Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3766

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
C/05/321529 / KG ZA 17-271
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering op grond van 843a Rv. Ex-echtelieden. De vrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt wat er nog nader te verdelen zou kunnen zijn. Het door haar gelegde bewijsbeslag wordt opgeheven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/321529 / KG ZA 17-271

Vonnis in kort geding van 11 juli 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.H.J. van Rest te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.P.A.M. van Balen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    het faxbericht met bijlage namens de vrouw van 23 juni 2017;

  • -

    vorderingen in reconventie met bijlagen van 26 juni 2017;

  • -

    de gewijzigde vorderingen in reconventie met bijlage van 26 juni 2017;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van de vrouw;

  • -

    de pleitnota van de man.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn in 2002 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden, waarbij is overeengekomen dat een gemeenschap van goederen zal bestaan, met uitzondering van bepaalde vermogensbestanddelen en bepaalde schulden.

2.2.

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de gevolgen van de echtscheiding en hebben deze vastgelegd in een in augustus 2010 ondertekend echtscheidingsconvenant.

2.3.

Bij beschikking van 7 oktober 2010 heeft de rechtbank Arnhem de echtscheiding uitgesproken en op verzoek van partijen bepaald dat de inhoud van het echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van de beschikking. In het convenant is opgenomen dat alle tot de beperkte gemeenschap van goederen behorende bezittingen aan de man zijn toebedeeld met uitzondering van twee woningen, het saldo van een bankrekening en een auto, zulks onder de verplichting voor de man alle schulden voor zijn rekening te nemen.

2.4.

De echtscheidingsbeschikking is op 10 november 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.5.

Op 4 februari 2011 is de akte van verdeling gepasseerd bij de notaris.

2.6.

Op 16 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland de vrouw verlof verleend tot het leggen van bewijsbeslag op een aantal bescheiden. Vervolgens zijn deze bescheiden in beslag genomen en conform verzoek van de vrouw in bewaring gegeven aan de heer [naam] van deurwaarderskantoor [naam deurwaarderskantoor] .

3 Het geschil

In conventie

3.1.

De vrouw vordert – samengevat – de man te veroordelen tot het geven van inzage in, dan wel afschrift van de in de dagvaarding onder nummer 19.1 tot en met 19.15 genoemde in beslag genomen bescheiden. Voorts vordert zij de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 100.000 voor elke dag of dagdeel dat hij niet aan de veroordeling voldoet met een maximum van € 10.000.000 en hem te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De man voert verweer.

In reconventie

3.3.

De man vordert – samengevat –:

  1. opheffing van de op 30 mei 2017 ten laste van hem gelegde beslagen;

  2. teruggave aan de man van de op 30 mei 2017 in beslag genomen documenten binnen 48 uur na betekening van het vonnis in dit kort geding, onder verbeurte van dwangsommen van € 100.000 voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw aan deze verplichting niet voldoet, met een maximum van € 2.000.000;

  3. primair:
    een verbod om ten laste van de man verdere beslagen te leggen in verband met de verdeling van de op 10 november 2010 ontbonden beperkte gemeenschap tussen partijen, op straffe van een dwangsom van € 2.000.000;
    subsidiair:
    een verbod om verlof tot het leggen van verdere beslagen ten laste van de man te verzoeken in verband met de verdeling van de op 10 november 2010 ontbonden beperkte gemeenschap tussen partijen, zonder bij het rekest gelijktijdig over te leggen dit vonnis in dit kort geding, op straffe van een dwangsom van € 2.000.000;

  4. vergoeding van de door de man gemaakte kosten van juridische begeleiding in verband met de op 30 mei 2017 gelegde beslagen;

  5. veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding, in conventie en reconventie.

3.4.

De vrouw voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Spoedeisend belang

4.1.

