Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3866

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1597
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek teruggaaf inkomensafhankelijke bijdrage ZVW buitenland.

Verweerder doet uitspraak op bezwaar. Daarom is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het beroep. De beslissing op een verzoek om teruggaaf is niet voor bezwaar vatbaar. De teruggaaf is verleend. Voor zover eiser meent recht te hebben op een hogere vergoeding of wettelijke rente, zal hij een civiele procedure moeten starten. Uit oogpunt van rechtsbescherming heeft verweerder het verzoek ook als bezwaar tegen de aanslag 2012 behandeld. Als bezwaar was het verzoek aanzienlijk te laat. Het is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is kennelijk ongegrond. Verweerder heeft de zaken nodeloos ingewikkeld gemaakt. Daarin ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht aan eiser dient te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1784
V-N 2017/48.20.7
Viditax (FutD), 25-07-2017
FutD 2017-1912
NTFR 2017/2062 met annotatie van mr. J. Kastelein
NLF 2017/1959 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 17/1597

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 juli 2017

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , Verenigd Koninkrijk, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Op 4 januari 2017 heeft eiser verzocht om teruggave van inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) over het jaar 2012 overeenkomstig de zogenoemde Buitenlandregeling.

Verweerder heeft dit verzoek aangemerkt als bezwaarschrift. Bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2017 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. Verweerder heeft het bezwaar tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve herziening en een teruggave verleend van in totaal € 1.020.

Op 26 maart 2017 heeft eiser daartegen elektronisch beroep ingesteld.

De rechtbank heeft eiser bij brief van 29 maart 2017 gevraagd waarom te laat bezwaar is gemaakt. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 18 april 2017, ontvangen door de rechtbank op 24 april 2017.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Het verzoek om teruggaaf houdt verband met artikel 69 van de Zvw. Op grond van het eerste lid van dat artikel (tekst 2012) melden - voor zover van belang - in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan zich bij het College zorgverzekeringen aan. Hiervoor is op het grond van het tweede lid van artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd, die voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag gedeeltelijk als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd.

3. Degene die valt onder deze regeling is niet tevens een inkomensafhankelijke bijdrage Zvw als bedoeld in artikel 41 van de Zvw verschuldigd.

4. Sinds de invoering van de Zvw in 2006 zijn ten onrechte inkomensafhankelijke bijdragen Zvw betaald aan de Belastingdienst. Na inmenging van de Nationale ombudsman heeft de minister van Financiën een teruggaveregeling in het leven geroepen.

5. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat eiser een beroep heeft gedaan op deze teruggaveregeling voor het jaar 2012. Hij heeft daarbij gebruikgemaakt van het standaardformulier Verzoek teruggaaf Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet dat de Belastingdienst verstrekt. Eiser voert gelet hierop terecht aan dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft echter wel uitspraak op bezwaar gedaan. Dat maakt dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het daartegen gerichte beroep.

6. De rechtbank deelt niet het standpunt van eiser dat verweerder een beslissing had moeten nemen waartegen bezwaar gemaakt kon worden. Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan slechts beroep worden ingesteld tegen een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. In de Zvw is niet bepaald dat de beslissing op een teruggaafverzoek als het onderhavige voor bezwaar vatbaar is. Er is alleen bezwaar mogelijk tegen de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. In zoverre heeft verweerder terecht een ambtshalve beslissing gegeven. Hiertegen kan eiser niet opkomen bij de belastingrechter. Voor zover eiser aanspraak meent te kunnen maken op een hogere vergoeding of vergoeding van wettelijke rente zal hij een civiele procedure moeten starten.

7. Verweerder heeft het teruggaafverzoek echter tevens als bezwaar opgevat. Uit het beroepschrift valt af te leiden dat eiser dit niet heeft bedoeld, maar in beginsel heeft verweerder hiermee de rechtsbescherming van eiser gediend. Als namelijk sprake is van een ontvankelijk bezwaar, kan de beslissing van verweerder aan de belastingrechter worden voorgelegd.

8. Op grond van de artikelen 6:7 en 6:9, eerste lid, van de Awb en artikel 22j, aanhef en onderdeel b, van de AWR bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die van de inhouding. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

9. Het bijdrage-inkomen bestaat in 2012 uit een pensioenuitkering van PFZW en een WAO/WIA-uitkering van het UWV. Niet in geschil is dat de dagtekening van de laatste verloning (en derhalve inhouding van inkomensafhankelijke bijdrage Zvw) van genoemde uitkeringen (uiterlijk) 31 december 2012 is. Gelet hierop is de laatste dag van de bezwaartermijn (uiterlijk) 11 februari 2013. Het bezwaarschrift van 4 januari 2017 is op 10 januari 2017 binnengekomen bij verweerder. Dit is (ver) buiten de hiervoor genoemde bezwaartermijn.

10. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Eiser heeft aangevoerd dat het Zorginstituut Nederland hem bij brief van 2 augustus 2016 heeft gewezen op het feit dat eiser geen bijdrage Zvw was verschuldigd en dat hij een verzoek tot teruggave van de Zvw kon indienen bij de Belastingdienst. In de hiervoor genoemde brief was tevens geen vervaltermijn opgenomen waarbinnen het verzoek tot teruggave moest worden ingediend, aldus eiser.

11. Daarmee is de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar. Het verzoek om teruggaaf staat los van de wettelijke termijn waarbinnen eiser bezwaar had moeten maken. Dat eiser niet bekend was met het feit dat niet verweerder, maar het College zorgverzekeringen inhoudingsplichtig was maakt op zich een termijnoverschrijding niet verschoonbaar. De teruggaveregeling is juist (mede) in het leven geroepen om ondanks de verstreken bezwaartermijnen aan de situatie inhoudelijk tegemoet te kunnen komen.

12. Verweerder heeft het teruggaveverzoek mede kunnen aanmerken als bezwaarschrift en dat bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre kennelijk ongegrond.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zaken voor eiser nodeloos ingewikkeld heeft gemaakt door het teruggaafverzoek in de eerste plaats te behandelen als een bezwaarschrift en daarna als een verzoek om ambtshalve beslissing. Door gebruikmaking van het formulier van de Belastingdienst heeft eiser duidelijk gemaakt dat hij zich beriep op de teruggaveregeling en niet de bedoeling had bezwaar te maken. Verweerder had kunnen volstaat met beoordeling van het teruggaafverzoek en had niet op een ingelezen bezwaar hoeven beslissen. Gelet op de ruime overschrijding van de bezwaartermijn diende dit geen enkel doel. Dit heeft echter wel veroorzaakt dat eiser in beroep is gegaan. Hierin ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht aan eiser dient te vergoeden.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 21 juli 2017

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum verzet doen bij de Rechtbank Gelderland, Team belastingrecht, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. De indiener van het verzet kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Bij het doen van het verzet dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het verzetschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het verzetschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen verzet wordt gedaan;

d. de gronden van het verzet.