Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:383

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8967
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kwaliteitseisen kinderopvang

Boetebesluit. Nu het inspectierapport de vereiste gegevens van artikel 5:48, tweede lid, van de Awb, bevat heeft verweerder het inspectierapport terecht kunnen aanmerken als boeterapport. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsregel die zich hiertegen verzet.

Het onderzoek verkeerde derhalve op het moment van de inspecties in de toezichtsfase en van een (concreet) voornemen om een bestraffende sanctie op te leggen, ofwel een ‘criminal charge’, was geen sprake. In deze fase was artikel 5:10 van de Awb derhalve nog niet van toepassing. Van onrechtmatig verkregen bewijs is derhalve geen sprake.

In artikel 1.61, eerste lid, van de Wko is de GGD aangewezen als toezichthouder op de naleving van de kwaliteitseisen. Artikel 2.21, eerste lid, bepaalt dat de toezichthouder zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste tot en met vierde lid, vastlegt in een inspectierapport. De GGD wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. In de Wko is verder bepaald dat verweerder ingrijpt als de GGD tekortkomingen constateert. Hieruit volgt dat aan de bevindingen van een medewerker van de GGD als toezichthouder een ander gewicht toekomt dan aan een losse getuigenis en dat verweerder zich op het inspectierapport heeft mogen baseren.

Nu eiseres houder is van het kindercentrum is eiseres reeds hierom overtreder. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Slavenburg-criteria niet op onderhavige zaak van toepassing zijn. De rechtbank is van oordeel dat het Handhavingsbeleid als zodanig niet onredelijk of disproportioneel zijn.

De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 1.50 van de Wkkp niet alleen volgt dat de houder en personen werkzaam bij de onderneming in het bezit moeten zijn van een VOG, maar ook dat die VOG geldig en passend moet zijn. Anders zou het vereiste van een VOG, dat tot doel heeft om aan te tonen dat een persoon geen strafbare feiten op zijn naam heeft staan die een belemmering vormen bij het werken in de kinderopvang, inhoudelijk geen enkele betekenis hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de omstandigheid dat eiseres het nodig heeft geacht dat de klusjesman over een VOG beschikt, de intentie van eiseres om de klusjesman met enige regelmaat in te zetten. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat voor de klusjesman in dit geval een VOG was vereist. Niet van belang is hoe vaak de klusjesman uiteindelijk feitelijk werkzaam is geweest voor eiseres, nu een VOG reeds vóór aanvang van de werkzaamheden moet worden overgelegd, zodat de bedoeling van partijen (mede) bepalend is voor de vraag of een VOG in een specifiek geval vereist is.

Geen matiging. Eiseres had bij het overleggen van de afgegeven VOG door de klusjesman moeten controleren of de VOG was afgegeven op grond van het juiste specifieke screeningsprofiel of de juiste functieaspecten binnen het algemeen screeningsprofiel. Indien het voor eiseres niet duidelijk was wat het juiste specifieke screeningsprofiel was of wat de juiste functieaspecten binnen het algemeen screeningsprofiel waren, had het op de weg van eiseres gelegen om hierover nadere informatie in te winnen bij het bevoegde bestuursorgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/8967

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats 1] eiseres

(gemachtigde: mr. R.P. Kuijper),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren te Maurik, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres voor de locatie Kinderdagverblijf [naam] (hierna: KDV [naam] ) een bestuurlijke boete van € 3.000 opgelegd wegens het overtreden van voorwaarden bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp).

Bij besluit van 13 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is, gevoegd met de overige beroepen van eiseres, behandeld op de zitting van 14 april 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T. Zuidhof en A. Lagarde. Voorts is verschenen K.M. Wilberink, werkzaam bij de GGD Rivierenland (hierna: GGD).

De rechtbank heeft het onderzoek in de zaken met zaaknummers AWB 14/2345, 14/2348, 14/2349, 14/2350, 14/3750, 14/3776, 14/8967, 14/3743, 14/3773, 14/3753, 14/3777 en 14/3779 op 26 mei 2016 heropend.

Op 15 september 2016 heeft een nadere gevoegde behandeling ter zitting plaatsgevonden. Namens eiseres zijn verschenen [naam 1], directeur, mr. [naam 2], adviseur, en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Oudenaarden, gemachtigde, A.T. Zuidhof en K.M. Wilberink. Nadien zijn de beroepen deels weer gesplitst en zal per opvanglocatie afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

Overwegingen

1. Eiseres is houder van het kindercentrum KDV [naam] te [plaats 2] .

2. Ingevolge artikel 1.72, eerste lid, van de Wkkp kan het college de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens afdeling 3 van dit hoofdstuk, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.

