Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3619

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3514
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag Precariobelasting. Rechtbank is van oordeel dat raadsbesluit Angerlo en overeenkomst Zevenaar rechtsgeldig zijn opgezegd, zodat deze niet aan de heffing van precariobelasting in de weg staan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1725
V-N 2017/48.20.10
NTFR 2017/1882
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/3514

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 11 juli 2017

in de zaak tussen

[X] N.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zevenaar, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2015 op 30 november 2015 een voorlopige aanslag (aanslagnummer [000] ) precariobelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2016 de belastingaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 14 juni 2016, ontvangen door de rechtbank op 14 juni 2016, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn steeds (door tussenkomst van de griffier) in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017.

Namens eiseres zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [A] , mr. [B] en mr. [C] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en [D] .

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is netbeheerder van gas- en elektriciteitsleidingen in de gemeente Zevenaar.

Het in, onder of boven de gemeentegrond aanwezige netwerk heeft een lengte van 433 kilometer.

2. Ingevolge artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998 (de E-wet) beschikt de netbeheerder over de eigendom van het door hem beheerde net. [E] NV ( [E] ) is juridisch eigenaar van het netwerk.

3. Eiseres is bestuurder en enig aandeelhouder van [E] . Beide vennootschappen hebben hetzelfde postadres.

4. Op 1 augustus 1923 heeft de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Angerlo een raadsbesluit (hierna: raadsbesluit Angerlo) genomen. Dit raadsbesluit Angerlo luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“(…)

BESLUIT:

aan de N.V. [I] te [Q] voor zoodanigen duur als voor de uitoefening van het bedrijf dezer Vennootschap noodig zal blijken,kosteloos het recht te verleenen werken tot geleiding,transformeering,verdeeling en levering van electriciteit en de daarmede in verband staande beveiligings en ondersteuningswerken te hebben, aan te brengen, in stand te houden en te verwijderen, in,op,aan,door of boven gemeentelijke gronden (…)”.

5. Aan het raadsbesluit Angerlo is een aanhangsel (aanhangsel Angerlo) van

19 maart 1984 toegevoegd. Hierin is - voor zover thans van belang - het volgende opgenomen:

“Eerste aanhangsel bij het raadsbesluit van de gemeente Angerlo d.d. 31 juli 1923, inhoudende vergunning tot het aanbrengen enzv Van electriciteitswerken in enz. eigendommen der gemeente.

De gemeente Angerlo (…)

en

De N.V. [F] (…)

(…)

komen overeen als volgt:

I De thans tussen partijen op grond van genoemd raadsbesluit geldende regeling, betreffende het aanbrengen enz. van electriciteitswerken in, enz. eigendommen der gemeente komt te vervallen voorzover het 10 kV- en laagspanningsleidingen betreft.

II In plaats van het te vervallen gedeelte van de regeling komt de volgende regeling:

1 De gemeente verleent hiermede de voor het in, op of boven gemeentelijke eigendommen (…) aanbrengen, leggen, hebben, onderhouden, verkleinen, verzwaren, vervangen, uitbreiden en wijzigen van de onder- en bovengrondse leidingen ten behoeve van en in verband met de levering van elektrische energie door de [F] (…) vereiste burgerrechtelijke en publiekrechtelijke vergunningen, ontheffingen en toestemmingen en verklaart zich bereid, indien de [F] zulks wenst, haar de nodige rechten te verlenen. (…)

6 De gemeente verbindt zich, indien krachtens enige gemeenteverordening rechten op het aanwezig zijn van leidingnet met toebehoren in, op of boven gemeentegronden (…) worden geheven, binnen redelijke tijd deze verordening zodanig te herzien dat na wijziging de [F] geen rechten zal zijn verschuldigd, dan wel de [F] jaarlijks een bedrag, gelijk aan de door haar betaalde rechten, uit te keren. Het laatste geldt evenzo voor het geval in de toekomst een verordening als bovenbedoeld van kracht mocht worden.

(…)”

6. Op 31 december 1941 hebben de [F] ( [F] ) en de gemeente Zevenaar een overeenkomst gesloten die zag op de overname van het elektriciteitsnetwerk van de gemeente door [F] (overeenkomst Zevenaar) en de exploitatie daarvan. Bij deze overeenkomst is op 17 april 1984 een aanhangsel (aanhangsel Zevenaar) gevoegd. In dit aanhangsel zijn inhoudelijk dezelfde bepalingen overeengekomen als hiervoor geciteerd onder 5.

7. Op 1 januari 2005 is de gemeente Angerlo door een gemeentelijke herindeling opgegaan in de gemeente Zevenaar.

8. De gemeenteraad van Zevenaar heeft op 25 februari 2015 de Verordening precariobelasting kabels en leidingen 2015 (de verordening) vastgesteld. De verordening is op 10 maart 2015 in werking getreden.

