Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3687

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-05-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
310018 HA ZA 16-530
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht school. Geen schending zorg- informatie- of consultatieplicht lagere school jegens moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/310018 / HA ZA 16-530

Vonnis van 17 mei 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. D. Kotterman te Arnhem,

tegen

de stichting

DE BASIS, STICHTING VOOR OPENBAAR PRIMAIR ONDERWIJS, ARNHEM

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. J. Schutter te Almere.

Partijen zullen hierna [eiseres] en De Basis genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 december 2016

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 5 april 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [vader] (verder: [vader] ) zijn de gezaghebbende ouders van [dochter] , geboren in [willekeurige maand] 2007.

2.2.

De Basis houdt diverse basisscholen in de zin van de Wet op het Primair Onderwijs in stand, waaronder de [school] (verder: de school). Directeur van de school is [directeur school] (verder: [directeur school] ).

2.3.

[dochter] heeft tot de zomer 2016 basisonderwijs gevolgd op de school. Zij zat in het schooljaar 2014-2015 in groep 4. In dezelfde groep zit een ander meisje, [meisje Q] .

2.4.

Vanaf november 2014 is [dochter] ten minste één keer aangesproken door familie van [meisje Q] vanwege (vermeend) gedrag van [dochter] richting [meisje Q] .

2.5.

Op 8 april 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen onder meer de ouders van beide kinderen en voorts de leerkracht van de kinderen, de intern begeleidster van de school en [directeur school] .

2.6.

Aan het einde van het gesprek heeft de vader van [meisje Q] de opmerking gemaakt: “typisch allochtonen en hun temperament”.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - dat de rechtbank bij een bij voorbaat uitvoerbaar vonnis voor recht verklaart dat

I. De Basis in strijd met de wet / regelgeving heeft gehandeld door:

  • -

    [eiseres] en [vader] niet te informeren / te consulteren over de gebeurtenissen tussen een andere ouder en [dochter] in de periode van november 2014 en april 2015;

  • -

    de veiligheid van [dochter] op school niet te waarborgen door [eiseres] en [vader] niet te informeren en de andere ouder niet adequaat te wijzen op de wet en regelgeving betreffende de omgang van kinderen binnen de school;

  • -

    [dochter] hulp en steun te onthouden;

  • -

    niet op te treden tegen discriminatie;

II. door deze handelingen, dan wel nalaten van de school [eiseres] en [vader] en [dochter] nadeel hebben ondervonden;

met veroordeling van De Basis in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] voert - kort weergegeven - aan dat De Basis is tekortgeschoten in haar zorgverplichting jegens [dochter] en haar informatieverplichting jegens [eiseres] door [eiseres] (en [vader] ) niet te informeren over het aanspreken van [dochter] en door [dochter] niet tegen het gedrag van de ouder(s) van [meisje Q] te beschermen, door die ouder(s) niet adequaat te wijzen op de wet en regelgeving betreffende de omgang van kinderen binnen de school. De Basis heeft daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] . Ook door het niet optreden tegen de in 2.6. genoemde opmerking van de vader van [meisje Q] heeft de school, aldus [eiseres] , onrechtmatig jegens haar gehandeld. Door dit onrechtmatig handelen zijn, zo stelt [eiseres] , zowel [eiseres] als [dochter] psychisch belast en hebben zij beiden materiële en immateriële schade geleden, die nog nader begroot dient te worden.

[eiseres] heeft ter zitting expliciet verklaard de vorderingen enkel namens zichzelf en niet (mede) als wettelijk vertegenwoordiger van [dochter] namens [dochter] te hebben ingesteld.

3.3.

De Basis voert verweer. Zij betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld en voorts dat [eiseres] als gevolg van haar handelen schade heeft geleden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Geen punt van geschil is dat op een school een (al dan niet contractuele) zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van haar leerlingen en dat van De Basis mag worden verwacht dat haar medewerkers de zorg in acht nemen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelende leraar of andere medewerker mag worden verwacht. Om te kunnen beoordelen of, zoals [eiseres] stelt, De Basis daarin of in andere verplichtingen is tekortgeschoten dient, nu De Basis dat betwist, eerst te worden vastgesteld welk handelen van De Basis [eiseres] verwijt en wat zij daarover concreet heeft gesteld.

4.2.

