Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3834

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7324
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenplicht art. 17 Pw. Redelijke schatting. Belanghebbenden zijn curator van hun in 1997 geboren dochter, die een Wajonguitkering ontvangt. Belanghebbenden hebben maandelijks geld van hun zoon ontvangen en geld van de rekening van de dochter ten eigen behoeve aangewend. Dat belanghebbenden kunnen beschikken over de bankrekeningen van hun dochter, betekent niet dat de volledige Wajong-uitkering van de dochter als inkomsten van belanghebbenden in aanmerking moet worden genomen. De rechtbank ziet reden om aan te nemen dat een substantieel deel van de Wajong-uitkering is aangewend voor de bestaanskosten van de dochter, waaronder de kosten van de zorgverzekering, levensonderhoud en kosten die verband houden met haar invaliditeit. Voor een redelijke schatting zoekt de rechtbank aansluiting bij de kostendelersnorm van artikel 22a, eerste lid, Participatiewet. Eisers hebben recht op een uitkering van 86 2/3 % van de bijstandsnorm voor gehuwden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/7324

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2017

in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. B. Anik),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen te Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eisers per 1 maart 2016 ingetrokken en de ten onrechte verstrekte bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 7.508,06 netto.

Bij besluit van 18 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers (gedeeltelijk) gegrond verklaard in die zin dat verweerder eisers recht op bijstand over de periode van 1 maart 2016 tot en met 13 september 2016 heeft herzien in die zin dat over die periode maandelijks een bedrag van € 750,- aan inkomsten in aanmerking wordt genomen, de ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 augustus 2016 wordt teruggevorderd en verweerder met ingang van 14 september 2016 maandelijks een bedrag van € 750,- aan inkomsten in aanmerking zal nemen.

Bij besluit van 25 november 2016 heeft verweerder de terugvordering vastgesteld op € 45.00,- netto.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C. Vlaskamp.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is geboren in 1969. Eiseres is geboren in 1974. Eisers wonen samen met hun dochter [naam 1] , geboren in 1997 op één adres. De dochter lijdt aan het fragiele X-syndroom en is als gevolg daarvan verstandelijk gehandicapt. Zij ontvangt een uitkering ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 20 juli 1015 is de dochter van eisers onder curatele gesteld en zijn eisers tot haar curatoren benoemd. Eisers ontvingen sinds juni 2013 van verweerder een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een melding op 4 juli 2016 heeft verweerder een rechtmatigheidsonderzoek ingesteld. In dat kader heeft verweerder dossieronderzoek verricht, zijn er gegevens opgevraagd bij eisers en zijn zij gehoord. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in het rapport van 13 september 2016. Dit heeft geleid tot het primaire besluit. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt en daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft dat verzoek in de zaak met nummer 16/5664 toegewezen en de inkomsten van eisers voorlopig op ongeveer € 400,- per maand geschat en bepaald dat daarnaast de inkomsten uit het vrijwilligerswerk van eiser in aanmerking moeten worden genomen.

Met ingang van 15 november 2016 is de uitkering beëindigd op de grond dat eisers met ingang van die datum naar de gemeente Arnhem zijn verhuisd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van eisers herzien in die zin dat over de periode van 1 maart 2016 tot en met 13 september 2016 rekening wordt gehouden met een maandelijks bedrag van € 750 aan inkomsten. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eisers de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet geschonden hebben. Het in aanmerking te nemen inkomen van eisers heeft verweerder per 1 maart 2016 schattenderwijs vastgesteld. Het bedrag van € 750,- bestaat uit € 150,- aan financiële ondersteuning door hun zoon en € 600,- Wajong-uitkering van eisers dochter. Aan die schatting is ten grondslag gelegd dat eisers hebben verklaard dat zij maandelijks gemiddeld € 150,- ontvangen van hun zoon en ook dat eisers volledig kunnen beschikken over (het saldo op) de bankrekening van hun dochter waarop haar Wajong- uitkering van minimaal

€ 600,- wordt gestort.

