hij zichzelf in veel opzichten nog niet kan redden. Ook heeft de verdachte volgens de deskundigen weinig zelfvertrouwen. Uit het onderzoek blijkt volgens de advocaat dat het jeugdstrafrecht op de verdachte zou moeten worden toegepast. Verder is de verdachte niet eerder veroordeeld voor verkeersovertredingen of verkeersmisdrijven.

De advocaat stelt voor dat de rechtbank de verdachte een lange voorwaardelijke gevangenisstraf voor minderjarigen (jeugddetentie) oplegt in combinatie met een maximale taakstraf. Daarbij moet dan als voorwaarde worden gesteld dat de verdachte zich verplicht laat behandelen voor zijn psychische problemen. De verdachte is volgens de advocaat nog geen zelfstandige volwassen man en dat moet hij wel worden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank bepaalt de (hoogte van) de straf aan de hand van verschillende factoren. Van belang is als eerste welk feit bewezen is verklaard, hoe ernstig dat is en onder welke omstandigheden het feit is gepleegd. Daarnaast wegen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en eventuele eerdere veroordelingen voor een soortgelijk feit (recidive) mee. Voor de verdachte in deze zaak betekent dit dat de rechtbank onder andere kijkt naar de inhoud van:

- het strafblad van de verdachte van 29 mei 2017;

- een psychiatrisch onderzoek “Pro Justitia”, geschreven door dr. T.W.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus, van 23 september 2016; en

- een psychologisch onderzoek “Pro Justitia”, geschreven door P.K. Kristenzen, GZ-psycholoog, van 2 oktober 2016.

8.1

Het strafblad van verdachte

In het strafblad van de verdachte is te lezen dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf. Hij heeft twee keer een boete gehad voor een overtreding: één keer voor openbare dronkenschap in 2014 en één keer voor overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening van Apeldoorn in 2017. Dat zijn feiten van een andere aard en orde. Van recidive is dus geen sprake.

8.2

Het onderzoek door de psychiater

Uit het onderzoek van psychiater Van Os blijkt dat de verdachte een ziekelijke stoornis heeft, genaamd “binge drinking”. Dat is het regelmatig drinken van 6 of meer glazen alcohol binnen 2 uur. De psychiater omschrijft de verdachte verder als een neurotische (onzekere en conflictvermijdende) jongeman. De verdachte heeft ontwijkende trekken, de neiging om zich minderwaardig te voelen en om angstklachten te hebben als er zwaardere eisen aan hem gesteld worden dan hij aankan. Deze persoonlijke problemen zijn niet zo erg dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Wel spreekt de psychiater van psychische problematiek. Er was sprake van een paniekreactie in de nacht voorafgaand aan het ongeval.

Volgens de psychiater heeft dit, in combinatie met de ontwijkende trekken van verdachte, zijn keuzes en gedrag tijdens die nacht beïnvloed. De psychiater concludeert dat het ongeval het gevolg is van een combinatie van specifieke omstandigheden, te weten de stress van de incidenten op de avond zelf, de neiging van verdachte om conflicten te vermijden en een paniekreactie in een conflictsituatie met de vriendin bij wie hij zou gaan slapen.

Door deze combinatie van specifieke omstandigheden en de stoornis (het binge drinken) die de verdachte heeft, was de verdachte niet goed in staat om zijn keuzes en gedrag vrij te bepalen voor en tijdens de bewezenverklaarde feiten. De psychiater vindt dat de verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar is. Dat betekent dat de verdachte niet volledig verantwoordelijk kan worden gehouden voor het veroorzaken van het ongeval.

De psychiater vindt het alcoholgebruik van de verdachte een risicofactor als het gaat om het gevaar voor herhaling van wat is gebeurd. De psychiater vindt dit risico echter niet zo groot dat professionele hulp noodzakelijk is. De problemen die de verdachte op het gebied van sociale en relationele vaardigheden heeft, de manier waarop hij met problemen en stress omgaat en zijn problemen op het gebied van zelfredzaamheid, zijn veranderbaar. Door professionele behandeling kunnen deze problemen onder controle gebracht worden.

