Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3446

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
05/720228-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft een 26-jarige man veroordeeld in verband met een poging tot doodslag op zijn partner. De man heeft uit jaloezie op korte afstand met een vuurwapen zijn partner door het hoofd geschoten. De rechtbank volgt het verweer niet dat sprake was van een worsteling of dat sprake was van een ongeluk. Een dergelijk feit kan slechts met een gevangenisstraf van meerdere jaren worden afgedaan. De rechtbank houdt meer dan de officier van justitie rekening met de persoonlijke omstandigheden van de man. Hij is opgegroeid in een crimineel milieu en heeft in de loop van zijn leven veel nare ervaringen met de hulpverlening opgedaan. In zijn omgeving wordt ook negatief gedacht over justitie. Desondanks heeft verdachte besloten dat hij zijn leven een andere wending wil geven en heeft hij daartoe het contact met zijn familie (deels) verbroken. Ook heeft hij meegewerkt aan gedragskundige rapportages en is hij bereid mee te werken aan een klinische behandeling. De man is verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank heeft de man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Een klinische behandeling van de man is noodzakelijk. Gelet op zijn psychische problematiek, het hoge gevaar op recidive op agressief gedrag en de beschreven moeilijkheid voor de man om zich aan afspraken te houden, heeft de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling onder voorwaarden opgelegd en niet bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel. Op deze wijze is gegarandeerd dat de man, ook bij niet-naleving van de voorwaarden, klinisch zal worden behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720228-16

Datum uitspraak : 4 juli 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem-Zuid te Arnhem,

raadsman: mr. B. de Pree, advocaat te Amersfoort.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

18 oktober 2016, 3 januari 2017, 21 februari 2017 en 20 juni 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 14 juli 2016 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, rijdend in een personenauto met voornoemde [slachtoffer] naast hem gezeten, met een vuurwapen een kogel in/op het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] heeft

geschoten/afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij op of omstreeks 14 juli 2016 te Nijmegen, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten een inschot(/projectiel) in het hoofd, heeft toegebracht door rijdend in een personenauto, met voornoemde [slachtoffer]

naast hem gezeten, met een vuurwapen een kogel in/op het hoofd/gezicht van die

[slachtoffer] heeft geschoten/afgevuurd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 14 juli 2016 was verdachte samen met [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) rijdend in een auto te Nijmegen. Al rijdend heeft verdachte op enig moment een vuurwapen gepakt. Vanuit dit vuurwapen is een kogel afgevuurd, welke in het hoofd van het slachtoffer is terecht gekomen.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Verdachte had opzet op het doden van het slachtoffer, minst genomen in voorwaardelijke vorm.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde en daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke vorm, op het doden van het slachtoffer dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij niet wist dat het wapen geladen was en dat het wapen werkte. Met zijn handelen had verdachte enkel de bedoeling te dreigen. Hij wilde het slachtoffer niet verwonden. Ook het slachtoffer heeft verklaard dat zij denkt dat verdachte haar alleen wilde bedreigen om haar te laten schrikken. Na het feit is verdachte in paniek geraakt en heeft hij ervoor gezorgd dat het slachtoffer medische zorg zou krijgen. Dit is eveneens een contra-indicatie voor de aanwezigheid van opzet.

Subsidiair, mocht de rechtbank wel opzet aanwezig achten, heeft de verdediging aangevoerd dat veeleer sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Zwaar lichamelijk letsel is een lichter gevolg dan de dood en aan de vereisten voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wordt dan ook eerder voldaan. Het gebruik van een wapen noopt er niet toe dat moet worden uitgeweken naar doodslag.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij niet wist dat het wapen geladen was en dat, toen hij het vuurwapen in zijn hand pakte, hij en het slachtoffer nog met elkaar aan het vechten waren. Hij richtte het wapen op het slachtoffer, op haar buik. De worsteling ging door en opeens hoorde verdachte dat het wapen afging.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ervan uitging dat het wapen niet functioneerde.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaringen van verdachte, gelet op de overige bewijsmiddelen in het dossier, als aannemelijk kunnen worden aanvaard en overweegt daartoe als volgt.