3. In geschil is of de bijstand terecht is herzien. Niet in geschil is dat eisers financiële ondersteuning hebben ontvangen van hun zoon [naam 2] en dat eisers kunnen beschikken over de bankrekeningen van hun dochter.

4.1.

Eisers hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden.

4.2.

Verweerder heeft zich hiertegenover op het standpunt gesteld dat eisers hun inlichtingenverplichting wel hebben geschonden. Volgens verweerder hebben eisers verzuimd om onverwijld en uit eigen beweging aan verweerder mede te delen dat zij financiële ondersteuning hebben ontvangen van hun zoon en van de ouders van eiser en dat zij kunnen beschikken over de twee bankrekeningen van hun dochter, waaronder die waarop haar Wajong-uitkering wordt gestort en waarvan volgens verweerder de tegoeden mede zijn aangewend voor de kosten van levensonderhoud van eisers. Volgens verweerder heeft eiser zonder toestemming van verweerder op geld waardeerbare arbeid verricht bij [stichting] . Verweerder betwist niet dat eiser op het statusformulier van april 2016 heeft doorgegeven dat hij € 120,- aan inkomen van [stichting] heeft ontvangen, maar stelt dat dit bedrag niet juist is en ook dat eiser daarna zijn inkomen van [stichting] niet meer heeft doorgegeven. Uit de bankafschriften blijkt volgens verweerder dat eiser van [stichting] € 150,- per maand heeft ontvangen.

4.3.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet zijn belanghebbenden verplicht om aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, tot de middelen worden gerekend.

4.4.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat eisers de inlichtingenverplichting hebben geschonden wat de Wajong-uitkering van hun dochter betreft. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers, zoals uit de uitspraak van deze rechtbank in de voorlopige voorzieningenprocedure blijkt, zelf hebben verklaard dat zij de Wajong-uitkering hebben aangewend voor hun eigen levensonderhoud en dus als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid van de Participatiewet. Dat blijkt ook uit de bankrekening van de dochter bij ING met nummer (…)871. Eisers hadden dat moeten melden. De rechtbank is van oordeel dat eisers ook de inlichtingenverplichting hebben geschonden doordat zij niet onverwijld en uit eigen beweging aan verweerder mededeling hebben gedaan van de financiële ondersteuning die eisers hebben ontvangen van hun zoon. In het midden kan blijven of eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van inkomsten in verband met het vrijwilligerswerk, omdat die inkomsten niet meer in de herziening zijn begrepen.

5.1.

Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte een bedrag van € 750,- heeft aangemerkt als inkomen waarover eisers kunnen beschikken en dat verweerder dit bedrag bovendien onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens eisers heeft verweerder de financiële ondersteuning van hun zoon ten onrechte vastgesteld op € 150,- per maand. Volgens eisers bedroeg de ondersteuning gemiddeld niet meer dan € 150,- per maand en zat er geen regelmaat in de ontvangsten, omdat zij die naar behoefte ontvingen. Daarnaast voeren eisers aan dat verweerder ten onrechte de gehele Wajong-uitkering van hun dochter heeft aangemerkt als inkomen van eisers en dat dit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens eisers volgt uit het feit dat zij als curatoren over de bankpas van hun dochters rekening kunnen beschikken, niet dat zij haar gehele Wajong-uitkering kunnen aanwenden voor hun eigen levensonderhoud. Eisers stellen ook dat zij zo nodig de uitkering van hun dochter gebruiken om boodschappen te doen, maar dat de boodschappen bedoeld zijn voor hun dochter. Volgens eisers gaat dit om € 150,- per maand en gebruiken zij ook de rest van de uitkering voor hun dochter.

5.2.