[eiseres] heeft de gebeurtenissen waarop zij haar vordering baseert als volgt verwoord:

Kort gesteld komt het geschil tussen [eiseres] en de school er op neer dat de minderjarige dochter van [eiseres] door een ouder van een klasgenoot in november 2014 op twee verschillende dagen en in april 2015 op school is bejegend op een dusdanige agressieve wijze dat het kind van [eiseres] hier ernstig nadeel van heeft ondervonden. De reden van het optreden van de ouder van de klasgenoot zou zijn gelegen in pestgedrag. Van deze confrontaties van deze ouder met het kind is [eiseres] niet op de hoogte gesteld. Eerst in juni en juli 2015 is [eiseres] over deze confrontaties geïnformeerd. Daarbij komt dat op 2 april 2015 de desbetreffende ouder van het klasgenootje wederom het kind van [eiseres] op een dergelijke wijze op school heeft menen te moeten bejegen waarbij het voor [eiseres] op zijn minst gesteld zeer betreurenswaardig is dat school al in maart 2015 van het hernieuwde voornemen van deze ouder op de hoogte was, maar niets heeft gedaan om haar van dit voornemen af te wenden. Gevolg: het kind van [eiseres] is wederom blootgesteld aan agressieve van een emotionele instabiele ouder van een klasgenootje van haar. Wederom heeft de school [eiseres] van het gebeuren in april 2015 op de hoogte gesteld noch heeft zij maatregelen genomen om de ouder van dit gedrag te weerhouden. Sterker nog: het bleek dat de desbetreffende ouder nota bene ook in maart 2015 aan school heeft gevraagd om een gesprek met [eiseres] , waarmee de school zoals gesteld niets heeft gedaan.

[eiseres] heeft geen nadere omschrijving gegeven van de benadering van [dochter] door de ouders van [meisje Q] en de precieze gang van zaken verder niet geconcretiseerd.

4.3.

De Basis heeft de gebeurtenissen vanaf november 2014 als volgt verwoord:

Op 25 november 2014 spreekt de moeder van [meisje Q] in de gang van de school [dochter] aan en zegt dat ze gemeen doet tegen [meisje Q] . De leerkracht van de groep hoort dat en zegt tegen de moeder van [meisje Q] dat het niet de bedoeling is dat de ouders andere kinderen in de school aanspreken op het gedrag, maar dat dat via de leerkracht dient te gebeuren. De leerkracht bespreekt vervolgens diezelfde dag met beide kinderen de aanleiding voor de ruzie, waarna deze door de kinderen wordt bijgelegd. Op 31 maart 2015 wordt door de vader van [meisje Q] een klacht ingediend bij de leerkracht. [dochter] zou [meisje Q] pesten. De leerkracht zegt toe dat ze daar op zal letten, en dat ze het met de leerlingen zal bespreken. Op 2 april 2015 spreekt de moeder van [meisje Q] , buiten de school om, de (zus van?) de oma van [dochter] op het gedrag van [dochter] aan. Op 2 april 2015 informeren [eiseres] en [vader] de leerkracht hierover. De school stelt daarna voor dat er een gesprek tussen alle betrokkenen zal worden gevoerd op 8 april 2015. Op 8 april 2015 zijn dan aanwezig: [de vrouw van de directeur van de school] , [leerkracht A] , [Intern begeleider A] (intern begeleider van de [school] ), de ouders/ verzorgers van [meisje Q] , en de (zus van de?) oma van [dochter] , [vader] en [eiseres] . In dat gesprek lopen de emoties, vooral van de zijde van [vader] , hoog op.

4.4.

De rechtbank overweegt dat [eiseres] de door De Basis weergegeven 4.3. aangehaalde weergave van de gebeurtenissen, ook ter comparitie, niet heeft weersproken, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Andere contacten tussen familieleden van [meisje Q] en [dochter] dan in 4.3. omschreven, zoals het door [eiseres] gestelde tweede contact in november 2013, heeft [eiseres] niet nader omschreven of onderbouwd, behoudens een gebeurtenis in december 2014. Daarover heeft [eiseres] , voor het eerst ter comparitie, gesteld dat zij van [vader] heeft vernomen dat de moeder van [meisje Q] [dochter] nog een keer zou hebben benaderd in december 2014, waarna [dochter] in haar broek zou hebben geplast en van de leraar een nieuwe broek zou hebben gekregen. Zij heeft echter ook ten aanzien van die gebeurtenis niet geconcretiseerd wanneer en waar en onder welke omstandigheden dit zou hebben plaatsgevonden en wat de betrokkenheid van De Basis daarbij was, noch in hoeverre de leraar/De Basis van dit gestelde contact tussen de moeder van [meisje Q] en [dochter] op de hoogte was, anders dan dat de leraar een nieuwe broek zou hebben gegeven, en evenmin wanneer zij dit van [vader] heeft vernomen, wat diens bron van wetenschap was en waarom dit niet eerder aan De Basis is gemeld en niet eerder in de onderhavige procedure naar voren is gebracht. Dit had, mede gelet op de betwisting van De Basis van deze gebeurtenis en haar bekendheid daarmee, wel op de weg van [eiseres] gelegen, zodat dit gestelde extra contact tussen de moeder van [meisje Q] en [dochter] verder als onvoldoende onderbouwd buiten beschouwing wordt gelaten.