Worsteling en richten op de buik

Het slachtoffer heeft verklaard dat, nadat verdachte haar met de auto had opgehaald, hij haar mobiele telefoon pakte om te controleren of zij vreemd was gegaan. Hij keek in de telefoon en zag dat de geschiedenis was gewist. Toen werd hij heel boos en het slachtoffer zag dat verdachte het wapen pakte. Hij dreigde ermee dat, als zij vreemd was gegaan, hij het zou gebruiken. Hij richtte het wapen meteen op het slachtoffer en bleef het op haar richten. Het slachtoffer probeerde rustig te blijven om verdachte te kalmeren. Vervolgens heeft verdachte één keer geschoten.3 In een aanvullend verhoor heeft het slachtoffer verklaard dat geen sprake was van een worsteling. Er was wel een woordenwisseling. Verder heeft zij verklaard dat zij kort voor en tijdens het schieten rechtop zat en vooruit keek. Verdachte was boos en keek naar haar.4

Deze verklaringen van het slachtoffer vinden bevestiging in de bevindingen van de forensisch radioloog. Deze radioloog heeft naar aanleiding van vragen over de schotbaan onder andere het volgende gerapporteerd. Het traject (de schietrichting) verloopt van de linkerslaap, door de rechteroogkas, door het zeefbeen naar een projectiel in de rechteroogkas. Het verloopt van links naar rechts, iets van boven naar beneden en iets van achter naar voor. Er is een opvallende weke delen zwelling op de linkerslaap. Dit is mogelijk veroorzaakt door een korte afstand tussen de loop en de huid ten tijde van het toebrengen van het letsel.5

In de situatie waarbij een schutter op de bestuurderszijde van een auto en het slachtoffer op de bijrijdersstoel zit, moet deze schutter om het slachtoffer in diens linkerslaap te raken, waarbij de kogel van boven naar beneden gaat, het pistool op een aanzienlijk hogere positie gericht houden, dan indien de schutter op de buik richt, zoals verdachte heeft verklaard. Ook de mogelijke korte afstand tussen loop en de huid (van de linkerslaap) past niet bij het richten op de buik. De rechtbank acht daarom onaannemelijk dat verdachte slechts op de buik van het slachtoffer heeft gericht.

Gelet op de voornoemde forensische bevindingen kan verdachte evenmin worden gevolgd in zijn verklaring dat sprake was van een worsteling waarin het schot is gelost. Niet valt in te zien dat verdachte al rijdende en terwijl het slachtoffer zich zou verzetten tegen een dreiging met een wapen, zijn wapen op de benodigde hoge positie kon brengen. Daarbij is niet aannemelijk dat in een dergelijke worsteling zowel het slachtoffer als verdachte rechtop hebben gezeten.

Verdachte heeft ter terechtzitting zelf ook verklaard dat hij en [slachtoffer] tijdens het schot recht overeind zaten. Hij heeft het wapen uit de console gehaald en het op het slachtoffer gericht. Hij is op de weg gaan letten en hoorde toen een klap. Iets later beseft hij dat het wapen is afgegaan.6 Deze verklaring past naar het oordeel van de rechtbank bij de verklaring van het slachtoffer dat er, in ieder geval ten tijde van het schot, geen sprake was van een worsteling.

De rechtbank zal er dan ook vanuit gaan dat er ten tijde van het lossen van het schot geen sprake was van een fysieke worsteling, dat het slachtoffer op dat moment (rustig) rechtop heeft gezeten, dat verdachte het wapen heeft gepakt en heeft gericht op het hoofd van het slachtoffer, waarna het wapen is afgegaan.

Het wapen

De rechtbank volgt verdachte evenmin in zijn (ter terechtzitting afgelegde) verklaring dat hij ervan uitging dat het wapen niet functioneerde en dat hij niet wist dat het wapen geladen was.

