Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3825

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
05/987056-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deels voorwaardelijke werkstraf voor veroorzaken van dierenleed

De rechtbank Gelderland heeft een 39-jarige man uit Arnhem voor het meermalen overtreden van de Wet dieren veroordeeld tot een werkstraf van 160 uren, waarvan de helft voorwaardelijk.

Te veel hooi op de vork genomen

De Arnhemmer hield op een enorm stuk weiland een grote groep paarden. Hij was met twee paarden begonnen en had hij er op een gegeven moment 65. Door de sterke aanwas van de kudde kon hij de vereiste verzorging van alle paarden niet meer aan. Hierdoor heeft hij heeft een groot deel van zijn paarden in de gezondheid dan wel het welzijn benadeeld en ook heeft hij bij een paar paarden pijn veroorzaakt. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk.

Werkstraf

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het nadeel van de man betrokken dat hij al eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. In diens voordeel is betrokken dat sprake is van een oud feit en dat de media-aandacht voor het strafrechtelijk onderzoek al de nodige problemen in zijn privésfeer heeft meegebracht.

De officier van justitie had een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand geëist. Dat vond de rechtbank niet passend. Ook vond de rechtbank een iets lagere taakstraf, dan was geëist, in dit geval gerechtvaardigd.

Deels niet-ontvankelijk

Een deel van de tenlastelegging zag op een periode waarvoor de Arnhemmer al eerder een boete had gekregen. De wet verbiedt dat je twee keer voor hetzelfde feit wordt vervolgd. Voor wat betreft deze periode is het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/987056-16

Datum uitspraak : 20 juli 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het functioneel parket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] oktober 1977 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres verdachte] .

Raadsman: mr. O.J. Ingwersen, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 1 februari 2014 tot en met 31 augustus 2015 te Huissen, in de gemeente Lingewaard, althans (elders) in Nederland, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een of meer pony's/veulens en/of paarden, pijn of letsel heeft veroorzaakt danwel de gezondheid of het welzijn van die pony's en/of veulens en/of paarden heeft benadeeld, immers heeft hij, verdachte, aan of nabij de [adres slachtoffer] te Huissen, in de gemeente Lingewaard, althans (elders) in Nederland, onder meer

- aan meerdere, althans een, (hoogdrachtige) pony('s) en/of veulen(s) en/of paard(en) geen, althans onvoldoende (diergeneeskundige) verzorging verstrekt en/of laten verstrekken,

- aan ongeveer 65, althans meerdere, pony's en/of veulens en/of paarden onvoldoende (kuil)hooi en/of (ander) voer en/of water verstrekt en/of laten verstrekken,

- onvoldoende zorg gedragen voor een goede omheining van het weiland waarin de pony's, veulens en paarden zich bevonden (en waardoor deze dieren telkens konden ontsnappen),

- onvoldoende zorg gedragen voor de veiligheid van de pony's, veulens en paarden in dat weiland door het niet (tijdig) verwijderen van onder meer lege plastic verpakkingen (kuil)hooi, en/of losse stukken prikkeldraad, en/of touw, en/of piepschuim, en/of jerrycans, en/of hekwerk, - bij hoog water onvoldoende zorg gedragen voor een veilig en droog onderkomen

voor meerdere pony's en/of veulens en/of paarden,

- geen, althans onvoldoende zorg gedragen voor het (tijdig) bekappen van de hoeven meerdere pony's/veulens en/of paarden,

- meerdere, althans een dode pony('s) en/of veulen(s) (enige tijd) in het weiland laten liggen.

1a. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gesteld dat de tenlastegelegde periode dient te worden ingekort van 10 februari 2014 tot en met 31 augustus 2015 naar 20 maart 2015 tot en met 31 augustus 2015. De officier van justitie heeft hieraan ten grondslag gelegd dat bij een controle van de politie op het terrein van verdachte aan [adres slachtoffer] te Huissen in februari 2014 diverse overtredingen zijn geconstateerd en dat verdachte hiervoor al een strafbeschikking heeft opgelegd gekregen. De verdediging heeft hierover geen specifiek standpunt ingenomen.