De psychiater heeft geadviseerd welke straf geschikt zou zijn voor de verdachte. De psychiater adviseert te bepalen dat de reclassering toezicht moet houden op de verdachte als het gaat om het alcoholgebruik. De reclassering kan daarnaast toezicht houden op een behandeling door bijvoorbeeld de huidige psycholoog van de verdachte.

Ten slotte vindt de psychiater dat er geen redenen zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen.

8.3

Het onderzoek door de psycholoog

De psycholoog schrijft dat de verdachte geen persoonlijkheidsstoornis heeft. Daarvoor zijn de persoonlijkheidsproblemen van de verdachte niet erg genoeg. De verdachte heeft afhankelijke en vermijdende kenmerken in zijn persoonlijkheid. Daarnaast zijn er restverschijnselen van de psychiatrische aandoening Gilles de la Tourette. In psychologisch opzicht is de verdachte onrijp en kwetsbaar. Zijn vaardigheden om met conflicten om te gaan en om problemen op te lossen zijn beperkt. Als hij aan zichzelf wordt overgelaten kan hij gemakkelijk in paniek raken en bang worden. Wanneer de verdachte alcohol gebruikt kan hij minder logisch nadenken en minder goed volgens een vast plan kan handelen. Er is mogelijk sprake van incidenteel “binge drinking”.

Volgens de psycholoog heeft dit de keuzes en het gedrag van de verdachte tijdens de nacht voor het ongeval beïnvloed. De verdachte is in een bijzondere situatie terecht gekomen waardoor de controle die hij op zijn eigen gedrag had steeds minder werd. Door wat er die nacht tijdens en na het uitgaan is gebeurd, kreeg hij steeds meer last van gevoelens van angst en paniek. Hij werd onzeker doordat hij de conflictsituatie waarin hij terecht kwam niet kon oplossen. De psycholoog wijst erop dat de verdachte wist, door eerdere ervaringen, dat hij in paniek kan raken als hij alleen wordt gelaten en onder invloed van alcohol is en dat hij onder invloed van alcohol onvoorspelbaar kan reageren. Anderzijds ging de verdachte wekelijks uit zonder in de problemen te komen. Als hij gedronken had, reed hij normaal gesproken geen auto en bleef hij bij een vriendin slapen. Dit alles maakt volgens de psycholoog dat de keuzevrijheid van de verdachte licht verminderd was. Hij was dus licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Volgens de psycholoog is er een lage kans op herhaling van de bewezen verklaarde feiten. De verdachte had voorafgaand aan het ongeval uit zichzelf al hulp gezocht bij een psycholoog/psychotherapeut. Dit heeft er al voor gezorgd dat het beter met de verdachte ging. Als de verdachte doorgaat met deze behandeling zal hij nog beter kunnen functioneren. Het is belangrijk dat hij zijn zelfstandigheid vergroot en dat hij minder afhankelijk wordt van zijn familie en vrienden. Daarnaast moet hij beter problemen kunnen oplossen en moet hij beter met conflicten kunnen omgaan.

De psycholoog vindt dat er geen redenen zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen, hoewel de verdachte onrijp is in zijn ontwikkeling.

De psycholoog geeft het advies om de verdachte een voorwaardelijke straf te geven in combinatie met een taakstraf. De psycholoog vindt het daarbij belangrijk dat de psychotherapeutische behandeling, die de verdachte nu al krijgt, doorgaat.

8.4

Jeugdstrafrecht of volwassenenstrafrecht

De rechtbank moet bepalen of jeugdstrafrecht (zoals de advocaat heeft voorgesteld) of volwassenenstrafrecht (zoals de officier van justitie heeft geëist) op de verdachte moet worden toegepast.

