Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3526

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
05/880003-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Gelderland heeft een 41-jarige man uit Rheden veroordeeld voor het bedreigen van zijn echtgenote en voor het neersteken en schoppen van hun buurman. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk zijn opgelegd. Nadat hij zijn straf heeft uitgezeten, moet de man zich laten behandelen voor o.a. de manier waarop hij met zijn emoties omgaat, moet hij meewerken aan begeleid wonen en mag hij geen contact met zijn buurman hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880003-17

Datum uitspraak : 5 juli 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1975 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats 1]

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem,

raadsvrouw: mr. Y. Eryilmaz, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juni 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rheden, althans in Nederland, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven te beroven, met dat opzet, (telkens) meermalen, althans éénmaal met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in en/of in de richting van de (linker)zij en/of de rug en/of de heup en/of de borst/long(en) en/of de hand(en), in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of geprikt en/of (vervolgens) in/op/tegen het hoofd/gezicht heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rheden, althans in Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of een kaakbreuk en/of meerdere steekwonden in (onder andere) de (linker)zij en/of de rug en/of de heup en/of de borst/long(en) en/of de hand(en), heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] :

 met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp te steken en/of te prikken en/of;

 (vervolgens) in/op/tegen het hoofd te trappen en/of schoppen;

2.

hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rheden, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:

 een mes uit zijn, verdachtes, binnenzak gepakt en/of;

 (vervolgens) dat mes aan voornoemde [slachtoffer 2] getoond en/of;

 (vervolgens) die [slachtoffer 2] (van achteren) beetgepakt en/of;

 (vervolgens) het mes op/tegen de keel van die [slachtoffer 2] gezet/gehouden en/of;

 (vervolgens) toen die [slachtoffer 2] viel zijn knie op haar been geplaatst om haar in bedwang te houden en/of;

 (vervolgens) (nogmaals) (de punt van) het mes op/tegen de keel van die [slachtoffer 2] gezet/gehouden en/of;

 (daarbij) tegen die [slachtoffer 2] gezegd 'ik wil dat je bij mij blijft, ik wil niet dat je bij me weggaat' en/of woorden van gelijk strekking;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 31 december 2016 in Rheden [slachtoffer 1] meermalen met een mes gestoken. Daarbij werd [slachtoffer 1] geraakt in zijn borst, zijn linkerheup en zijn rug. Daarnaast heeft verdachte een harde trap gegeven tegen het hoofd van [slachtoffer 1] .2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot moord. Volgens de officier van justitie kan wel bewezen worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de eveneens primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen, omdat er geen sprake is geweest van voorwaardelijk opzet aan de zijde van verdachte op de dood van [slachtoffer 1] . De verdediging heeft verder gesteld dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling heeft begaan.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht op basis van de verklaring van verdachte, de aangifte en de letselbeschrijving wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] meermalen heeft gestoken met een mes en dat hij [slachtoffer 1] keihard tegen zijn hoofd heeft geschopt.

Opzet

De vraag die de rechtbank zal moeten beantwoorden is of verdachte het opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – op levensberoving heeft gehad. Nu verdachte stelt dat hij geen vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat dat wel het geval is geweest, moet zij onderzoeken of verdachte wellicht voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg (in dit geval het van het leven beroven van [slachtoffer 1] ) is aanwezig, indien een verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat een verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan deze kans is niet alleen vereist dat een verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat een verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Op de camerabeelden die van de steekpartij zijn gemaakt, is te zien dat verdachte in het wilde weg op de romp van [slachtoffer 1] insteekt en dat verdachte, nadat de worsteling tussen hem en [slachtoffer 1] tot een einde is gekomen en [slachtoffer 1] ineengezakt tegen zijn auto zit, [slachtoffer 1] keihard tegen het hoofd schopt.3 Verdachte heeft [slachtoffer 1] in zijn borst, rug en linkerheup gestoken. Uit de letselinterpretatie volgt dat [slachtoffer 1] hierdoor onder andere een klaplong heeft opgelopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat letsels toegebracht aan of in de borstkas en de daarin liggende organen potentieel levensbedreigend kunnen zijn. Daarnaast was de schop tegen het hoofd van [slachtoffer 1] keihard. De fractuur van de buitenste wand van de kaakholte die bij [slachtoffer 1] is geconstateerd past bij stomp geweld, zoals slaan, stompen, trappen of vallen tegen een hard voorwerp. Stomp geweld tegen het hoofd kan in principe tot potentieel levensbedreigend letsel leiden door een hersenkneuzing, door bloedingen in de hersenen of van vaten tussen de hersenvliezen of/en de hersenen, of door zwelling van de hersenen waardoor inklemming kan ontstaan.4