Het dossier van verdachte bevat een proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2014 (pagina 15 t/m 35, inclusief foto’s), waarin staat dat er op 10 februari 2014 tot en met 17 februari 2014 bij de pony’s van verdachte op het weiland aan [adres slachtoffer] te Huissen controles zijn uitgevoerd. Op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister staat dat verdachte op 26 mei 2014 een strafbeschikking heeft gekregen voor het overtreden van artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren op 10 februari 2014 te Huissen. Het daarbij behorende proces-verbaal omvat het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen. De strafbeschikking is op 4 juli 2014 onherroepelijk geworden. Uit de opmerking van de officier van justitie maakt de rechtbank op dat verdachte inmiddels aan deze strafbeschikking heeft voldaan.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte voor de feiten die zijn geconstateerd op 10 februari 2014 tot en met 17 februari 2014 reeds vervolgd is en dat het recht tot strafvervolging door de voldoening aan de strafbeschikking is vervallen. Van een eerdere vervolging voor de periode van 18 februari 2014 tot en met 19 maart 2015 is niet gebleken. Voor wat betreft de periode van 10 februari 2014 tot en met 17 februari 2014 kan het openbaar ministerie niet in zijn strafvervolging kan worden ontvangen. De rechtbank zal het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

1b. Gedeeltelijke vrijspraak

Als voorschot op de bewezenverklaring en ter voorkoming van een eventueel misverstand merkt de rechtbank op dat het dossier geen bewijs bevat voor misstanden in de periode van 18 februari 2014 tot en met 19 maart 2015, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Inleiding

In artikel 1.3 van de Wet dieren heeft de wetgever vastgelegd dat de intrinsieke waarde van het dier wordt erkend en dat hieronder wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven wordt in elk geval gerekend dat dieren zijn gevrijwaard van:

a. dorst, honger en onjuiste voeding;

b. fysiek en fysiologisch ongerief;

c. pijn, verwonding en ziektes;

d. angst en chronische stress;

e. beperking van hun natuurlijk gedrag;

voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd.

In artikel 2.1 van de Wet dieren wordt onder andere verboden het welzijn van een dier te benadelen.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte hield in de periode van 20 maart 2015 tot en met 31 augustus 2015 een groot aantal paarden/pony’s/veulens op een weiland aan [adres slachtoffer] te Huissen.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit, behoudens:

- de woorden ‘65’ en ‘water’ bij het 2e gedachtestreepje;

- het 3e gedachtestreepje;

- de woorden ‘touw’ en ‘jerrycans’ bij het 4e gedachtestreepje;

- het 5e gedachtestreepje;

- de periode van vóór 20 maart 2015.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat van de tenlastegelegde misstanden geen sprake is. Verdachte heeft zijn paarden van voldoende verzorging voorzien. Er was geen sprake van kale plekken bij de paarden. Dat leek enkel zo, omdat de paarden zijn gecontroleerd op het moment dat zij de wintervacht loslieten. Verder was uitsluitend sprake van alledaagse lichamelijke ongemakken, zoals diarree of een oogontsteking, die met een simpele ingreep konden worden opgelost. De gezondheid van de paarden was hierdoor niet in het geding. Voorts is het onjuist dat verdachte zijn paarden onvoldoende voer heeft verstrekt, nu hij wekelijks twee hooibalen van 600 kilogram bijvoerde. Daarbij is het in de zomer niet nodig om bij te voeren, omdat er dan voldoende ander voer (gras) op het enorme weiland te vinden is. Het weiland lag in de uiterwaarden van de Nederrijn en was ongeveer drie kilometer lang. Dagelijks spoelde er afval, waaronder piepschuim, uit de rivier op het weiland aan. Het was daarom onmogelijk om het weiland schoon te houden. Verder eten paarden geen plastic, zodat het niet tijdig verwijderen van het plastic in het weiland het welzijn van de dieren niet in het gedrang kan brengen. Verder is er geen sprake van dat verdachte de hoeven van zijn paarden niet tijdig heeft bekapt. Ook valt hem niet te verwijten dat er enige tijd een dode pony in het weiland heeft gelegen. Het was immers [adres slachtoffer] die niet eerder kon komen om het kadaver op te halen. Door de hoge begroeiing is het wel mogelijk dat verdachte het op 20 maart 2015 aangetroffen dode veulen niet eerder in de wei heeft zien liggen. Ter onderbouwing van het standpunt ten aanzien van de wijze waarop verdachte met zijn paarden is omgegaan, heeft de verdediging bij brief van 3 juli 2017 een tiental producties overgelegd. Tot slot is aangevoerd dat, als er al sprake zou zijn van een van de tenlastegelegde misstanden, het daarop gerichte opzet, wat gelet op de bewoordingen van artikel 2.1, eerste lid van de Wet dieren nodig is voor een bewezenverklaring, ontbreekt.