Volgens de man is er geen sprake van een spoedeisend belang. De vrouw heeft op dit punt gesteld dat zij zo snel mogelijk aan de hand van de in beslag genomen documenten wil kunnen vaststellen of zij een vordering op de man heeft. De voorzieningenrechter overweegt dat niet valt in te zien waarom de vrouw daartoe een bodemprocedure zou moeten afwachten, zeker nu de discussie over het openleggen van de diverse stukken in deze procedure in volle omvang kon worden en is gevoerd. De rechtbank zal de vorderingen van de vrouw dus inhoudelijk beoordelen.

Afgifte van/inzage in de bescheiden

4.2.

Artikel 843a Rv heeft betrekking op de situatie dat een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel bekend is, maar niet in haar bezit. In dat geval bestaat een bijzondere exhibitieplicht. Er is geen sprake van een algemeen inzagerecht. Een partij kan slechts om inzage vragen in bepaalde, met name genoemde stukken. Daarnaast stelt artikel 843a Rv als voorwaarden dat de partij die om inzage vraagt daarbij een rechtmatig belang heeft en dat het gaat om stukken met betrekking tot een rechtsverhouding waarin deze partij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

4.3.

De vrouw stelt dat er mogelijk goederen of schulden behoorden tot de huwelijksgemeenschap, maar dat deze niet in de verdeling zijn betrokken. Zij stelt dat er door de man mogelijk onvoldoende openheid is verschaft in 2008. Dit zou volgens haar betekenen dat de vermogensopstelling van 31 december 2008, waarop, aldus de vrouw, het convenant is gebaseerd, onjuist is. Voorts stelt zij dat er in de periode van 31 december 2008 tot en met de datum van de ontbinding van het huwelijk, zijnde 10 november 2010, goederen en schulden tot de gemeenschap kunnen zijn gaan behoren. Deze goederen zouden dan nog verdeeld moeten worden en, zo begrijpt de voorzieningenrechter, over deze schulden moeten partijen dan nog afspraken maken.

4.4.

De vrouw heeft in de dagvaarding niet gesteld welke mogelijke goederen of schulden dit zouden kunnen betreffen. Ter zitting heeft zij gesteld dat zij in 2010 historische recherche heeft gepleegd in het kadastraal register. Daarbij is zij op een aantal panden gestuit die niet in de vermogensopstelling stonden. Partijen hebben ter zitting verklaard dat dit de politiebureaus/sportscholen betreffen. Deze vallen volgens de man, de vrouw betwist dat (nu), niet in de beperkte gemeenschap en zijn, aldus de man bewust ter voorkoming van misverstanden, opgenomen in de akte van verdeling als zijnde privé-eigendom van de man. Voor zover de vrouw thans vraagtekens plaats bij de juistheid daarvan, merkt de rechtbank op dat inzage in de beslagen stukken voor haar standpunt niet relevant is, althans daarover is door haar niets gesteld.

4.5.

De door de voorzieningenrechter gestelde vraag of er nadien, en zo ja welk, onroerend goed in het bezit zou zijn gekomen van de man en eventueel in de gemeenschap is komen te vallen, heeft de vrouw onbeantwoord gelaten. De voorzieningenrechter overweegt dat concrete aanwijzingen op dit punt ontbreken. Het kadastraal register kan de vrouw de informatie leveren wat betreft eventuele overige door de man verkregen registergoederen. Daarvoor is geen afgifte van de gevraagde stukken nodig.

4.6.

De vrouw heeft voorts gesteld dat de man mogelijk deelnemingen heeft verkregen in ondernemingen of bijvoorbeeld een auto heeft gekocht. Daarvoor geldt in beginsel dat wanneer uit vermogen een goed of recht is verkregen, het totale vermogen niet is gegroeid. Er staat immers een uitgave tegenover. Los daarvan heeft de vrouw op geen enkele wijze concreet kunnen maken wat de man zou hebben verkregen en dus wat eventueel nog in de gemeenschap is komen te vallen.

4.7.