Ingevolge artikel 1.80 van de Wkkp geeft het college, indien hij voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, de overtreder daarvan kennis onder de vermelding van de gronden waarop het voornemen berust en overlegging van het rapport.

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan het boetebesluit het inspectierapport van de GGD, opgemaakt naar aanleiding van de inspectie van 18 februari 2014, ten grondslag heeft gelegd. Volgens dit rapport voldoet KDV [naam] niet aan de voorwaarde dat de houder en personen werkzaam bij de onderneming waarmee de houder het kindercentrum exploiteert, in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee jaar, artikel 1.50, derde lid van de Wkkp.

4. Ingevolge artikel 1.50, derde lid van de Wkkp, zijn de houder van een kindercentrum en de personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert, in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.

5. De rechtbank constateert dat eiseres in de verschillende zaken met betrekking tot de aan haar opgelegde boetes een aantal algemene beroepsgronden heeft aangevoerd. Zij heeft die algemene beroepsgronden echter niet allemaal expliciet ten aanzien van ieder boetebesluit aangevoerd. De rechtbank gaat er op basis van hetgeen ter zitting is besproken vanuit dat eiseres wel bedoeld heeft deze algemene gronden in alle boetezaken aan te voeren. De rechtbank zal daar bij de verdere bespreking van het boetebesluit dan ook vanuit gaan.

Inspectierapport

6. Eiseres heeft aangevoerd dat een rapport in de zin van artikel 5:53 van de Awb ontbreekt. Uitsluitend een boeterapport mag volgens het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) ten grondslag worden gelegd aan een bestuurlijke sanctie. Gelet hierop mogen de bevindingen uit het inspectierapport, waarbij immers niet is gewezen op het recht om zichzelf niet te incrimineren, niet worden gebruikt in het kader van een punitief traject. Eiseres verwijst in dit verband naar het arrest van het EHRM van 17 december 1996 (no. 43/1994/490/572, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862, NJ 1997/699, Saunders tegen Verenigd Koninkrijk).

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het inspectierapport wel kan worden aangemerkt als een boeterapport, nu het de in artikel 5:48 van de Awb opgesomde gegevens bevat en daaruit volgt wat eiseres wordt verweten. Er is geen wettelijke verplichting tot het opnemen van alle verklaringen of schriftelijke bewijsstukken in het boeterapport. Verweerder heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 11 juni 2013.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. Ingevolge artikel 5:48, eerste lid, van de Awb kunnen het bestuursorgaan en de voor de overtreding bevoegde toezichthouder van de overtreding een rapport opmaken.

Ingevolge het tweede lid is het rapport gedagtekend en vermeldt het de naam van de overtreder, de overtreding alsmede het overtreden voorschrift en zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.

10. De rechtbank stelt vast dat het inspectierapport is opgemaakt door een toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Awb. Het doel van een boeterapport is dat het de overtreder in staat moet stellen om zijn verdediging voor te bereiden. Nu het inspectierapport de vereiste gegevens van artikel 5:48, tweede lid, van de Awb, bevat heeft verweerder het inspectierapport terecht kunnen aanmerken als boeterapport. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsregel die zich hiertegen verzet. Dat het rapport is opgesteld naar aanleiding van een onaangekondigde inspectie leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de verplichting dat er nog een afzonderlijk boeterapport moet worden opgemaakt. Dat, zoals eiseres heeft betoogd, in dit geval de bescherming van artikel 6 van het EVRM volledig zou wegvallen volgt de rechtbank niet. Ook indien een inspectierapport kan worden aangemerkt als een boeterapport gelden de uit dat artikel voortvloeiende verplichtingen onverkort bij een punitieve sanctie.

Nemo tenetur

11. Eiseres heeft verder betoogd dat het bewijs dat is verkregen op grond van de informatieplicht in het kader van het toezicht, niet ten grondslag mag worden gelegd aan het boetebesluit. Er is immers bij de bewijsvergaring noch bij de opstelling van het inspectierapport rekening gehouden met de uit artikel 6, eerste en derde lid, van het EVRM voortvloeiende waarborgen. Met het oog op een op te leggen sanctie is eiseres op geen enkele wijze gehouden om mee te werken aan het tegen haar gerichte onderzoek. Eiseres stelt onder verwijzing naar een aantal arresten van het EHRM dat zij zichzelf niet hoeft te incrimineren, ook wel aangeduid als het nemo tenetur-beginsel.

12. De rechtbank stelt voorop dat eiseres verplicht is ingevolge artikel 5:16 van de Awb, in samenhang met artikel 5:20 van de Awb, op verzoek van een toezichthouder alle inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wkkp gestelde regels.

