Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3793

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6439
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand, in verband met vermogen in het buitenland. Tevens is er een boete opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte van de boete is verweerder uitgegaan van grove schuld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft aangetoond dat er sprake is van grove schuld. De aangevoerde omstandigheden onderscheiden zich niet in doorslaggevende mate van de situatie van ‘normale’ verwijtbaarheid. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/6439

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2017

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] ( [land] ), eiser

(gemachtigde: mr. M.R. Roethof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bijstand van eiser ingetrokken per 19 februari 2013 en beëindigd per 18 december 2015 en heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij gedurende de periodes van 6 september 2012 tot en met 7 december 2012 en 14 december 2012 tot en met 18 februari 2013 geen recht had op bijstand.

Bij besluit van 18 december 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder een bedrag van € 33.664,85 aan ten onrechte ontvangen bijstand over de periodes van 19 februari 2013 tot en met 31 augustus 2015, 6 september 2012 tot en met 7 december 2012 en 14 december 2012 tot en met 18 februari 2013 van eiser teruggevorderd. Tevens heeft verweerder de aan eiser toegekende langdurigheidstoeslag over de jaren 2013 en 2014 van eiser teruggevorderd tot en bedrag van € 720,-, alsmede een bedrag van € 650,- aan eiser op 25 september 2015 verstrekte belaste bijstand.

Bij besluit van 14 januari 2016 (het primaire besluit III) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 18.610,-.

Bij besluit van 8 juni 2016 (het primaire besluit IV) heeft verweerder het primaire besluit III herroepen en de boete verlaagd naar een bedrag van € 8.200,-.

Bij besluit van 6 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gericht tegen het primaire besluit III gegrond verklaard. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J. de Vries en L.M.P. Servais.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiser ontvangt sinds 21 mei 2012 bijstand naar de norm van een alleenstaande met een toeslag van 10%, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (Pw). Daarnaast is in 2012, 2013 en 2014 een langdurigheidstoeslag aan eiser toegekend van telkens € 360,-. Het bij verweerder bekende uitkeringsadres van eiser is [adres] in [plaats] .

1.2

Naar aanleiding van een melding van woningbouwvereniging Portaal dat eiser mogelijk al jaren op [land] zou verblijven, is de afdeling Handhaving van de gemeente Arnhem met medewerking van het Internationaal Bureau Fraude (IBF) van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een onderzoek gestart. Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in een rapportage van 29 september 2015.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat 1) eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan verweerder te melden dat hij sinds 19 februari 2013 beschikte over onroerend goed in het buitenland [land] met een waarde boven het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande en 2) eiser geen recht had op bijstand van 6 september 2012 tot en met 7 december 2012 en 14 december 2012 tot en met 18 februari 2013, omdat eiser een langer verblijf in het buitenland heeft gehad dan hem op grond van artikel 13, eerste lid aanhef en onder e, van de Pw met behoud van bijstand is toegestaan. Er is volgens verweerder geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Omdat eiser verwijtbaar heeft nagelaten om te melden dat hij over onroerend goed beschikte, heeft verweerder een boete opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte van de boete is verweerder uitgegaan van grove schuld, oftewel 75% van het benadelingsbedrag (€ 24.814,59), waarbij de opgelegde boete, gelet op het bepaalde in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, is gemaximeerd op een bedrag van € 8.200,-.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser heeft aangevoerd dat hij het onroerend goed weliswaar op zijn naam heeft gesteld op 19 februari 2013, maar dat hij niet kon beschikken over het pand, aangezien zijn moeder de feitelijk eigenaresse was. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een overeenkomst tussen hem en zijn moeder, gedateerd op 1 februari 2013, overgelegd. Ook betwist eiser de taxatiewaarde van het pand en heeft hij een nieuwe taxatie laten uitvoeren. Daarnaast heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, aangezien hij zich er niet van bewust was dat hij de wijziging van de tenaamstelling van het onroerend goed diende te melden bij verweerder en hier, gelet op zijn psychische gesteldheid, ook niet toe in staat was. Voorts betwist eiser dat hij zijn woonplaats in Nederland heeft prijsgegeven. Volgens eiser geeft de rapportage van 29 september 2015 geen volledig beeld van zijn daadwerkelijke verblijf in Nederland en wordt er in het rapport slechts gesproken over aannames. Ten aanzien van de opgelegde boete heeft eiser nog aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van grove schuld. Subsidiair heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat er van terugvordering dient te worden afgezien in verband met dringende redenen. Als het pand op [land] executoriaal zal worden verkocht om aan de terugvorderingsverplichting te kunnen voldoen zal zijn moeder dakloos worden. Ook is eiser ernstig ziek (HIV) en labiel.