Gelet op het vorenstaande resteert enkel het verlangen van de vrouw om in de administratie van de man te bezien of zij op enigerlei wijze een vordering op de man heeft zonder dat zij in deze procedure aannemelijk heeft gemaakt dat een dergelijke vordering bestaat. Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan de vrouw slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen. Een beroep op artikel 3:15j Rv wordt om die reden ook verworpen, nog los van de omstandigheid dat dit artikel alleen geldt als er (nog) sprake is van een gemeenschap, hetgeen niet kan worden vastgesteld en evenmin aannemelijk is. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de vrouw daarom afwijzen.

in reconventie

Spoedeisendheid

4.8.

Nu de vorderingen van de man samenhangen met de vorderingen van de vrouw neemt de voorzieningenrechter ook in reconventie het spoedeisend belang aan.

Ten aanzien van de vorderingen

Ten aanzien van de vordering onder a), opheffing van het beslag

4.9.

Nu de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw ex artikel 843a Rv heeft afgewezen, ziet hij geen aanleiding om het beslag in stand te laten, zodat de vordering tot opheffing van de bewijsbeslagen zal worden toegewezen.

4.10.

De vrouw heeft verzocht een termijn te stellen waarin het beslag blijft liggen zodat

de vrouw een bodemprocedure aanhangig kan maken. De voorzieningenrechter is echter van

oordeel dat het belang van de vrouw bij de bescheiden in deze procedure reeds ten volle is

getoetst. De vrouw heeft ook niet gesteld wat in een bodemprocedure meer of anders zal

kunnen worden aangevoerd, onderzocht en beoordeeld dan in deze procedure reeds is

gebeurd. Nu wordt geoordeeld dat de vrouw geen, althans onvoldoende rechtmatig belang

heeft bij haar vordering, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om het

verzoek van de vrouw te honoreren.

Ten aanzien van de vordering onder b), afgifte van de beslagen bescheiden

4.11.

De onder het beslag vallende bescheiden zijn niet in bezit van de vrouw. Evenmin bevinden ze zich na opheffing van de beslagen in de invloedsfeer van de vrouw. De man kan afgifte vragen aan de deurwaarder. De vordering zal daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van de vordering onder c), verbod op verder beslag dan wel aanhechten vonnis aan nieuw rekest

4.12.

De primaire vordering tot een verbod op het leggen van verdere beslagen in

verband met de verdeling van de gemeenschap die tussen partijen heeft bestaan, zal de

voorzieningenrechter afwijzen. Een dergelijk verbod is te verstrekkend, nu –

zeker in het kader van deze procedure – niet valt te overzien of de vrouw nog enige

vordering in dit verband op de man zou kunnen doen gelden.

4.13.

Met betrekking tot de subsidiaire vordering stelt de vrouw dat zij op

grond van artikel 22 Rv bij een eventueel volgend verzoek tot verlof tot het leggen van

beslag dit vonnis, indien relevant, toch al moet meesturen. Dat moge zo zijn, de man

heeft er belang bij dat de vrouw haar verplichting op dit punt daadwerkelijk nakomt. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen. De voorzieningenrechter zal de dwangsom matigen tot € 100.000.

Ten aanzien van de vorderingen onder d en e)

4.14.

De voorzieningenrechter overweegt dat de opgevoerde kosten met name kosten

betreffen die zijn gemaakt ter voorbereiding van deze procedure en dus behoren tot de

proceskosten. Omdat partijen gehuwd zijn geweest, worden de proceskosten

gecompenseerd. Voor zover andere kosten (als schade) zijn gevorderd, zullen die worden

afgewezen, nu een inhoudelijke beoordeling daarvan buiten het bestek van deze procedure

valt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen van de vrouw af;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

in reconventie

5.3.

heft op de zijdens de vrouw ten laste van de man op 30 mei 2017 gelegde bewijsbeslagen;

5.4.

verbiedt de vrouw verdere beslagen te leggen ten laste van de man in verband met de verdeling van de op 10 november 2010 ontbonden huwelijksgemeenschap tussen partijen zonder dat zij bij het beslagrekest gelijktijdig overlegt dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100.000 per keer dat zij dit nalaat;

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

5.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.