9. Op 27 mei 2015 heeft de gemeenteraad van Zevenaar het raadsbesluit Angerlo ingetrokken. Op dezelfde dag heeft de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders opgedragen om de overeenkomst Zevenaar en het aanhangsel daarbij op te zeggen.

10. Bij brief van 10 juni 2015 heeft de gemeente in een brief aan eiseres bekendgemaakt dat de gemeenteraad het raadsbesluit Angerlo heeft ingetrokken en tevens meegedeeld dat daardoor de grondslag voor het aanhangsel Angerlo is komen te vervallen. Verder wordt in de brief aan eiseres meegedeeld dat het college van B&W de overeenkomst en het aanhangsel Zevenaar opzegt.

11. Bij brief van 9 juli 2015 heeft eiseres op de onder 9. genoemde brief gereageerd. In deze brief staat dat de overeenkomsten niet kunnen worden opgezegd en dat het raadsbesluit niet kan worden ingetrokken, omdat dit in strijd is met de goede trouw, getuigt van onbehoorlijk bestuur en onrechtmatig is.

12. Bij brief van 9 september 2015 heeft de gemeente eiseres bericht dat zij het hiervoor onder 11. genoemde standpunt van eiseres niet deelt en dat zij concludeert dat overeenkomsten en raadsbesluit op rechtmatige wijze zijn opgezegd dan wel ingetrokken.

13. Bij brief van 27 november 2015 is de onderhavige voorlopige aanslag precariobelasting met dagtekening 30 november 2015 aan eiseres verzonden. De belastingaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 405.937.

Geschil

14. In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige voorlopige aanslag precariobelasting terecht aan eiseres is opgelegd. In het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of het raadsbesluit Angerlo en de overeenkomst Zevenaar en de bijbehorende aanhangsels aan de heffing van precariobelasting in de weg staan.

15. Eiseres heeft zich - kort en zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat:

  • -

    het raadsbesluit Angerlo niet volgens de wettelijke vereisten is ingetrokken;

  • -

    de overeenkomst Zevenaar niet rechtsgeldig is opgezegd;

  • -

    zij een opstalrecht heeft verkregen;

  • -

    de gemeente handelt in strijd is met haar zorgplicht;

  • -

    sprake is van strijd met het recht op eigendom als bedoeld in artikel 1 van het eerste protocol van het EVRM (EP EVRM);

  • -

    dat sprake is van strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel;

  • -

    dat sprake is van strijdigheid met het specialiteitsbeginsel en het verbod op détournement de pouvoir;

  • -

    dat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en geen belangenafweging heeft plaatsgevonden.

16. Verweerder neemt het standpunt in dat het raadsbesluit Angerlo rechtsgeldig is ingetrokken en dat de overeenkomst Zevenaar rechtsgeldig is opgezegd, zodat deze niet aan heffing van precariobelasting in de weg staan. Ook van andere beletselen is geen sprake volgens verweerder, zodat de aanslag terecht is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

17. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om [E] en [G] NV in de procedure te betrekken met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft dit verzoek niet gehonoreerd. Het begrip belanghebbende in het belastingrecht wijkt af van dat in de Awb en is omschreven in artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Op grond van het eerste lid van dat artikel zijn [E] en [G] NV geen belanghebbenden. Voor zover vermogensbestanddelen van [E] in de belastingaanslag zijn betrokken, komt aan [E] op grond van artikel 26a, tweede lid, van de AWR een zelfstandig recht toe om rechtsmiddelen in te stellen.

18. Wat partijen primair verdeeld houdt, is of het raadsbesluit Angerlo en de overeenkomst Zevenaar aan heffing van precariobelasting in de weg staan. De rechtbank zal eerst beoordelen of dit voor de overeenkomst Zevenaar en het aanhangsel daarbij het geval is.

Opzegging overeenkomst Zevenaar

19. Eiseres heeft gesteld dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd, omdat de gemeente de opzegging heeft gericht aan eiseres en niet aan [E] . De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Partij bij de overeenkomst was destijds [F] . De opzegging had aldus aan de rechtsopvolger van [F] , zijnde [E] gericht moeten zijn. De opzegging is gedaan aan eiseres. Hoewel de brief niet uitdrukkelijk aan eiseres is gericht in die hoedanigheid, wijst de rechtbank erop dat eiseres (enig) bestuurder is van [E] . Bovendien hebben beide vennootschapen hetzelfde postadres. Als gevolg van verschillende fusies kon het verweerder ten tijde van de opzegging niet zonder meer duidelijk zijn welke naamloze vennootschap als de rechtsopvolger van [F] moest worden beschouwd. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiseres in de van haar afkomstige stukken hieromtrent ook geen duidelijk eigen standpunt heeft ingenomen (zie 2.1.16 tot en met 2.1.19 aanvullende gronden van het beroepschrift). Bovendien heeft eiseres naar aanleiding van de brief van 10 juni 2015 gereageerd. Daarbij heeft zij zich niet op het standpunt gesteld onbekend te zijn met de overeenkomst waarop de brief betrekking heeft, maar heeft zij