De rechtbank is dan ook van oordeel dat met de door verdachte verrichte handelingen een aanmerkelijke kans is geweest dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat zowel het steken in de romp, als het schoppen tegen het hoofd van een ander kan leiden tot de dood van die ander. Gelet op het – ondanks hevig verzet van [slachtoffer 1] – met grote agressie insteken op het lichaam van [slachtoffer 1] , gevolgd door een krachtige schop tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , is de rechtbank van oordeel dat het naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet anders kan zijn dan dat verdachte de kans op een dodelijk gevolg bewust heeft aanvaard.

Het standpunt van de raadsvrouw dat voorwaardelijk opzet niet kan worden bewezen, omdat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, wordt door de rechtbank verworpen. Hiertoe is van belang dat niet aannemelijk is geworden dat bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken.

De rechtbank acht dus bewezen dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] .

Voorbedachte raad

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte op enig moment het besluit heeft genomen [slachtoffer 1] te doden en de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de tenlastelegging voor zover die ziet op poging tot moord.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 31 december 2016 is verdachte zijn echtgenote, [slachtoffer 2] , achterna gelopen in Rheden. Hij heeft een mes uit zijn binnenzak gehaald en heeft [slachtoffer 2] van achter beetgepakt. [slachtoffer 2] is toen gevallen.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft – naast hetgeen volgt uit de vastgestelde feiten – ook verklaard dat verdachte tegen haar zei: “Ik wil dat je bij mij blijft, ik wil niet dat je bij me weggaat,” of iets dergelijks.6

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het mes een centimeter of 30 van de keel van [slachtoffer 2] heeft gehouden.7 Verdachte heeft ook verklaard dat hij tegen [slachtoffer 2] heeft geschreeuwd dat ze alleen maar hem (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) wilde.8

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte een mes uit zijn binnenzak heeft gehaald en dat aan [slachtoffer 2] heeft getoond. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] van achteren heeft beet gepakt, dat hij zijn knie op haar been heeft geplaatst om haar in bedwang te houden en dat hij tegen haar gezegd heeft: “ik wil dat je bij me blijft, ik wil niet dat je bij me weggaat,” of woorden van gelijke strekking. Dat verdachte tweemaal het mes op de keel van [slachtoffer 2] zou hebben gezet vindt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank zal verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. Primair

hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rheden, althans in Nederland, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven te beroven, met dat opzet, (telkens) meermalen, althans éénmaal met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, in en/of in de richting van de (linker)zij en/of de rug en/of de heup en/of de borst/ en de long(en) en/of de hand(en), in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of geprikt en/of (vervolgens) in/op/tegen het hoofd/gezicht heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rheden, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:

 een mes uit zijn, verdachtes, binnenzak gepakt en/of;

(vervolgens) dat mes aan voornoemde [slachtoffer 2] getoond en/of;

(vervolgens) die [slachtoffer 2] (van achteren) beetgepakt en/of;

(vervolgens) het mes op/tegen de keel van die [slachtoffer 2] gezet/gehouden en/of;

(vervolgens) toen die [slachtoffer 2] viel, zijn knie op haar been geplaatst om haar in bedwang te houden en/of;