Onroerend goed in het buitenland

4.1

Ter beoordeling ligt voor of verweerder terecht de bijstand van eiser per 19 februari 2013 heeft ingetrokken en per 18 december 2015 heeft beëindigd en over de periode van 19 februari 2013 tot en met 31 augustus 2015 heeft teruggevorderd.

4.2

Gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting, stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser sinds 19 februari 2013 het perceel [adres] op [land] op zijn naam heeft staan en dat eiser dit niet aan verweerder heeft gemeld.

4.3

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw - voor zover hier van belang - doet de betrokkene aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Dit betreft een objectief geformuleerde verplichting, waarbij de mate van verwijtbaarheid geen rol speelt. Beoordeeld dient enkel te worden of eiser het had moeten melden en dit heeft nagelaten (uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1679). Niet in geschil is dat eiser in de periode in geding heeft verzuimd om aan verweerder te melden dat hij sinds 19 februari 2013 voornoemd perceel op zijn naam heeft staan en dat deze gegevens relevant zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand van eiser. Hiermee staat vast dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.4

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak van 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3030) rechtvaardigt het feit dat een onroerende zaak op naam van een betrokkene staat geregistreerd in een officieel eigendomsregister de veronderstelling dat die zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.5

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de onroerende zaak geen bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij kon beschikken.

4.6

De rechtbank stelt hiertoe allereerst vast dat eiser weliswaar heeft gesteld dat zijn moeder feitelijk de eigenaresse is van het betreffende perceel, maar dat uit de kadastrale registratie niet is gebleken dat eiser in zijn beschikkingsbevoegdheid is beperkt.

4.7

In het licht hiervan overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de CRvB (uitspraak van 21 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2348), als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086) moet, mede gelet op artikel 11 van de Pw, de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat economische eigendom geen eigendom is en met dit begrip slechts wordt gedoeld op het bestaan van een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot een zaak, die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben (uitspraak van 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9687).

De overeenkomst tussen eiser en zijn moeder waarin deze verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen worden genoemd, bindt alleen deze betrokkenen. Derden zijn niet aan de overeenkomst gebonden. Dat leidt ertoe dat eiser in de te beoordelen periode over de onroerende zaak kon beschikken. Hij kon deze verkopen en leveren en over de opbrengst, na aftrek van kosten, beschikken. Een verkoop en levering van de onroerende zaak door eiser aan derden levert wellicht wanprestatie op ten aanzien van zijn moeder, maar leidt er niet toe dat eiser niet over de onroerende zaak kon beschikken of redelijkerwijs kon beschikken.

4.8

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het onroerend goed een waarde had boven het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande.

4.9

Verweerder heeft twee geveltaxaties laten uitvoeren van het betreffende perceel door [naam] , taxateur op [land] . Bij de tweede taxatie is als peildatum februari 2013 gehanteerd. Volgens deze taxatie ligt de waarde van het perceel tussen een benedengrens van NAf 250.000,- en een bovengrens van NAf 280.000,-. Dit betreft een grove indicatie van de onderhandse verkoopwaarde. [naam] heeft hierbij in aanmerking genomen dat het pand enkel vanaf de straatzijde is geïnspecteerd, het pand is verhuurd en de huurders recentelijk in het pand hebben geïnvesteerd.

4.10

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de bepaling van de waarde van het onroerend goed heeft mogen uitgaan van de door de plaatselijke makelaar getaxeerde waarde van de woning als hiervoor vermeld. De taxatie is immers uitgevoerd door een makelaar die als deskundige moet worden beschouwd voor het vaststellen van de waarde van de woning. Dat het perceel volgens het door eiser ingebrachte taxatierapport van 31 januari 2017 is getaxeerd op een bedrag van NAf 200.000,- maakt dit niet anders, nu deze taxatie in zijn geheel niet is onderbouwd. Dit geldt evenmin voor de door eiser ingebrachte voorlopige aanslag onroerend zaakbelasting (OZB) 2016, waarin de belastbare waarde van het perceel is bepaald op NAf 85.000,-. De OZB is immers bepaald op de laatste waarde in het economische verkeer, in dit geval de verkoop van het perceel van de moeder van eiser aan eiser in 2013, en niet op een taxatie.