Beoordeling door de rechtbank

Processen-verbaal van bevindingen van controles ter plaatse

Op 20 maart 2015 is een controle uitgevoerd bij de kudde paarden van verdachte in Huissen. In de wei lag veel plastic, afkomstig van de hooibalen. Er lag een dood veulen, dat de ogen miste. Er liep een zeer kreupele pony, waarvan de achterkant nat was door een onbekende afscheiding. Ook liep er een zwarte, drachtige merrie die echt mager was. De ruggengraat en schoft van deze merrie konden worden vastgepakt, de ribben waren zeer goed zichtbaar en de heupbeenderen staken uit. Verder stond er een voskleurige, hoogdrachtige merrie, die erg aan de diarree was en waarvan de gehele achterhand onder de ontlasting zat, en er liep ook nog een kleine bruine mini pony van ongeveer één jaar oud met erg vieze, mogelijk ontstoken, ogen.3

Op 1 mei 2015 is een nacontrole gehouden. De pony met de scheve heup liep nog steeds moeilijk. De magere zwarte pony was nu kaal aan het worden. De vacht liet met plukken los en de huid was erg schilferig. Deze pony was nog steeds te mager. Verder was er nog een zwarte jaarling die meerdere kale plekken op zijn lijf had. Deze pony was ook mager. De ruggengraat, ribben en heupbeenderen waren duidelijk zichtbaar. Omdat deze pony nog een gedeelte in de wintervacht zat, waren de ribben nog niet zichtbaar. Waar geen wintervacht zat, was de pony kaal. Daarnaast lagen in de wei stukken groenkleurig plastic zeil, afkomstig van de hooibalen, en lag achter in de wei nog steeds de omgevallen omheining met prikkeldraad.4

Op 28 april 2015 is een algemene controle uitgevoerd in het weiland in gebruik bij verdachte. Er stonden drie pony’s met grote geheel kale plekken op het lichaam. Ook zag de huid er schilferig uit. Deze dieren moesten door een dierenarts gezien worden. Een zwarte oudere pony, hoog dragend, was erg mager. De ruggengraat en heupbeenderen staken uit.5

Op 18 mei 2015 is – na een melding van een dood paard – in het weiland in gebruik bij verdachte een dode, schimmelkleurige (witte) pony aangetroffen. Een dierenarts stelde vast dat de pony is overleden als gevolg van een moeilijke bevalling waarbij het veulen niet geboren kon worden. De pony lag er zeker al langer dan één dag, gezien het ontbrekende oog en de maden in de mond. Verder lag er geen hooibaal meer in het weiland en stond er zeer weinig gras op de wei – te weinig voor ongeveer 50 pony’s – en stond er een zwarte, zeer magere pony met kale plekken over zijn hele lijf. Ook werd gezien dat er omheining helemaal slap hing en duidelijk scherpe en uitstekende delen had. Tot slot werd geconstateerd dat een Friese merrie sinds 1 mei 2015 zichtbaar magerder was geworden, aangezien de ribben en heupbeenderen nu zichtbaar waren.6

Op 17 augustus 2015 lag bij de voederplaatsen plastic, afkomstig van de hooibalen.7 Op 29 augustus 2015 hadden drie pony’s van verdachte mogelijk ontstoken ogen, hadden een grote merrie en een witte pony behoorlijke barsten in de hoeven en had één pony te lange hoeven.8

[getuige] (melder van de dode pony)

Op 15 mei 2015 zag [getuige] in het weiland een dood wit paard liggen. Hij zag dat het paard een oog miste. Hij heeft hiervan op diezelfde dag een melding gedaan, en ook nog eens op 18 mei 2015 toen het paard er nog steeds lag.9

De rechtbank stelt vast dat de melding van [getuige] ziet op de dode pony van verdachte die op 18 mei 2015 in het weiland is aangetroffen.