Verdachte heeft verklaard dat hij het wapen had gekocht om zich te beschermen in verband met (criminele) zaken in het verleden en dat hij het na zijn aangifte van een gestolen ketting weer uit het schuurtje had gepakt. Hierbij past niet dat verdachte ervan uit ging dat hij een niet functionerend wapen bij zich had. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij het wapen eens in het bos had getest. Dit past niet bij zijn verklaring tegenover de politie dat het wapen weliswaar omgebouwd is, maar minder effect zou moeten hebben.7 Dat verdachte er vanuit ging dat het wapen niet functioneerde, past bovendien niet bij zijn verklaring dat het risicovol was om een pistool in je auto te hebben.8

Opmerkelijk acht de rechtbank ook dat verdachte de verklaring, dat hij ervan uitging dat het wapen niet zou functioneren, niet ook tegenover de politie heeft afgelegd. Dat was immers het moment waarop hij stelde schoon schip te willen maken. De wetenschap van het al dan niet functioneren van een wapen, waarmee uiteindelijk is geschoten, kan immers van wezenlijk belang zijn voor de vraag naar het al dan niet opzettelijk handelen.9 Dit doet (verder) afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden ten aanzien van het functioneren van het wapen, acht de rechtbank eveneens ongeloofwaardig de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat het wapen geladen was. Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij het wapen in het verleden eens heeft geladen10, terwijl hij niet heeft aangegeven dat het wapen in de periode gelegen tussen dit laden en het schietincident van kogels was ontdaan.

Concluderend volgt de rechtbank verdachte niet in zijn verklaring dat hij ervan uitging dat het wapen niet functioneerde en niet geladen was.

Opzet

Met de officier van justitie en de verdediging komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde voorbedachte rade. Van dat deel zal verdachte worden vrijgesproken. Voor het overige overweegt de rechtbank met betrekking tot het opzet als volgt.

Het slachtoffer heeft verklaard dat de relatie met verdachte met ups en downs ging. Naast mooie momenten hadden zij heel veel ruzie. Op de avond van 14 juli 2016 is er een ruzie ontstaan tussen hen door jaloezie. Verdachte was zo boos omdat hij dacht dat ze vreemd zou gaan. Hij was boos, super boos.11

In de telefoon van verdachte is een WhatsApp-bericht van 14 juli 2016 om 00:54:58 uur gevonden waarin verdachte naar het slachtoffer het bericht stuurt: “maak je dood hw”.12

Voordat verdachte het slachtoffer ophaalde, hebben zij telefonisch contact gehad. Toen het slachtoffer opnam, hoorde ze dat verdachte link was. Het slachtoffer was bang voor verdachte. Verdachte kwam het slachtoffer ophalen. Het slachtoffer hoorde verdachte zeggen dat “het” vanavond zou gaan gebeuren.13

Omstreeks 01.00 uur die dag heeft verdachte het slachtoffer opgehaald met de auto. Onderweg naar huis ontstond een conflict en zag verdachte dat het slachtoffer haar geschiedenis uit haar telefoon had gewist. Verdachte was jaloers en bang om haar kwijt te raken. Vervolgens heeft hij het wapen gepakt.14

Hierna is een schot gelost en is het slachtoffer in haar hoofd geraakt. Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een worsteling en verdachte de enige was die het wapen heeft gehanteerd, houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte de trekker heeft overgehaald en daarmee het schot heeft gelost.

Gelet op voorgaande overwegingen stelt de rechtbank vast dat verdachte, terwijl hij jaloers en erg boos was, op korte afstand het wapen op het hoofd, ter hoogte van de linkerslaap, van het slachtoffer heeft gericht en een schot heeft gelost. Dit brengt een aanmerkelijke kans met zich dat het slachtoffer dodelijk wordt verwond. Naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm kunnen de genoemde gedragingen, in onderlinge samenhang bezien, worden geduid als zozeer te zijn gericht op het dodelijk verwonden van het slachtoffer dat het niet anders kan dat dat verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat bedoeld gevolg zou intreden en hij deze kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard.