- klaarblijkelijk als bestuurder - inhoudelijk gereageerd. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een geldige opzegging. Of anderszins sprake is van aan de beëindiging van de overeenkomst klevende gebreken staat ter beoordeling van de civiele rechter, maar deze heeft (nog) niet op de door eiseres voorgestane wijze beslist. Dit leidt de rechtbank tot de slotsom dat er ten tijde van het opleggen van de aanslag geen overeenkomst was, die aan de heffing van precariobelasting in de weg stond.

Raadsbesluit Angerlo

20. Eiseres heeft gesteld dat het raadsbesluit Angerlo geen besluit van algemene strekking is, maar een begunstigende beschikking die niet kan worden ingetrokken zonder intrekkingsgrond. Bovendien wijst eiseres erop dat een besluit tot intrekking slechts in werking treedt, indien dit op de voorgeschreven wijze kenbaar is gemaakt, hetgeen volgens eiseres niet is gebeurd.

21. Ervan uitgaande dat sprake is van een begunstigende beschikking zal de rechtbank beoordelen of deze inderdaad rechtsgeldig is ingetrokken. Dat aan de intrekking gewijzigde omstandigheden aan de kant van het bestuursorgaan ten grondslag liggen, is naar het oordeel van de rechtbank evident. De gemeente wil in de toekomst precariobelasting gaan heffen en daartoe heeft de gemeenteraad de verordening vastgesteld. De rechtbank verwerpt daarom de stelling dat de intrekking een intrekkingsgrond ontbeert. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de brief van 10 juni 2015 het besluit op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt, zoals bedoeld in artikel 3:41 van de Awb. Weliswaar is [E] als rechtsopvolger van [F] de begunstigde aan wie de intrekking bekendgemaakt moet worden, maar de rechtbank neemt hierbij hetzelfde in aanmerking als hiervoor overwogen onder 19. Met de brief aan eiseres, bestuurder van [E] , met hetzelfde postadres als haar dochtervennootschap is de intrekking van de begunstigende beschikking naar het oordeel van de rechtbank op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dat een rechtsmiddelverwijzing ontbreekt, kan aan de juiste bekendmaking van het besluit en daarmee aan de inwerkingtreding daarvan niet afdoen.

22. Voor zover eiseres heeft gesteld dat het raadsbesluit Angerlo en met name het aanhangsel daarbij feitelijk een privaatrechtelijk karakter hebben, oordeelt de rechtbank als hiervoor onder 19. Weliswaar is in de brief van 20 juni 2015 het woord ‘opzeggen’ niet gebruikt in relatie tot het raadsbesluit Angerlo en het eerste aanhangsel daarbij, maar de bedoeling van de brief is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk. Deze bedoeling is de beëindiging van rechten, die aan het raadsbesluit Angerlo en het aanhangsel kunnen worden ontleend. Voor zover sprake is van een privaatrechtelijke overeenkomst is deze met de brief van 10 juni 2015 rechtsgeldig opgezegd.

23. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat ten tijde van het opleggen van de aanslag geen sprake was van een raadsbesluit Angerlo en aanhangsel daarbij, dat aan de heffing van precariobelasting in de weg staat.

Opstalrecht

24. Eiseres heeft gesteld dat zij door verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:105 Burgerlijk Wetboek een zakelijk recht van opstal heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is het echter [E] die de leidingen heeft. Eiseres heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. Eiseres is als netbeheerder niet aan te merken als bezitter, maar als houder. Van een eventuele verkrijgende verjaring, wat hier verder ook van zij, door eiseres kan dan ook geen sprake zijn. Deze beroepsgrond faalt daarom.

Zorgplicht

25. Eiseres heeft gesteld dat de heffing van precariobelasting in strijd komt met de zorgplicht van lokale overheden voor duurzame veiligstelling van de openbare elektriciteitsvoorziening. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De heffing van precariobelasting werkt kostenverhogend voor eiseres. Eiseres berekent deze kosten door aan haar afnemers. Dat de elektriciteitsvoorziening hierdoor in gevaar zou kunnen komen is gesteld noch gebleken. Veeleer beoogt eiseres met haar stelling een kostprijsverhoging voor haar afnemers te voorkomen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is evenwel niet aannemelijk dat dit belang van de afnemers in relatie tot de ‘duurzame veiligstelling van de openbare elektriciteitsvoorziening’ een rol van betekenis speelt. De beroepsgrond faalt.