(vervolgens) (nogmaals) (de punt van) het mes op/tegen de keel van die [slachtoffer 2] gezet/gehouden en/of;

(daarbij) tegen die [slachtoffer 2] gezegd 'ik wil dat je bij mij blijft, ik wil niet dat je bij me weggaat' en/of woorden van gelijke strekking;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden de door de reclassering voorgestelde voorwaarden, die samengevat het volgende behelzen:

 meldplicht;

 verplichting tot ambulante behandeling;

 meewerken aan een traject richting het RIBW;

 een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] ,

met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. De raadsvrouw heeft verzocht om een lagere straf die voorwaardelijk wordt opgelegd, waarbij het advies van de reclassering met betrekking tot de bijzondere voorwaarden wordt gevolgd. Zij heeft hiertoe gewezen op de omstandigheden dat de feiten in verminderde mate aan verdachte toegerekend kunnen worden en dat verdachte steeds zijn medewerking heeft verleend. Daarnaast heeft zij gewezen op hetgeen uit de rapportages omtrent verdachte naar voren is gekomen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 12 mei 2017;

- een psychologisch onderzoek Pro Justitia opgemaakt door drs. I.D.G. Westerdijk, GZ-psycholoog, gedateerd 17 maart 2017;

- een trajectconsult verdachte door psychiater van NIFP NoordOostNederland op verzoek van het OM, opgemaakt door A. Boksem, forensisch psychiater NIFP NoordOostNederland locatie Zwolle, gedateerd 19 januari 2017; en

- een reclasseringsadvies, opgemaakt door H. van der Woude, reclasseringswerker, gedateerd 15 juni 2017.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met het volgende.

Verdachte heeft eerst zijn echtgenote [slachtoffer 2] met een mes bedreigd en heeft vervolgens zijn buurman [slachtoffer 1] aangevallen door hem vijf keer met een mes te steken, onder andere in het bovenlichaam. Dit is een zeer ernstig feit dat ook nog eens plaatsvond in de openbare ruimte. Het mag een wonder heten dat [slachtoffer 1] in staat is gebleken het mes uit de macht van verdachte te ontfutselen en het lemmet weg te gooien. Verdachte heeft zich daarna zichtbaar boos rondom [slachtoffer 1] bewogen. Op het moment dat [slachtoffer 1] vervolgens in elkaar zakte tegen de achterkant van zijn auto, heeft verdachte hem een keiharde trap tegen het hoofd gegeven. Er mag van geluk worden gesproken dat [slachtoffer 1] ten gevolge van deze geweldshandelingen niet is komen te overlijden. Verdachte heeft [slachtoffer 1] hiermee veel angst aangejaagd, zoals ook gebleken is tijdens het onderzoek ter terechtzitting. [slachtoffer 1] heeft de zittingszaal vrijwel direct na het begin van de behandeling moeten verlaten en is onwel geworden. Ook blijkt uit de door [slachtoffer 2] voorgelezen slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en haarzelf hoe groot de impact van het gebeurde op hen is. Verdachte heeft weinig berouw getoond en wijt het gebeurde aan de boosheid die bij hem ontstond door het liegen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] over de buitenechtelijke relatie die tussen hen zou bestaan.

De psycholoog heeft geconcludeerd dat verdachte functioneert op het grensgebied tussen zwakbegaafd en licht verstandelijk beperkt. Daarvan was ook sprake ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. De psycholoog heeft geconcludeerd dat verdachte moeite heeft om zijn emoties te reguleren en daardoor onvoorspelbaar in zijn gedrag kan zijn. Verdachte beschikt daarnaast over onvoldoende coping vaardigheden om op adequate wijze te kunnen reageren. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog schat het recidiverisico als matig tot hoog in en, bij het voortbestaan van de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 2] , als hoog. De rechtbank kan zich verenigen met de conclusies van de deskundige en neemt deze over.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheden dat verdachte in verminderde mate toerekenbaar is, zijn intelligentieniveau laag tot zwak is en dat er geen sprake is van blijvend fysiek letsel bij [slachtoffer 1] .