Verklaringen van dierenartsen

Dierenarts [naam 1] heeft (voornoemde) dode pony geïnspecteerd op 18 mei 2015. Volgens hem was de pony toen al 3 tot 6 dagen dood. Gezien het tijdstip van overlijden was de eigenaar te/zeer laat het dier komen inspecteren. Het dier heeft naar alle waarschijnlijkheid angst en stress ondervonden. Dit had volgens hem ten dele voorkomen kunnen worden. De arts heeft verder geconcludeerd dat de pony in het welzijn is benadeeld, wat door adequaat en tijdig ingrijpen voorkomen had kunnen worden. Over de overige dieren in het weiland merkte hij nog op dat deze een onvoldoende BCS (rechtbank: Body Condition Score) hadden. De dieren waren erg mager, moesten worden bijgevoerd en ontwormd en er diende eventueel klinische controle te volgen.10

Op 20 mei 2015 heeft dierenarts [naam 2] een controle uitgevoerd bij de paarden van verdachte in het weiland in Huissen. Zij constateerde dat er op één plaats een baal hooi lag waar een beperkt aantal dieren van konden eten, dat de bodembegroeiing van het terrein voornamelijk uit zuring bestond, gegroeid tot lieshoogte, en dat de tussengelegen grasplaten volledig waren afgegraasd. Verder lag er een dode merrie aan de kant. Van de 45-50 aanwezige dieren werden 16 paarden (waarvan met twee veulens) weggevoerd van het terrein in verband met zeer ernstige vermagering, zeer slechte voedingstoestand en/of dermate ernstige problemen met hoeven/ogen/huid dat volgens haar sprake was van sterk gecompromitteerd welzijn met de noodzaak tot directe verbetering van de verzorging dan wel veterinair ingrijpen. Eén dier was duidelijk kreupel in draf aan het linker achterbeen en moest geëuthanaseerd worden. Van de overgebleven dieren was een aantal te mager. Een groot aantal dieren had onvoldoende hoefverzorging (bekapping) ontvangen. Enkele dieren waren sterk besmet met huidparasieten (luizen) of hadden andere huidproblemen. De vachtverzorging was onder de maat. Enkele dieren hadden littekens van voorheen verwaarloosde oogproblemen. Meerdere dieren hadden onvoldoende voeding ontvangen.

De dierenarts heeft geconcludeerd dat er op het terrein wisselend zorg is onthouden. Zowel in de vorm van dagelijkse en/of medische verzorging als goede houderij (voeding/bestrijding parasieten), en dat zowel gezondheid als welzijn van de dieren is aangetast. Dit moet volgens haar minstens vier weken hebben geduurd.11

Conclusie rechtbank

Deels vrijspraak

Zoals al is overwogen bevat het dossier over de periode van 18 februari 2014 tot en met 19 maart 2015 geen bewijs van misstanden in het weiland in Huissen. Ook anderszins is daarvan niet gebleken in die periode, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Verder is de rechtbank, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de paarden beschikten over voldoende water, nu zij dat uit de rivier konden drinken. Ook bevat het dossier onvoldoende bewijs dat verdachte onvoldoende zorg zou hebben gedragen voor een goede omheining van het weiland alsmede een veilig en droog onderkomen voor de paarden bij hoog water. Daarnaast kan niet worden bewezen dat verdachte touw en jerrycans niet tijdig uit het weiland zou hebben verwijderd. Van deze onderdelen zal verdachte daarom eveneens worden vrijgesproken.

Ook zal verdachte worden vrijgesproken van het onderdeel dat hij de gezondheid dan wel het welzijn van de paarden heeft benadeeld doordat hij enige tijd een dode pony en een dood veulen in het weiland heeft laten liggen. Immers, hoewel het handelen van verdachte wellicht nalatig kan worden genoemd, kan niet worden bewezen dat de kadavers in een zodanige staat verkeerden dat de andere dieren in het weiland hierdoor een gezondheidsrisico liepen, zodat evenmin kan worden bewezen dat die dieren hierdoor in de gezondheid dan wel het welzijn daadwerkelijk zijn benadeeld.

Tot slot bevat het dossier onvoldoende bewijs dat verdachte bij zijn paarden letsel heeft veroorzaakt, zodat hij ook daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank stelt vast dat in de periode van 20 maart 2015 tot en met 31 augustus 2015 ten aanzien van de paarden (met inbegrip van pony’s en veulens) van verdachte verschillende misstanden hebben plaatsgevonden. Zo volgt uit de diergeneeskundige verklaringen dat hij zijn paarden onvoldoende van de benodigde (diergeneeskundige) verzorging en voeding heeft voorzien en dat hij een aantal paarden niet tijdig heeft bekapt. Er was een zelfs een paard dat kreupel liep en geëuthanaseerd moest worden. Ook is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet zorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van de drachtige merrie.