Uit de gedingstukken blijkt dat de GGD op 18 februari 2014 een inspectiebezoek heeft verricht, dat heeft geleid tot het inspectierapport van de GGD van 8 april 2014.

De inspectie van de GGD had ten doel vast te stellen of eiseres aan de bij of krachtens de Wkkp gestelde regels voldeed, teneinde verweerder vervolgens in staat te stellen te beoordelen of zij – op enige wijze – diende op te treden. Het onderzoek verkeerde derhalve op het moment van de inspectie in de toezichtsfase en van een (concreet) voornemen om een bestraffende sanctie op te leggen, ofwel een ‘criminal charge’, was geen sprake. Nu vaststaat dat van een ‘criminal charge’ geen sprake was, kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen succesvol beroep doen op het, mede in artikel 6 van het EVRM besloten liggende, nemo tenetur-beginsel. Voor deze opvatting is steun te vinden in de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 14 april 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:114). Het betoog faalt.

Cautie en bronvermelding

13. Eiseres stelt voorts dat er gebruik is gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijs. Verweerder heeft verzuimd om eiseres te wijzen op de cautie. Voor het overige is het inspectierapport onvoldoende helder over de bron van wetenschap.

14. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:10a van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 98) geldt de plicht om de cautie te geven indien sprake is van een mondelinge ondervraging met het oog op het opleggen van een bestraffende sanctie.

15. De rechtbank constateert dat in het inspectierapport op bladzijde 5 de bronnen staan die de toezichthouder heeft geraadpleegd. Nu de toezichthouder in het inspectierapport een gedetailleerd overzicht heeft gegeven van de geraadpleegde bronnen volgt de rechtbank het standpunt van eiseres dat het rapport onvoldoende helder is over de bron van wetenschap niet. Voorts merkt de rechtbank nog op dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, de inspectie is verricht in het kader van het toezicht. In deze fase was artikel 5:10 van de Awb derhalve nog niet van toepassing. Van onrechtmatig verkregen bewijs is derhalve geen sprake.

Unus testisregel

16. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat uit niets blijkt dat de overtreding door ten minste twee getuigen is vastgesteld, zodat de unus testisregel aan de oplegging van de bestuurlijke boete in de weg staat. De GGD-inspecteur is geen op ambtseed of –belofte verbaliserend opsporingsambtenaar, zodat een inspectierapport van de GGD in punitief opzicht niet meer behelst dan een verslaglegging van vermeende constateringen van een getuige. Het rapport van de inspecteur moet worden aangemerkt als één getuigenis.

17. De rechtbank stelt voorop dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, het inspectierapport van 8 april 2014 heeft te gelden als een boeterapport als bedoeld in artikel 5:48 van de Awb, en dat een boeterapport in beginsel een toereikende grondslag vormt om een bestuurlijke boete op te baseren. De rechtbank stelt verder vast dat het inspectierapport van de GGD dat verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit, geen op ambtseed of ambtsbelofte opgesteld proces-verbaal is. Het is weliswaar opgesteld door (een of meer) ambtenaren, maar het rapport is niet op ambtseed of ambtsbelofte ondertekend. Dit wil echter niet zeggen dat niet kan of mag worden uitgegaan van de in het rapport opgenomen bevindingen. In artikel 1.61, eerste lid, van de Wko is de GGD aangewezen als toezichthouder op de naleving van de kwaliteitseisen. Artikel 2.21, eerste lid, bepaalt dat de toezichthouder zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste tot en met vierde lid, vastlegt in een inspectierapport. De GGD wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. In de Wko is verder bepaald dat verweerder ingrijpt als de GGD tekortkomingen constateert. Hieruit volgt dat aan de bevindingen van een medewerker van de GGD als toezichthouder een ander gewicht toekomt dan aan een losse getuigenis en dat verweerder zich op het inspectierapport heeft mogen baseren. Het betoog faalt.

Slavenburg-criteria

18. Eiseres beroept zich voorts op de zogenoemde Slavenburg-criteria. Het enkele feit dat gedragingen naar maatschappelijke opvattingen voor risico en rekening van een werkgever komen, is onvoldoende om een ‘criminal charge’op te leggen, aldus eiseres.

19. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de Slavenburg-criteria alleen relevant zijn als wordt beoogd niet (enkel) de overtredende rechtspersoon, maar tevens haar leidinggevende te bestraffen. In dit geval is enkel aan de rechtspersoon een bestuurlijke boete opgelegd, zodat de criteria niet van toepassing zijn.

20. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad zich in zijn arrest van 16 december 1986, nr. 1894, Slavenburg II (NJ 1987, 321) heeft uitgelaten over de vraag of sprake was van feitelijk leiding geven aan een verboden gedraging in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. De door eiseres bedoelde Slavenburg-criteria zien derhalve op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van feitelijk leidinggevenden. Uit de Wkkp volgt dat de houder van het kindercentrum verplicht is om de daarin gestelde voorschriften na te leven. Nu eiseres houder is van het kindercentrum is eiseres reeds hierom overtreder. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Slavenburg-criteria niet op onderhavige zaak van toepassing zijn.

Bovenwettelijke vereiste

21. Eiseres heeft aangevoerd dat er geen sprake is van overtreding van artikel 1.50, derde lid, van de Wkkp, omdat de wettekst zich in het geheel niet uitlaat over de geldigheid van een VOG en de ‘verplichte’ te toetsen functieaspecten. Er is ten onrechte gesteld dat een VOG geldig moet zijn.

22. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 1.50 van de Wkkp niet alleen volgt dat de houder en personen werkzaam bij de onderneming in het bezit moeten zijn van een VOG, maar ook dat die VOG geldig en passend moet zijn. Anders zou het vereiste van een VOG, dat tot doel heeft om aan te tonen dat een persoon geen strafbare feiten op zijn naam heeft staan die een belemmering vormen bij het werken in de kinderopvang, inhoudelijk geen enkele betekenis hebben. Het betoog van eiseres faalt derhalve.

Onduidelijkheid rapport

23. Eiseres voert aan dat het rapport onduidelijk is. Er wordt niet concreet, eenduidig en duidelijk aangegeven waaruit de vermeende overtreding zou bestaan.

24. De rechtbank constateert dat het voor eiseres ten tijde van de zienswijze naar aanleiding van het concept-inspectierapport reeds duidelijk was dat de VOG van de klusjesman niet juist was. De rechtbank volgt het betoog van eiseres dan ook niet.

Geen VOG vereist voor klusjesman

25. Volgens eiseres had voor de klusjesman geen VOG hoeven worden aangevraagd, omdat niet is aangetoond dat er sprake zou zijn geweest van een frequente inzet van de ingehuurde klusjesman tijdens opvanguren. Eiseres verwijst in dit verband naar de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wet Basisvoorziening kinderopvang (Kamerstukken II, 2001-2002, 28447 nr. 3, p.81.) en de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 augustus 2012 (ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7335).

26. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de VOG is aangevraagd voor een ‘allround klusser’ bij [naam] bij Uitzendbureau 65Plus en dat daaruit ten eerste de intentie blijkt de klusjesman met enige regelmaat voor eiseres werkzaam te laten zijn en ten tweede dat eiseres en het uitzendbureau een VOG zelf ook nodig achtten. Een vaste klusjesman is met enige regelmaat voor eiseres aan het werk of zou dat in ieder geval kunnen zijn. Een klusjesman werkt in zijn algemeenheid tijdens kantooruren, net zoals dat de kinderopvang tijdens kantooruren plaatsvindt. Vaststaat ook dat de klusjesman daadwerkelijk tijdens opvanguren in het kindercentrum heeft gewerkt.

27. Gelet op de memorie van toelichting van Wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk (Kamerstukken II, 2014-2015, 34195, nr. 3) overweegt de rechtbank dat de VOG-plicht geldt voor de houder en voor alle personen werkzaam bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal exploiteert. Deze VOG-plicht geldt ook voor kantoorpersoneel dat niet direct in contact komt met de kinderen, maar wel, vanuit de functie, toegang heeft tot de gegevens van de kinderen (waaronder beeldmateriaal). Deze personen zouden namelijk misbruik kunnen maken van deze gegevens en daarmee een bedreiging kunnen vormen voor de veiligheid van de opgevangen kinderen. Tot slot geldt de VOG-plicht tevens voor personen die woonachtig of structureel (met regelmaat) tijdens opvanguren aanwezig zijn op het woonadres waar een kindercentrum of peuterspeelzaal is gevestigd (een klein kindercentrum aan huis) of op het woonadres van de gastouder, zijnde de opvanglocatie. Daarbij is als voorbeeld genoemd personen die op basis van een andere overeenkomst structureel werkzaam zijn op de opvanglocatie, zoals een tuinman of schoonmaker die gedurende opvanguren structureel (of met regelmaat) werkzaamheden verricht op de opvanglocatie. Het gaat niet om personen die (incidenteel) werkzaam zijn voor een kindercentrum, zoals bijvoorbeeld de loodgieter.

