Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3488

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3036
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijnvarende. Regularisatieverzoek. Beroep gegrond. Verweerder heeft het verzoek tot regularisatie niet mogen afwijzen met de motivering dat eiser had kunnen weten dat hij in Nederland premieplichtig was. De brief van de Belastingdienst die verweerder aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd is onvoldoende duidelijk om te kunnen concluderen dat eiser dit had moeten weten. Ook heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het eiser duidelijk kon zijn dat de premieafdracht het resultaat is van het doelbewust creëren van een formele werkelijkheid die afwijkt van de materiële werkelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/3036

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2017

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J. van Dam),

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Minister en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag inzake de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg (regularisatie) in de periode 24 juli 2009 tot en met 31 december 2010 afgewezen.

Bij besluit van 7 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2017. De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weert.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiser heeft van 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007 en van 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009 en het jaar 2010, in dienst van [Bedrijf A] , gevestigd te Luxemburg, gevaren op [Schip A] . [Schip A] is een binnenvaartschip behorende tot de Rijnvaart. De eigenaar van het schip en tevens de exploitant is [Bedrijf B] , gevestigd te [plaats] . Voor eiser zijn in Luxemburg premies afgedragen. Ter voorkoming van het betalen van dubbele premies heeft eiser verweerder verzocht te bepalen dat hij in de jaren 2007, 2009 en 2010 uitsluitend verzekerd is geweest voor de sociale verzekeringswetgeving van Luxemburg en dat hij over die jaren geen sociale verzekeringspremies in Nederland verschuldigd is.

1.2

Het regularisatieverzoek met betrekking tot de periode van 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007 is, met goedkeuring van de Luxemburgse autoriteit, door verweerder gehonoreerd. In deze periode is op eiser de sociale verzekeringswetgeving van Luxemburg van toepassing verklaard. Over de periodes van 14 november 2007 tot en met 31 december 2007 en 1 januari 2009 tot en met 23 juli 2009 heeft de Belastingdienst eiser vrijstelling verleend van het betalen van sociale verzekeringspremies.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld - voor zover van belang - dat op eiser van 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009 en in het jaar 2010 de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is. Voorts heeft verweerder het verzoek tot regularisatie ten aanzien van deze periode afgewezen. Aan deze afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser in ieder geval vanaf 5 september 2007 had kunnen onderkennen dat hij premieplichting was in Nederland. Ondanks deze wetenschap is eiser doorgegaan met premiebetaling in Luxemburg in plaats van in Nederland. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op de Beleidsregels SVB van 30 april 2014, gepubliceerd op 12 mei 2014.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Volgens eiser is het standpunt van verweerder dat eiser vanaf 5 september 2007 had kunnen onderkennen dat hij premieplichting was in Nederland onbegrijpelijk en niet deugdelijk gemotiveerd. Op onderdelen van het gestelde zal de rechtbank - voor zover nodig - in het navolgende ingaan.

4. Het relevante wettelijke kader.

Tot 1 mei 2010

4.1

In dit geding is op grond van artikel 7, tweede lid, onder a, van Verordening (EEG) 1408/71 (Vo 1408/71) het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (hierna: het Rijnvarendenverdrag) van toepassing gedurende het tijdvak voorafgaand aan 1 mei 2010. In dit artikellid is bepaald dat ongeacht het bepaalde in artikel 6 van Vo 1408/71 het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft en dit artikellid is ingevolge artikel 87, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) van toepassing gebleven op tijdvakken gelegen vóór 1 mei 2010. Ingevolge artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag is op rijnvarenden niet, althans niet gelijktijdig, de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van meer dan één Staat. Verder is op grond van de in dit artikel opgenomen aanwijsregels de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van de Staat waar volgens de Rijnvaartverklaring de exploitant van het schip, waarop de rijnvarende arbeid verricht, gevestigd is. Ingevolge artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag kunnen de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten – al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die kan uitmonden in het maken van uitzonderingen op de toepassing van de aanwijsregels van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag.

Vanaf 1 mei 2010

4.2

Voor het tijdvak vanaf 1 mei 2010 is in dit geding van toepassing de Rijnvarendenovereenkomst (Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 betreffende de vaststelling van op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004, Stcrt. 25 februari en 7 maart 2011, nr. 3397). In artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is een zelfde regeling opgenomen als in artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag en voor uitzonderingen op de toepassing van dit artikel voorziet artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 in een zelfde soort regeling als artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag. In Vo 883/2004 is niet een voorrangsregel voor het Rijnvarendenverdrag opgenomen.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1

Mede onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad voor Beroep (CRvB) van 9 september 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3578) moet allereerst, ambtshalve, worden vastgesteld dat in de periode tot 1 mei 2010 de Minister is aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit om te beslissen op een verzoek tot regularisatie. Het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank van 4 oktober 1995 voorziet niet nadrukkelijk in een geldig mandaat van de Minister aan verweerder om besluiten als het primaire en het bestreden besluit te nemen. De Minister heeft bij brief van 15 december 2016 evenwel de in deze zaak bestreden besluiten bekrachtigd en voor zijn rekening genomen en heeft verweerder gemachtigd om hem rechtsgeldig te vertegenwoordigen bij de behandeling van het beroep. Nu eiser door het bevoegdheidsgebrek niet is benadeeld zal met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht aan dit gebrek geen gevolg worden verbonden voor de geldigheid van het bestreden besluit. Waar hierna wordt gesproken over verweerder, wordt zowel verweerder als de Minister bedoeld.