Een groot aantal van zijn paarden was ondervoed. Dat had er mee te maken dat het weiland, zoals in mei 2015 werd geconstateerd, veel zuring en weinig gras bevatte en verdachte onvoldoende hooi bijvoerde. Nadat verdachte op het gebrek aan voeding was gewezen en hij hooibalen bijvoerde, heeft hij er onvoldoende op gelet dat alle paarden voldoende daarvan konden eten. Zoals verdachte zelf heeft verklaard hielden de grotere paarden de kleinere paarden weg bij het eten, waardoor de kleinere paarden vermagerden. Volgens de rechtbank komt dit voor rekening van verdachte. Hij had er op moeten toezien dat alle paarden voldoende te eten kregen, te meer nu hij er op dat moment reeds op was gewezen dat zijn paarden bijgevoerd dienden te worden omdat zij te mager waren.

Daarnaast lagen er in het weiland waar de paarden van verdachte stonden vaak plastic verpakkingen van hooibalen en stukken piepschuim. Het mogelijk per ongeluk eten daarvan of bewust eten daarvan bij ontbreken van andere geschikte voeding kan de veiligheid van de dieren in gevaar brengen. Plastic wordt immers niet verteerd. Dat het volgens verdachte onmogelijk was om het terrein schoon te houden van het piepschuim, omdat dit elke dag vanuit het naastliggende bedrijf kwam aangespoeld, maakt dat niet anders. Het is verdachte die ervoor gekozen heeft de paarden op dit (enorme) stuk weiland in de uiterwaarden van de rivier te houden. Ook heeft verdachte onvoldoende zorg gedragen voor de veiligheid van de paarden, doordat een stuk omheining met prikkeldraad helemaal slap hing en duidelijk scherpe en uitstekende delen had. De paarden zouden zich daar gemakkelijk aan kunnen bezeren.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich hierdoor schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van pijn bij een paar paarden en het benadelen van de gezondheid en/of het welzijn bij een groot aantal paarden (wederom met inbegrip van pony’s en veulens). Dit zonder redelijk doel of met overschrijding van wat ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was.

Opzet

Anders dan de verdediging heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat uit de bewoordingen van artikel 2.1 van de Wet dieren niet kan worden afgeleid dat opzet is vereist voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 20 maart 2015 tot en met 31 augustus 2015 te Huissen, in de gemeente Lingewaard, althans (elders) in Nederland, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een of meer pony's/veulens en/of paarden, pijn of letsel heeft veroorzaakt dan wel de gezondheid of het welzijn van die pony's en/of veulens en/of paarden heeft benadeeld, immers heeft hij, verdachte, aan of nabij [adres slachtoffer] te Huissen, in de gemeente Lingewaard, althans (elders) in Nederland, onder meer

- aan meerdere, althans een, (hoogdrachtige) pony('s) en/of veulen(s) en/of paard(en) geen, althans onvoldoende (diergeneeskundige) verzorging verstrekt en/of laten verstrekken,

- aan ongeveer 65, althans meerdere, pony's en/of veulens en/of paarden onvoldoende (kuil)hooi en/of (ander) voer en/of water verstrekt en/of laten verstrekken,

- onvoldoende zorg gedragen voor een goede omheining van het weiland waarin de pony's, veulens en paarden zich bevonden (en waardoor deze dieren telkens konden ontsnappen),

- onvoldoende zorg gedragen voor de veiligheid van de pony's, veulens en paarden in dat weiland door het niet (tijdig) verwijderen van onder meer lege plastic verpakkingen van (kuil)hooi, en/of losse stukken prikkeldraad, en/of touw, en/of piepschuim, en/of jerrycans, en/of hekwerk, - bij hoog water onvoldoende zorg gedragen voor een veilig en droog onderkomen

voor meerdere pony's en/of veulens en/of paarden,

- geen, althans onvoldoende zorg gedragen voor het (tijdig) bekappen van de hoeven meerdere pony's/veulens en/of paarden,.