4.11

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat eiser ten tijde van belang beschikte over vermogen in [land] , dat - ook na aftrek van de op het perceel rustende hypotheek van NAf 70.000,- - ruim meer was dan de voor eiser geldende vermogensgrens.

4.12

Nu eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en hierdoor ten onrechte tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen, was verweerder op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden om het recht op bijstand van eiser per 19 februari 2013 in te trekken en per 18 december 2015 te beëindigen en de ten onrechte verstrekte bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw terug te vorderen.

4.13

Dringende redenen om van terugvordering af te zien zijn de rechtbank niet gebleken. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak van 12 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3834) kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid of financiële consequenties van een terugvordering voor een belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De door eiser aangevoerde omstandigheden kunnen niet als zodanig worden aangemerkt.

Verblijf in het buitenland

5.1

Ingevolge artikel 13, eerste lid aanhef en onder e, van de Pw heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aangesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.

5.2

Door het IBF is onderzoek gedaan naar de reisgegevens van eiser. Op grond van deze gegevens, die door eiser niet gemotiveerd zijn betwist, kan worden vastgesteld dat eiser in de periodes van 6 september 2012 tot en met 7 december 2012 en 14 december 2012 tot en met 18 februari 2013 langer dan vier weken op Curaçao heeft verbleven en dus op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw, geen recht had op bijstand. Dringende redenen, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw, op grond waarvan eiser in de betreffende periodes toch bijstand had moeten worden verleend, zijn gesteld noch gebleken.

5.3

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft vastgesteld dat eiser gedurende de periodes van 6 september 2012 tot en met 7 december 2012 en 14 december 2012 tot en met 18 februari 2013 geen recht had op bijstand en het door eiser teveel ontvangen bedrag aan bijstand over deze periodes terecht heeft teruggevorderd.

Boete

6.1

Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw, is verweerder gehouden een bestuurlijke boete op te leggen van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

6.2

Onder 4.3 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De rechtbank is van oordeel dat deze schending van de inlichtingenverplichting eiser kan worden verweten. Eiser heeft immers nagelaten direct en uit eigen beweging aan verweerder te melden dat hij het perceel ‘ [adres] op [land] op zijn naam heeft staan. Verweerder was dan ook gehouden om aan eiser een boete op te leggen.

6.3

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:10) stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, waarbij zo nodig rekening kan worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Een beboetbare gedraging leidt bij gewone verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.

6.4

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van grove schuld. Volgens verweerder had eiser na kunnen gaan dat de aanschaf van een woning beoordeeld dient te worden. Eiser had moeten of kunnen begrijpen dat het niet doorgeven aan verweerder van de woning zou leiden tot het verstrekken van teveel bijstand.

6.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee niet heeft aangetoond dat er sprake is van grove schuld. De aangevoerde omstandigheden onderscheiden zich immers niet in doorslaggevende mate van de situatie van ‘normale’ verwijtbaarheid. De door verweerder ter zitting aangevoerde omstandigheden dat eiser ook niet heeft gemeld dat hij gedurende meerdere periodes langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven en er gedurende deze periodes met de bankpas van eiser in Nederland werd gepind, zien niet op de schending van de inlichtingenverplichting (het verzwijgen van vermogen in het buitenland) dat ten grondslag is gelegd aan de boete. Verweerder heeft dan ook niet aangetoond dat bij eiser sprake is geweest van een dermate grote, aan opzet grenzende mate van nalatigheid dat hem grove schuld kan worden verweten.

6.6

Uit het voorgaande volgt dat ter zake van de schending van de inlichtingenverplichting door eiser geen sprake is van verzwarende omstandigheden. Nu evenmin is gebleken van verminderde verwijtbaarheid, dient bij de afstemming van de boete uit te worden gegaan van ‘normale’ verwijtbaarheid.

7. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient, voor zover het de boete betreft, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.

8. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Uitgaande van een benadelingsbedrag van € 8.200,- en van normale verwijtbaarheid stelt de rechtbank de boete vast op € 5.466,67 (50/75 x € 8.200,-)). De draagkracht van eiser geeft geen aanleiding voor het opleggen van een lagere boete.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover het de boete betreft;

- herroept het primaire besluit IV van 8 juni 2016;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 5.466,67 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 46,- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W. van Osch - Leysma, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr. W.H.A.C.M. Bouwens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 19 juli 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.