De verdediging heeft nog gewezen op het handelen van verdachte na het feit, zoals zijn paniek, spijtbetuigingen en het inschakelen van medische hulp. Hierover overweegt de rechtbank tot slot nog als volgt. Uit het dossier, waaronder de verklaringen van het slachtoffer, komt wel naar voren dat verdachte direct na het geloste schot hevig geëmotioneerd en in paniek was en dat hij inderdaad direct met haar naar het ziekenhuis is gereden. Dit past echter bij de situatie dat verdachte erg geschrokken was van wat hij zojuist had gedaan en dat hij niet wilde dat het slachtoffer zou sterven, maar dat betekent niet dat het schieten op het slachtoffer hem niet in de hiervoor weergegeven zin kan worden aangerekend.

Concluderend komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot doodslag.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

primair

hij op of omstreeks 14 juli 2016 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, rijdend in een personenauto met voornoemde [slachtoffer] naast hem gezeten, met een vuurwapen een kogel in/op het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] heeft

geschoten/afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde poging tot doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Tevens dient verdachte te worden veroordeeld tot de maatregel van terbeschikkingstelling met de voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor een lagere gevangenisstraf dan gevorderd door de officier van justitie. Daarvoor heeft de verdediging gewezen op uitspraken van andere rechtbanken. Er zou niet meer dan vier jaren gevangenisstraf opgelegd dienen te worden. Dit ook omdat de voorgestelde bijzondere voorwaarden ook opgelegd kunnen worden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel. Zowel de reclassering als de rapporterende psycholoog hebben gesteld dat een voorwaardelijk strafdeel voldoende kan zijn. Zeker omdat er in de beginfase een klinische behandeling zou plaatsvinden, is het niet nodig dat de overige behandeling in het kader van een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden zal plaatsvinden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 9 mei 2017;

- reclasseringsrapporten, gedateerd 5 oktober 2016, 14 februari 2017 en 7 juni 2017;

- een multidisciplinair rapport van drs. [naam 1] , GZ-psycholoog, gedateerd 23 december 2016, en van [naam 2] , psychiater, gedateerd 12 december 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte simpelweg uit jaloezie op korte afstand met een vuurwapen zijn partner door het hoofd heeft geschoten. Het is niet de verdienste van verdachte en het mag als een wonder bestempeld worden dat het slachtoffer niet dodelijk is getroffen. Zij is echter wel door dit handelen van verdachte grotendeels haar zicht verloren. Doordat de kogel nog altijd (voelbaar) in haar hoofd zit, wordt zij nog altijd aan het feit herinnerd. Weliswaar heeft verdachte nadien voor medische zorg gezorgd, maar dit doet niet af aan de ernst van dit gepleegde levensdelict.

Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijk feit slechts met een gevangenisstraf van meerdere jaren worden afgedaan. Hoewel de eis van de officier van justitie in beginsel passend en op zijn plaats is, zal de rechtbank meer dan de officier van justitie rekening houden met het gegeven dat verdachte van ver komt. Verdachte is opgegroeid in een crimineel milieu en heeft in de loop van zijn leven veel nare ervaringen met de hulpverlening opgedaan. In zijn omgeving wordt ook negatief gedacht over justitie. Desondanks heeft verdachte besloten dat hij zijn leven een andere wending wil geven en heeft hij daartoe het contact met zijn familie (deels) verbroken. Daarnaast heeft hij, in weerwil van zijn eerdere negatieve ervaringen met de hulpverlening, meegewerkt aan het opstellen van de gedragskundige rapportages en ook aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een klinische behandeling. De rechtbank vindt verdachte geloofwaardig in zijn wens om zijn leven een andere wending te geven en vindt het van belang dat verdachte gemotiveerd is en zal blijven om aan zijn behandeling mee te werken.