De psychiater en de psycholoog zijn deskundig op dit gebied en zij hebben geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. Zij hebben de verdachte uitgebreid onderzocht en daarover uitvoerig gerapporteerd. De rechtbank vindt de conclusies die de deskundigen hebben getrokken over de toe te passen vorm van het strafrecht begrijpelijk, gelet op wat is gerapporteerd over de verdachte. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om tegen het advies van de deskundigen in wel het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank zal dus het volwassenenstrafrecht toepassen.

8.5

Ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten

Het veroorzaken van een ongeval waarbij een ander wordt gedood, is een zeer ernstig feit. Hoewel de verdachte [slachtoffer] niet met opzet heeft gedood en ook zeker niet heeft gewild dat zij zou overlijden, heeft hij wel besloten om te drinken terwijl hij wist dat hij daarop eerder onvoorspelbaar had gereageerd, en heeft hij vervolgens besloten dronken te gaan rijden. Hij had 8 keer meer alcohol gedronken dan voor een beginnende bestuurder als hij was toegestaan tijdens het besturen van een auto. Het is algemeen bekend dat met zoveel alcohol in het bloed het reactievermogen en het vermogen om een verkeerssituatie goed te kunnen inschatten sterk verminderen. De gevolgen van de keuzes en het gedrag van de verdachte zijn onomkeerbaar: [slachtoffer] leeft niet meer.

Uit de slachtofferverklaringen van de zus en de moeder van [slachtoffer] die tijdens de terechtzitting zijn voorgelezen blijkt hoe groot het verdriet en het gemis bij hen en bij de partner, de vader en de broer van [slachtoffer] zijn. Koningsdag 2016 begon voor de ouders van [slachtoffer] met het bezoek van politieagenten die hen het schokkende bericht van de dood van hun dochter kwamen brengen. De moeder van [slachtoffer] moest deze afschuwelijke boodschap overbrengen aan de zus, de broers en de partner van [slachtoffer] . [slachtoffer] was de oudste dochter in het gezin, dat nooit meer compleet zal zijn. Er is altijd een lege stoel. De zus van [slachtoffer] beschrijft hoe zij haar zus met het verstrijken van de tijd alleen maar meer is gaan missen. Het leven van [slachtoffer] is haar afgenomen en daarmee ook een deel van het leven van haar nabestaanden.

8.6

De op te leggen straf en maatregel

Het veroorzaken van zo’n ernstig ongeval maakt het opleggen van een lange gevangenisstraf mogelijk en vaak ook passend en nodig.

8.6

Met betrekking tot de in beslag genomen auto

De auto waarmee de verdachte heeft gereden is in beslag genomen. De rechtbank vindt net als de officier van justitie dat deze auto verbeurd verklaard moet worden, omdat met deze auto twee strafbare feiten zijn gepleegd. Dit betekent dat de verdachte zijn auto kwijt raakt en dat hij in zijn financiële vermogen wordt geraakt.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gebaseerd op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24, 27, 33, 33a, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 8, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 5, heeft begaan, de volledige bewezenverklaring is opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis;

 verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals vermeld onder punt 6;

 verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, te weten 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van volgende voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen 5 dagen na het eindigen van zijn onvoorwaardelijke detentie zal melden bij de reclassering, zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende zijn proeftijd vanuit behandeloptiek passend en vanuit veiligheidsoptiek noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van een ambulante deskundige, zoals zijn huidige behandelaar drs. L. Krol (psycholoog/psychotherapeut), of enig andere door de reclassering geschikt bevonden deskundige, op de tijden en plaatsen als bepaald door of namens die deskundige, teneinde zich te laten behandelen voor zijn persoonsproblematiek;

- een cursus omtrent de gevaren van het gebruik van alcohol zal volgende gedurende de proeftijd, indien de reclassering dat noodzakelijk acht;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een auto, merk Seat Leon (goednummer PL0600-2016206222-1117119).

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. M.P. Bos en mr. M. Wasmann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2017.