5.2

Uit het bepaalde in artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag en artikel 4, tweede lid, juncto artikel 1, aanhef en onder a en c, van de Rijnvarendenovereenkomst, volgt dat, aangezien het schip waarop eiser ten tijde in geding werkte werd geëxploiteerd door een in Nederland gevestigd bedrijf, op eiser van 24 juli 2009 tot en met 31 december 2010 de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing was. Eiser heeft daarom een verzoek tot regularisatie ingediend, dat door verweerder is afgewezen omdat eiser had kunnen weten dat hij in Nederland premieplichtig was.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek tot regularisatie echter niet heeft mogen afwijzen omdat eiser had kunnen weten dat hij in Nederland premieplichtig was. De brief van de Belastingdienst van 5 september 2007, waarop verweerder die wetenschap baseert, is onvoldoende duidelijk om te kunnen concluderen dat eiser dit had moeten weten. De rechtbank leest in deze brief dat de Belastingdienst heeft geconstateerd dat eiser over het jaar 2004 sociaal verzekerd is in Nederland, maar dat de Belastingdienst ervan uitgaat dat de ten onrechte aangenomen sociale verzekeringspositie in Luxemburg zal worden gelegaliseerd. De rechtbank is van oordeel dat deze formulering geen aanknopingspunten biedt voor verweerders standpunt dat eiser had moeten weten dat hij over de periode hier in geding (tweede helft 2009 en 2010) in Nederland verzekerd en dus premieplichtig was. De enkele zinsnede in de brief dat eiser geen rechten kan ontlenen aan de vrijstelling voor het belastingjaar 2005 en de daaropvolgende jaren, geeft hiervoor ook geen aanknopingspunten. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat de in geding zijnde (Europese) wetgeving complex is. Voorts is het regularisatieverzoek van eiser met betrekking tot de periode 1 januari 2007 tot en met 13 november 2007, met goedkeuring van de Luxemburgse autoriteit, wel door verweerder gehonoreerd en heeft de Belastingdienst eiser over de periodes van 14 november 2007 tot en met 31 december 2007 en 1 januari 2009 tot en met 23 juli 2009 vrijstelling verleend van het betalen van sociale verzekeringspremie.

Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de premieafdracht het resultaat is van het door [Bedrijf A] en [Bedrijf B] doelbewust creëren van een formele werkelijkheid die afwijkt van de materiële werkelijkheid kan het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank geen stand houden, nu verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit eiser duidelijk kon zijn. Er is immers niet alleen vereist dat er sprake is van een constructie, maar ook dat eiser dit wist of kon weten. Hiervan is op geen enkele wijze gebleken.

6. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, aangezien verweerder voor het sluiten van een regularisatieovereenkomst in overleg dient te treden met het bevoegde Luxemburgse orgaan. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

7. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden.

7.1

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelduur te rechtvaardigen.

7.2

Volgens vast jurisprudentie mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

7.3

Voor deze zaak betekent dit het volgende. Het bezwaarschrift van eiser is op 12 november 2014 per fax verzonden. Heden wordt uitspraak gedaan, zodat de procedure ongeveer 32 maanden heeft geduurd. De rechtbank stelt vast dat ingevolge de hiervoor aangehaalde vaste jurisprudentie, de redelijke termijn derhalve met (afgerond) 8 maanden is overschreden.

7.4

De beroepsprocedure bij de rechtbank heeft minder dan anderhalf jaar geduurd. De bezwaarprocedure heeft - gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 12 november 2014 tot het bestreden besluit op 7 april 2016 bijna 17 maanden geduurd, zodat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval geheel moet worden toegerekend aan de bezwaarfase en dus aan verweerder.

7.5

Uitgaande van een overschrijding van de redelijke termijn van in totaal 8 maanden, heeft eiser recht op een bedrag van € 1.000,- schadevergoeding. Van bijzondere omstandigheden die een verhoging of verlaging van de schadevergoeding rechtvaardigen, is de rechtbank niet gebleken. Verweerder zal dit bedrag aan eiser moeten vergoeden.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.000,-;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en

mr. T.A. Willems-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 5 juli 2017

Griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.