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Over verdachte is door een psycholoog en een psychiater gerapporteerd, zoals hiervoor vernoemd. Uit deze rapporten komt, samengevat weergegeven, naar voren dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Bij verdachte is sprake van pathologisch gokken en van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline en narcistische trekken. Daarbij zijn er aanwijzingen van psychopathie. Deze psychische problematiek was aan de orde ten tijde van het tenlastegelegde. Het bewezenverklaarde kan deels vanuit de pathologie van verdachte worden verklaard. De rechtbank zal, in lijn met het advies van de deskundigen, rekening houden met een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid.

Zowel de NIFP-psychiater als de NIFP-psycholoog hebben gerapporteerd dat het gevaar op recidive door verdachte als hoog wordt ingeschat, indien hij niet voor zijn problematiek wordt behandeld. Een klinische behandeling is aangewezen, gevolgd door een nazorgtraject via een ambulante behandeling. Deze conclusies neemt de rechtbank over.

De rapporteurs verschillen van mening over het kader waarbinnen de behandeling van verdachte moet vorm krijgen. De psychiater heeft geadviseerd dat, gelet op de noodzaak tot behandeling, de ernst van het tenlastegelegde, het hoge recidivegevaar en het beperkte ziekte-inzicht, de maatregel van terbeschikkingstelling aangewezen is. Omdat verdachte gemotiveerd is om mee te werken aan een behandeling, zou een terbeschikkingstelling met voorwaarden een optie kunnen zijn.

De psycholoog heeft gesteld dat enerzijds de maatregel van terbeschikkingstelling te rechtvaardigen is. Dit nu het gaat om een moeilijk te behandelen pathologie bij een ernstig delict en een als hoog ingeschat recidiverisico. Het risico dat met verdachte geen/onvoldoende afspraken kunnen worden gemaakt over de voorwaarden binnen het tbs-kader is echter groot. Op dat moment zou de dwangverpleging resteren en dat acht de psycholoog een brug te ver. Het is dan te overwegen de behandeling te laten plaatsvinden binnen een voorwaardelijk strafdeel. Ter terechtzitting heeft de psycholoog toegelicht dat verdachte een belaste voorgeschiedenis kent en in die zin toch van ver is gekomen. Verder heeft de psycholoog minder positieve ervaringen met omzettingen van tbs-maatregelen met voorwaarden naar tbs met dwangverpleging. Dit heeft bijgedragen aan de keuze niet een tbs-maatregel te adviseren.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf dat gevaar oplevert voor de veiligheid van personen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Dat (klinische) behandeling noodzakelijk is staat wel vast. De vraag is of dit dient plaats te vinden in het kader van een tbs met voorwaarden of in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Het belangrijkste verschil is daarin gelegen dat bij het niet naleven van de voorwaarden verdachte in de ene situatie in een tbs-kliniek zal worden opgenomen en in de andere situatie de voorwaardelijke gevangenisstraf zal moeten uitzitten. Dit laatste zou inhouden dat verdachte uiteindelijk onbehandeld weer op straat zal kunnen komen te staan.

De psychiater heeft geadviseerd tot een behandeling binnen het kader van een tbs met voorwaarden. Gelet op de ernst van het feit, de beschreven complexiteit van het ziektebeeld van verdachte, het hoge gevaar op recidive in agressief gedrag en de beschreven moeilijkheid voor verdachte zich te houden aan opgelegde afspraken, en gelet op voornoemd advies van de psychiater, is de rechtbank van oordeel dat de behandeling in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling dient plaats te vinden. De bescherming van de samenleving tegen mogelijke recidive van verdachte, die zonder behandeling als hoog wordt ingeschat, moet prevaleren boven de wens van verdachte dat zijn behandeling niet in een tbs-kader zal plaatsvinden.