Artikel 1 van het EP EVRM

26. Eiseres heeft gesteld dat de heffing van precariobelasting een ongeoorloofde inbreuk maakt op haar ongestoorde genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het EP EVRM. Voor zover eiseres heeft gesteld dat dit komt doordat de Verordening geen wet in formele zin is, verwerpt de rechtbank deze beroepsgrond. De rechtbank overweegt dat de heffing van precariobelasting haar grondslag heeft in artikel 228 van de Gemeentewet en dat is een wet in formele zin. De inbreuk op het eigendom door de heffing van precariobelasting is daarmee wel degelijk gebaseerd op het nationale recht.

27. Voor zover eiseres heeft gesteld dat sprake is van een individuele en buitensporige last overweegt de rechtbank dat het bedrag van de aanslag op zichzelf inderdaad fors is. Dit is echter onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een individuele en buitensporige last, ook niet als in ogenschouw wordt genomen dat ook andere gemeenten precariobelasting van eiseres heffen. Gesteld noch gebleken is dat eiseres de precariobelasting niet uit haar inkomen of vermogen kan voldoen. Daarbij staat als onweersproken vast dat eiseres de kosten aan haar afnemers zal doorberekenen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van een individuele en buitensporige belastingheffing die in strijd is met artikel 1 van het EP EVRM. Dat van [H] geen precariobelasting wordt geheven, leidt niet tot een ander oordeel.

Rechtzekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel

28. Eiseres stelt dat verweerder bij het opleggen van de aanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld, omdat er al geruime tijd geen precariobelasting is geheven. Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat niet eerder precariobelasting van eiseres is geheven niet meebrengt dat die belasting ook in het onderhavige jaar niet kan worden geheven. Weliswaar is in de beide aanhangsels opgenomen dat ook in de toekomst geen rechten van [F] zouden worden geheven, maar zo eiseres, aan wie de rechten uit de aanhangsels niet zijn overgedragen, hieraan al een vertrouwen zou kunnen ontlenen, is dit vertrouwen door de opzegging en intrekking geëindigd.

29. Eiseres heeft voorts gesteld dat zij erop mocht vertrouwen dat de onderhavige aanslag precariobelasting niet zou worden opgelegd, in verband met wetsvoorstel 34 508 tot afschaffing van de precariobelasting. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen ten tijde van het opleggen van de aanslag aanhangige wetsvoorstellen niet tot een gerechtvaardigd vertrouwen leiden dat de onderhavige aanslag niet zou worden opgelegd. Dat het wetgevingstraject geruime tijd in beslag heeft genomen maakt het voorgaande niet anders.

Strijd met specialiteitsbeginsel en verbod op détournement de pouvoir

30. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen sprake is van strijd met het privaatrecht, omdat de rechten uit de overeenkomst en het raadsbesluit niet aan eiseres toekwamen. Bovendien zijn de overeenkomsten opgezegd. De rechtbank is verder van oordeel dat de bevoegdheid om precariobelasting te heffen voor geen ander doel is gebruikt dan waarvoor zij is gegeven, te weten het verwerven van inkomsten voor de algemene middelen van de gemeente. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond.

Motiveringsbeginsel en belangenafweging

31. Eiseres heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de aanslag is opgelegd en de uitspraak op bezwaar is gedaan in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Awb, aangezien niet, althans onvoldoende is gemotiveerd waarom eiseres precariobelasting verschuldigd is en hoe de heffing tot stand is gekomen. De rechtbank overweegt dat eiseres op de voorlopige aanslag kon zien ter zake van welk voorwerp precariobelasting werd geheven en naar welke maatstaf van heffing (433.000 strekkende meter elektranetwerk) en bovendien naar welk tarief (€ 2,25 per strekkende meter per jaar) het bedrag aan belasting was berekend. Belastingaanslagen zijn gebonden beschikkingen. Dit betekent dat het een bestuursorgaan niet vrijstaat om in het kader van een belangenafweging de verordening buiten toepassing te laten. Van een onzorgvuldige belangenafweging kan dan ook geen sprake zijn. Tot een nadere motivering van de aanslag en de uitspraak op bezwaar was verweerder dan ook niet gehouden (vgl. onder meer Gerechtshof Amsterdam 26 augustus 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6206).

32. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur.

33. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

34. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. J.C.H. Pronk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 11 juli 2017

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.