Gezien de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van enige duur passend is. Vanwege verdachtes intelligentieniveau en zijn persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om een aanzienlijk deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Hierdoor zal er voor verdachte een grotere prikkel zijn zich aan de door de reclassering voorgestelde voorwaarden te houden. Bovendien kan de begeleiding die verdachte – ook na zijn detentie – nog nodig zal hebben ter vermindering van het recidiverisico goed van de grond komen. Alles overwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven mes (goednummer PL0600-2016636834-1333305), met behulp waarvan de poging doodslag is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de na te melden voorwerp aan de rechthebbende, nu niet is komen vast te staan dat verdachte de door hem gepleegde feiten met behulp van het inbeslaggenomen mes (goednummer PL0600-2016636834-1333297) heeft gepleegd.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 7.973,90 (de rechtbank begrijpt: € 7.973,09) bestaande uit € 5.523,00 ter zake van materiële schade en € 2.450,09 ter zake van immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft de rechtbank verzocht waar nodig gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. De vordering die de benadeelde partij naar slachtofferhulp heeft gestuurd is in het ongerede geraakt en niet alle kopieën zijn gevonden en alsnog ingediend. Bij toewijzing van de vordering verzoekt de officier van justitie tevens om toekenning van de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw om afwijzing van de vordering verzocht, omdat de vordering niet nader onderbouwd is.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde poging tot doodslag tot een bedrag van € 378,00 aan materiële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. Wat betreft het meer gevorderde aan materiële schade. Bij gebreke aan een onderbouwing daarvan is nader onderzoek vereist. Dat levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De benadeelde partij zal daarom voor dit deel niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn vordering. Hij kan dus dit deel van zijn vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Voorts is aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De vordering van € 2.450,09 is voor toewijzing vatbaar, nu het gevorderde bedrag billijk is gelet op de aard van het misdrijf en de gevolgen ervan voor de benadeelde partij.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De gevorderde en toegewezen rente is daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 31 december 2016.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

- zich binnen 5 dagen na zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling zal melden bij de reclassering, zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende zijn proeftijd vanuit behandeloptiek passend en vanuit veiligheidsoptiek noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] , wonende te [adres] te [woonplaats 2] ), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen voor zijn emotieregulatie en zijn copingsvaardigheden bij forensische psychiatrische polikliniek Kairos te Arnhem, of soortgelijke ambulante zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering. Verdachte zal zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- zal meewerken aan een traject richting het RIBW of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, er te verblijven wanneer er een geschikte plek is gevonden en zich dan te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Ten aanzien van het beslag

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een mes (goednummer PL0600-2016636834-1333305);

 gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan veroordeelde, te weten: een mes (goednummer PL0600-2016636834-1333297);

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 2.828,09 (tweeduizendachthonderdachtentwintig euro en negen eurocenten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 2.828,09 (tweeduizendachthonderdachtentwintig euro en negen eurocenten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 38 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.P.M. Kester (voorzitter), mr. J.M. Hamaker en mr. S.A. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juli 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016636984, onderzoek ON4R016175-BUUR, gesloten op 7 februari 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aangifte, p. 27-29; een schriftelijk bescheid, zijnde een letselinterpretatie betreffende slachtoffer van een misdrijf d.d. 28 maart 2017, opgemaakt door R.C.A. Santing, forensisch arts FMG; verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 juni 2017.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 153-162; verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 juni 2017.

4 Een schriftelijk bescheid, zijnde een letselinterpretatie betreffende slachtoffer van een misdrijf d.d. 28 maart 2017, opgemaakt door R.C.A. Santing, forensisch arts FMG, p. 3-4.

5 Proces-verbaal aangifte, p. 24; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 201; verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 juni 2017.

6 Proces-verbaal aangifte, p. 24-25.

7 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 juni 2017.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 205.