- meerdere, althans een dode pony('s) en/of veulen(s) (enige tijd) in het weiland laten liggen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van drie jaren, en tot het verrichten van een werkstraf van 180 uren, bij niet uitvoeren daarvan te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is al via de bestuurlijke weg aangepakt en moet een bestuurlijke boete te betalen. Verder heeft de zaak al veel negatieve publiciteit meegebracht, wat de nodige gevolgen voor verdachte heeft gehad. Zo heeft hij meerdere bedreigingen ontvangen, is hij meer dan tien kilo afgevallen en heeft zijn klussenbedrijf minder opdrachten gekregen. Ook is hij al het overgrote deel van zijn paarden kwijtgeraakt. Daarnaast heeft de verdediging er op gewezen dat de bewezenverklaring ziet op een kortere periode en minder gedachtestreepjes dan dat is tenlastegelegd. De eis is niet passend. Een werkstraf van kortere duur dan is geëist zou voldoende zijn. Tot slot is een stok achter de deur niet meer nodig, nu verdachte geen kudde meer heeft.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook heeft de rechtbank gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 13 januari 2017.

De rechtbank overweegt dat het lastig, zo niet onmogelijk, is om als hobbyist vrijwel alleen een grote groep paarden te houden op een weiland van meerde

re kilometers breed, waarbij dagelijks de veiligheid van ieder dier dient te worden geborgd en ook de nodige verzorging en voeding dienen te worden verstrekt. Verdachte is er niet in geslaagd de redelijkerwijs te verwachten zorg voor zijn paarden te borgen. Hij is daarin tekort geschoten door na te laten een groot aantal paarden van voldoende voeding en (diergeneeskundige) verzorging te voorzien, door afval van het weiland niet tijdig te verwijderen, waardoor de veiligheid van de paarden in het gedrang kwam en door de hoeven van een aantal van zijn paarden niet tijdig te bekappen. Ook heeft verdachte onvoldoende zorg gedragen voor een drachtige merrie.

De rechtbank is ervan overtuigd dat verdachte goede bedoelingen heeft gehad en dat er geen sprake was van boos opzet. Door de sterke aanwas van de kudde kon verdachte de vereiste verzorging niet meer aan. Zoals hij zelf verklaarde, is hij begonnen met twee paarden en had hij er op een gegeven moment 65. Toch heeft hij nagelaten voldoende hulp te zoeken. Hierdoor heeft hij heeft een groot deel van zijn paarden in de gezondheid dan wel het welzijn benadeeld en ook heeft hij bij een paar paarden pijn veroorzaakt. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het nadeel van verdachte betrokken dat hij, zoals blijkt uit zijn strafblad, al eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. In diens voordeel is betrokken dat sprake is van een oud feit en dat de media-aandacht voor het strafrechtelijk onderzoek al de nodige problemen in zijn privésfeer heeft meegebracht.

In de omstandigheid dat verdachte nu nog steeds (van) paarden houdt en ter terechtzitting – mede gelet op zijn uitgesproken liefde voor paarden – niet is gebleken dat hij daarmee zal stoppen, vindt de rechtbank het nodig om aan verdachte als stok achter de deur een deels voorwaardelijke straf op te leggen teneinde herhaling te voorkomen.

Alles afwegende vind de rechtbank de oplegging aan verdachte van een werkstraf van 160 uren, bij het niet uitvoeren daarvan te vervangen door 80 dagen hechtenis, waarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Dit wijkt af van de eis van de officier van justitie. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf niet passend en zij heeft, mogelijk meer dan de officier van justitie, in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 68 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.1, 8.11 en 8.12 van de Wet dieren.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart de officier van justitie voor wat betreft de periode van 10 februari 2014 tot en met 17 februari 2014 niet-ontvankelijk in de strafvervolging;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

 een werkstraf gedurende 160 (honderdzestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf groot 80 (tachtig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

- dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G. Noordraven (voorzitter), J.M. Klep en E.G.J. Broekhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. de Munnik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 juli 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, Basisteam Rivierenland-West, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015240338, gesloten op 13 januari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 juli 2017.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 36 t/m 39.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 37.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 40 t/m 42.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 43 t/m 45.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 52.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 54

9 Proces-verbaal van verhoor, p. 48-49.

10 Diergeneeskundige verklaring, p. 72 t/m 77.

11 Diergeneeskundige verklaring, p. 78 en 79, en dierenartsverklaringen, p. 166 t/m 256.