Verweerder heeft zich hiertegenover op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er nog recht zou bestaan op (aanvullende) bijstand als zij de inlichtingen wel hadden doorgegeven. Verweerder stelt dat hij uit coulance het recht schattenderwijs heeft vast gesteld, maar dat hij daartoe niet gehouden was. Volgens verweerder is het bedrag niet klakkeloos vastgesteld, maar geschat op € 600,- per maand in verband met de Wajong-uitkering van eisers dochter en € 150,- per maand in verband met de financiële ondersteuning die zij van hun zoon ontvingen. Volgens verweerder heeft hij de financiële ondersteuning van eisers zoon redelijkerwijs op € 150,- per maand kunnen vaststellen, omdat eisers zelf hebben verklaard dat zij gemiddeld een bedrag van € 150,- van hun zoon ontvingen en hun zoon heeft verklaard dat de ondersteuning gemiddeld niet meer dan € 150,- per maand bedroeg. Wat betreft de Wajong-uitkering van eisers dochter, wijst verweerder erop dat eisers de beschikking hebben over twee bankrekeningen van hun dochter, waaronder de rekening waarop de Wajong-uitkering van ruim € 600,- per maand wordt gestort. Dat eisers geen scheiding hebben gemaakt tussen hun eigen inkomsten en uitgaven en die van hun meerderjarige dochter, dient volgens verweerder voor rekening en risico van eisers te blijven. Tot slot stelt verweerder dat de overgelegde stukken onvoldoende concrete aanknopingspunten bieden om een lager bedrag als inkomen in aanmerking te nemen.

5.3.

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (onder andere de uitspraak van de CRvB van 2 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4028), volgt dat schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond oplevert voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, dient het bijstandsverlenend orgaan daartoe over te gaan. Eveneens volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB (onder andere de uitspraak van de CRvB van 29 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9822) dat indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door betrokkene door hem achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, het bijstandsverlenend orgaan, indien mogelijk, gehouden is schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden. Het eventuele nadeel voor de betrokkene voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening worden gelaten.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat de schatting van verweerder niet redelijk is. De omstandigheid dat gemeenschappelijke uitgaven van het gezin mede werden betaald van de rekening van de dochter, maakt niet dat de volledige uitkering van de dochter op de bijstand van eisers in mindering gebracht moet worden. Eisers hebben uit hoofde van hun curatorschap de beschikking over de bankrekening van hun dochter waarop haar Wajong-uitkering wordt gestort. De Wajong-uitkering is bedoeld voor het levensonderhoud van de dochter. De rechtbank heeft reden om aan te nemen dat een substantieel deel van de Wajong-uitkering is aangewend voor de bestaanskosten van hun dochter, waaronder de kosten voor haar zorgverzekering, kosten voor haar levensonderhoud en uitgaven die samenhangen met haar invaliditeit waaronder de eigen bijdrage voor het CAK. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de Wajong-uitkering maar € 600,- per maand en dus laag is.

6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien voor wat de herziening betreft. De rechtbank zal bij de herziening uitgaan van een redelijke schatting en daarbij aansluiting zoeken bij de kostendelersnorm van artikel 22a, eerste lid, van de Participatiewet. Dat betekent dat eisers, afgezien van de bijdragen levensonderhoud van hun zoon [naam 2] , in de periode van 1 maart 2016 tot 15 november 2016 recht hebben op een uitkering van 86 2/3 % van de bijstandsnorm voor gehuwden. Dit betekent dat voor wat de herziening betreft verweerder geen nieuw besluit hoeft te nemen.

Met betrekking tot de terugvordering kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien omdat de daarvoor benodigde financiële gegevens ontbreken. Verweerder wordt daarom opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak. Voor het toepassen van een zogeheten bestuurlijke lus bestaat geen aanleiding, nu het hier nog slechts gaat om een financiële uitwerking, waarover geen problemen zijn te verwachten.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 13 september 2016 voor zover het de herziening van de bijstand betreft en bepaalt dat aan eisers over de periode 1 maart 2016 tot 15 november 2016 wordt toegekend 86 2/3 % van de bijstandsnorm voor gehuwden onder aftrek van inkomsten uit de bijdrage levensonderhoud van zoon [naam 2] van € 150,- per maand;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, voor zover het de herziening betreft;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers tegen het besluit inzake de terugvordering te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht groot € 46,- aan hen vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in tegenwoordigheid van W.J.M. de Wit, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 21 juli 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.