4.5.

[eiseres] spreekt in zijn algemeenheid van agressieve of bedreigende benaderingen door de ouders van [meisje Q] maar heeft dat verder niet geconcretiseerd. De rechtbank gaat daarom deze gebeurtenissen voorbij, voor zover zij afwijken, van de in 4.3. aangehaalde gang van zaken.

4.6.

Uit de in 4.3. aangehaalde weergave van de gebeurtenissen volgt dat er in november 2013 één incident heeft plaatsgevonden waarin de moeder van [meisje Q] [dochter] heeft aangesproken, waarop de leerkracht die moeder heeft gecorrigeerd en met de kinderen de onderliggende ruzie heeft besproken, waarna de ruzie zou zijn bijgelegd. Daaruit volgt niet dat toen al sprake was van meer dan een eenmalige incident of dat sprake was van (al dan niet structureel) pestgedrag, terwijl De Basis de moeder van [meisje Q] er kennelijk wel op heeft gewezen dat zij niet [dochter] maar de leerkracht moest aanspreken over het gestelde gedrag van [dochter] . Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, kan dan niet worden aangenomen dat De Basis de veiligheid van [dochter] onvoldoende heeft gewaarborgd of de ouders van [meisje Q] onvoldoende zou hebben gewezen op de regels over het aanspreken van andere kinderen. Zonder nadere toelichting kan ook niet worden aangenomen dat de enkele omstandigheid dat De Basis [eiseres] toen niet van dit incident op de hoogte heeft gesteld met zich brengt dat De Basis in strijd met haar verplichtingen heeft gehandeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is weersproken dat het pestprotocol ziet op structureel pestgedrag, terwijl de omschreven feiten niet dusdanig zijn dat de leerkracht er niet van had mogen uitgaan dat het om een afgerond en opgelost incident ging.

4.7.

Ten aanzien van de gebeurtenissen in maart/april 2014 blijkt uit de feitenweergave en uit de verklaring van [eiseres] ter comparitie dat op 2 april 2014 niet [dochter] , maar haar oma door de moeder van [meisje Q] is aangesproken (al dan niet in bijzijn van [dochter] ) en dat dit, alsmede de klacht van de vader van [meisje Q] over pesten op 31 maart 2014, heeft geleid tot een gesprek op 8 april 2014 tussen de betrokken ouders en medewerkers van de school. De stelling van [eiseres] dat zij pas in juni 2015 op de hoogte is gesteld van ‘de confrontaties’ is daarom zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, niet te begrijpen en wordt daarom verworpen. Geen punt van geschil is dat het gesprek van 8 april 2014 juist tot doel had de problemen te bespreken en op te lossen terwijl [eiseres] niet concreet heeft onderbouwd waarom en op welke concrete punten de school dan toch in strijd met haar zorg-, informatie-of consultatieplicht zou hebben gehandeld.

4.8.

Ten aanzien van het verwijt dat de school verder geen actie heeft ondernomen tegen de opmerking van de vader van [meisje Q] tijdens het gesprek op 8 april 2014: “typisch allochtonen en hun temparement”, overweegt de rechtbank dat [directeur school] daarover heeft geschreven: “De opmerking van de vader van het andere meisje heb ik niet opgevat als een discriminerende opmerking, hooguit als een ironisch bedoelde stereotypering. Ik heb het als een relativerende en verbindende opmerking geïnterpreteerd tussen twee deels allochtone ouderparen aan het einde van een geëmotioneerd gesprek […]. Met de kennis van nu zou ik hier anders op gereageerd hebben.”. Dat beide ouderparen deels een migratieachtergrond hebben en dat [directeur school] de opmerking - al dan niet ten onrechte - in de gegeven context heeft geïnterpreteerd als relativerend en verbindend bedoeld, is niet weersproken. De rechtbank overweegt dat in die omstandigheden het enkele gegeven dat [directeur school] /De Basis na de eenmalige opmerking van de vader van [meisje Q] na afloop van een geëmotioneerd oudergesprek geen actie heeft ondernomen, niet betekent dat De Basis onrechtmatig heeft gehandeld of haar verplichtingen jegens [eiseres] heeft geschonden. Omstandigheden die dit anders zouden kunnen maken zijn door [eiseres] niet aangevoerd.

4.9.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de stelling van [eiseres] dat De Basis in haar verplichtingen jegens haar is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld als onvoldoende onderbouwd wordt verworpen. De vorderingen van [eiseres] worden reeds om die reden afgewezen. De overige verweren van de school kunnen daarom onbesproken blijven.

4.10.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Basis worden begroot op:

- griffierecht 619,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.523,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van De Basis tot op heden begroot op € 1.523,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2017.