Mr. M. Wasmann en mr. A. Bril zijn niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage 1 – de inhoud van de tenlastelegging

1. Primair

hij op of omstreeks 27 april 2016 binnen de bebouwde kom te Arnhem in de gemeente Arnhem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van het centrum van Arnhem, daarmede rijdende over de rijstrook, bestemd voor het verkeer in de richting Arnhem-Zuid van de ter plaatse uit vier rijstroken (één rijstrook voor het verkeer in de richting Arnhem-Zuid en drie rijstroken voor het verkeer in de richting Arnhem-Centrum, waarvan de meest rechtse rijstrook een busbaan is) bestaande weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug),

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl hij, verdachte onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank,

 aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) grotere snelheid dan de ter plaatse, ingevolge artikel 20 aanhef onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voor hem, verdachte toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur en/of;

 is hij, verdachte een voor hem uit op die door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug) langzamer rijdend ander motorrijtuig (personenauto) gaan inhalen, waarbij hij, verdachte vanaf die rijstrook naar links heeft gestuurd en (vervolgens) geheel op het (linker)weggedeelte, bestemd voor tegemoetkomend verkeer op die weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug) terecht is gekomen en/of is gaan rijden en/of;

 waarbij hij, verdachte in strijd met het gestelde in artikel 76 van voormeld reglement een/de doorgetrokken streep/strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevond/en, heeft overschreden en/of zich met voormeld motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken streep/strepen, – welke streep/strepen op die weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug) was/waren aangebracht tussen de rijbanen, met verkeer in beide richtingen –, heeft bevonden en/of;

 in strijd met het gestelde in artikel 3 van voormeld reglement niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of;

 rijdende met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een op die direct naast voormelde busbaan gelegen rijstrook (richting Arnhem-Centrum) van het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug) rijdende, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Honda) en/of;

 ten gevolge waarvan dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Honda) tegen

de gezien verdachtes rijrichting, zich aan de linker zijde van die busstrook van die weg, de Nijmeegseweg (John Frostburg) bevindende (stalen) constructie van die brug werd gedrukt of terecht is gekomen en/of;

 waardoor of waarbij laatstgenoemd motorrijtuig (personenauto, merk Honda) in botsing of aanrijding is gekomen met een daar achter rijdend ander motorrijtuig (personenauto, merk Audi);

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij, verdachte,

 verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of;

 zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en/of;

 gevaarlijk heeft ingehaald;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

1. Subsidiair

hij op of omstreeks 27 april 2016 binnen de bebouwde kom te Arnhem in de gemeente Arnhem, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van het centrum van Arnhem, daarmede over de rijstrook, bestemd voor het verkeer in de richting Arnhem-Zuid van de ter plaatse uit vier rijstroken (één rijstrook voor het verkeer in de richting Arnhem-Zuid en drie rijstroken voor het verkeer in de richting Arnhem-Centrum, waarvan de meest rechtse rijstrook een busbaan is) bestaande weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug),

 heeft gereden met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) grotere snelheid dan de ter plaatse, ingevolge artikel 20 aanhef onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voor hem, verdachte toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur en/of;

 is hij, verdachte een voor hem uit op die door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug) langzamer rijdend ander motorrijtuig (personenauto) gaan inhalen, waarbij hij, verdachte vanaf die rijstrook naar links heeft gestuurd en (vervolgens) geheel op het (linker)weggedeelte, bestemd voor tegemoetkomend verkeer op die weg, de