28. De rechtbank stelt op grond van de processtukken vast dat de klusjesman via een uitzendbureau door eiseres werd ingehuurd en tijdens opvanguren op de locatie aanwezig is geweest. Er is een VOG voor de klusjesman aangevraagd met als doel: allround klusser bij [eiseres] bij uitzendbureau 65Plus. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de omstandigheid dat eiseres het nodig heeft geacht dat de klusjesman over een VOG beschikt, de intentie van eiseres om de klusjesman met enige regelmaat in te zetten. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat voor de klusjesman in dit geval een VOG was vereist. Niet van belang is hoe vaak de klusjesman uiteindelijk feitelijk werkzaam is geweest voor eiseres, nu een VOG reeds vóór aanvang van de werkzaamheden moet worden overgelegd, zodat de bedoeling van partijen (mede) bepalend is voor de vraag of een VOG in een specifiek geval vereist is. Het betoog van eiseres faalt.

Hoogte boete

29. De rechtbank overweegt dat het bij het opleggen van een boete wegens overtreding van voorschriften van de Wkkp gaat om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Het bestuursorgaan moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Verweerder kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient verweerder bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

30. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van verweerder met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

31. Uit het Handhavingsbeleid Kinderopvang & Peuterspeelzaalwerk Gemeente Buren 2012 (hierna: Handhavingsbeleid) volgt dat verweerder een hoge prioriteit heeft toegekend aan handhaving van de voorschriften inzake de benodigde VOG en dat het bij overtreding van deze voorschriften een boete oplegt van € 3.000. Voorts volgt uit het Handhavingsbeleid dat verweerder geen boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Voorts stemt verweerder de boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Verweerder houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Tevens zijn in het Handhavingsbeleid boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden opgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze beleidsregels in overeenstemming met de aan het beleid te stellen eisen als hiervoor onder 29 bedoeld en als zodanig niet onredelijk. Gelet op de boete van ten hoogste € 45.000 die het college ingevolge artikel 1.72, eerste lid, van de Wkkp mocht opleggen, acht de rechtbank de in het Handhavingsbeleid neergelegde boete van € 3.000 niet disproportioneel.

32. Eiseres heeft betoogd dat er geen of verminderd sprake is van verwijtbaarheid, omdat het niet duidelijk is wanneer een VOG voldoet of niet en de overheid verantwoordelijk is voor het afgeven van de juiste VOG. Het verantwoordelijke bestuursorgaan had bij het indienen van de aanvraag moeten zien dat de aanvraag onjuist was en had deze moeten (laten) herstellen of ambtshalve moeten aanpassen. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de omstandigheid dat er in het recente verleden bij meerdere locaties handhavingstrajecten liepen ten onrechte is aangemerkt als een boete verzwarende omstandigheid. Er is geen sprake van recidive.

33. De rechtbank overweegt dat het de verantwoordelijkheid is van de organisatie die een VOG aanvraagt om op het aanvraagformulier het juiste specifieke screeningsprofiel of de juiste functieaspecten binnen het algemeen screeningsprofiel aan te geven. Eiseres had bij het overleggen van de afgegeven VOG door de klusjesman moeten controleren of de VOG was afgegeven op grond van het juiste specifieke screeningsprofiel of de juiste functieaspecten binnen het algemeen screeningsprofiel. Indien het voor eiseres niet duidelijk was wat het juiste specifieke screeningsprofiel was of wat de juiste functieaspecten binnen het algemeen screeningsprofiel waren, had het op de weg van eiseres gelegen om hierover nadere informatie in te winnen bij het bevoegde bestuursorgaan. Niet gebleken is dat eiseres dit heeft gedaan. Nu eiseres bij de controle van de VOG niet heeft onderkend dat de VOG van de klusjesman niet op basis van het juiste specifieke screeningsprofiel of de juiste functieaspecten binnen het algemeen screeningsprofiel is aangevraagd en afgegeven, kan niet geoordeeld worden dat de overtreding eiseres niet of verminderd verweten kan worden.

34. Anders dan eiseres stelt is er geen sprake van een boeteverzwarende omstandigheid. Er is immers geen hogere boete opgelegd dan is neergelegd in het Handhavingsbeleid. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er geen reden is voor matiging van de boete omdat in het verleden bij meerdere locaties al meerdere handhavingstrajecten liepen. Nu eiseres voor het overige geen omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in het Handhavingsbeleid op grond waarvan het college de boete had moeten matigen, is de door verweerder opgelegde boete van € 3.000 passend.

35. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Linde, voorzitter, mr. G.W.B. Heijmans en mr. L.M. Koenraad, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.