Nijmeegseweg (John Frostbrug) terecht is gekomen en/of is gaan rijden en/of;

 waarbij hij, verdachte in strijd met het gestelde in artikel 76 van voormeld reglement een/de doorgetrokken streep/strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevond/en, heeft overschreden en/of zich met voormeld motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken streep/strepen, -welke streep/strepen op die weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug) was/waren aangebracht tussen de rijbanen, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of;

 in strijd met het gestelde in artikel 3 van voormeld reglement niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of;

 rijdende met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een op die direct naast voormelde busbaan gelegen rijstrook (richting Arnhem-Centrum) van het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug) rijdende, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Honda) en/of;

 ten gevolge waarvan dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Honda) tegen de gezien verdachtes rijrichting, zich aan de linker zijde van die busstrook van die weg, de Nijmeegseweg (John Frostburg) bevindende (stalen)constructie van die brug werd gedrukt of terecht is gekomen en/of;

 waardoor of waarbij laatstgenoemd motorrijtuig (personenauto, merk Honda) in botsing of aanrijding is gekomen met een daar achter rijdend ander motorrijtuig (personenauto, merk Audi);

 door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 27 april 2016 te Arnhem, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,63 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Bijlage 2 – de bewezenverklaring

1. Primair

hij op of omstreeks 27 april 2016 binnen de bebouwde kom te Arnhem in de gemeente Arnhem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van het centrum van Arnhem, daarmede rijdende over de rijstrook, bestemd voor het verkeer in de richting Arnhem-Zuid van de ter plaatse uit vier rijstroken (één rijstrook voor het verkeer in de richting Arnhem-Zuid en drie rijstroken voor het verkeer in de richting Arnhem-Centrum, waarvan de meest rechtse rijstrook een busbaan is) bestaande weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug),

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl hij, verdachte onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank,

 aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) grotere snelheid dan de ter plaatse, ingevolge artikel 20 aanhef onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voor hem, verdachte toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur en/of;

 is hij, verdachte een voor hem uit op die door hem, verdachte bereden rijstrook van die weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug) langzamer rijdend ander motorrijtuig (personenauto) gaan inhalen, waarbij hij, verdachte vanaf die rijstrook naar links heeft gestuurd en (vervolgens) geheel op het (linker)weggedeelte, bestemd voor tegemoetkomend verkeer op die weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug) terecht is gekomen en/of is gaan rijden en/of;

 waarbij hij, verdachte in strijd met het gestelde in artikel 76 van voormeld reglement een/de doorgetrokken streep/strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevond/en, heeft overschreden en/of zich met voormeld motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken streep/strepen, – welke streep/strepen op die weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug) was/waren aangebracht tussen de rijbanen, met verkeer in beide richtingen –, heeft bevonden en/of;

 in strijd met het gestelde in artikel 3 van voormeld reglement niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of;

 rijdende met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een op die direct naast voormelde busbaan gelegen rijstrook (richting Arnhem-Centrum) van het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg, de Nijmeegseweg (John Frostbrug) rijdende, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Honda) en/of;

 ten gevolge waarvan dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Honda) tegen

de gezien verdachtes rijrichting, zich aan de linker zijde van die busstrook van die weg, de Nijmeegseweg (John Frostburg) bevindende (stalen) constructie van die brug werd gedrukt of terecht is gekomen en/of;

 waardoor of waarbij laatstgenoemd motorrijtuig (personenauto, merk Honda) in botsing of aanrijding is gekomen met een daar achter rijdend ander motorrijtuig (personenauto, merk Audi);

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij, verdachte,

 verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of;

 zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en/of;

 gevaarlijk heeft ingehaald;

2.

hij op of omstreeks 27 april 2016 te Arnhem, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,63 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

1 De volledige tenlastelegging is als bijlage 1 aan het vonnis gehecht.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Oost Nederland, district DROS, Unit verkeer, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016206222, gesloten op 7 december 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 7 juli 2017.

4 Een schriftelijk bescheid zijnde een rapport Alcohol in het verkeer, p. 205.

5 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 77 en 78.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 267.

7 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 77 en 78.

8 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 54, 65 t/m 71.

9 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 75 en 76.

10 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 80.

11 Hoge Raad d.d. 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:1656.

12 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p. 374.

13 De volledige bewezenverklaring is als bijlage 2 aan het vonnis gehecht.