Daarnaast is de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar op zijn plaats is. Dat betekent dat er geen ruimte is voor een voorwaardelijk strafdeel waaraan de bijzondere voorwaarden gekoppeld zouden moeten worden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opleggen. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van de door de reclassering voorgestelde en hierna op te leggen bijzondere voorwaarden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 37a, 38, 38a, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de terbeschikkingstelling de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde:

  1. veroordeelde zal zich, op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling, laten opnemen in FPK De Woenselse Poort te Eindhoven of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij betrokkene zich zal houden aan de aanwijzingen die hem/haar in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven, ook indien dit inhoudt zich houden aan medicatievoorschriften, zolang de
    (geneesheer-)directeur dit nodig acht;

  2. veroordeelde zal, aansluitend aan de klinische opname, meewerken aan een vervolgtraject dat is gericht op begeleid wonen, maatschappelijke opvang dan wel een andere vorm van huisvesting, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zal in die woonvorm verblijven en zal zich houden aan het (dag-) programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit nodig acht;

  3. veroordeelde zal, aansluitend aan de klinische opname, meewerken aan een ambulant vervolgtraject bij een forensische polikliniek of een instelling voor verslavingszorg of soortgelijk ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, ook indien dit inhoudt zich houden aan medicatievoorschriften, zolang de instelling/behandelaar dit nodig achten;

  4. indien de reclassering dit noodzakelijk acht, dient veroordeelde zijn medewerking te verlenen aan een traject dat is gericht op dagbesteding;

  5. veroordeelde verleent medewerking aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere, maar niet uitsluitend, in:

- medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of het ter inzage aanbieden van een geldig identiteitsbewijs (als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht) ten behoeve van het vaststellen van de identiteit;

- zich melden op afspraken bij de reclassering, zo vaak de reclassering dat nodig acht;

- zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te bewegen tot het naleven van de voorwaarden;

- medewerking verlenen aan huisbezoeken;

- inzicht geven aan de reclassering over de voortgang van begeleiding of behandeling door andere instellingen/hulpverleners;

- niet verhuizen of van adres veranderen zonder toestemming van de reclassering;

- medewerking verlenen aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;

6. veroordeelde dient zijn medewerking te verlenen aan het opmaken van de drie partijenovereenkomst, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

7. veroordeelde gaat akkoord met inzage in zijn financiën, indien gewenst door de reclassering;

8. indien er sprake is van een crisissituatie werkt veroordeelde mee aan een time-out c.q. crisis (FPT)-plaatsing in een FPC of een andere soortgelijke instelling. De reclassering zal hierbij een opdracht verstrekken aan het Forensisch Psychiatrisch Loket (FPL) teneinde het vervoer (DV&O) te realiseren;

9. veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

10. veroordeelde begeeft zich niet zonder toestemming buiten de Europese landsgrenzen van Nederland. Betrokkene overlegt hierover vooraf met de reclassering, het Openbaar Ministerie (OM)/Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) beslist;

11. veroordeelde verleent medewerking aan het verstrekken van een actuele foto aan de reclassering ten behoeve van eventuele opsporing;

12. veroordeelde houdt zich met betrekking tot zijn gokproblematiek aan de richtlijnen van de reclassering, ook als dit volledige abstinentie inhoudt;

13. veroordeelde verleent zijn medewerking aan budgetbeheer indien van toepassing;

 geeft Reclassering Nederland opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en
mr. M.P. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juli 2017.

Mr. Van Hoof is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, districtsrecherche Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal met nummer BVH 2016347042, gesloten op 20 september 2016, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 62, en verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 februari 2017.

3 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer] , p. 62.

4 Proces-verbaal van (aanvullend) verhoor aangeefster [slachtoffer] , proces-verbaalnummer 161125.1100, p. 3 en 4.

5 Een rapport van Forensisch radiologisch onderzoek, opgesteld door prof. dr. [naam 3] , radioloog, d.d. 18 oktober 2016, p. 4 t/m 6.

6 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 februari 2017

7 Proces-verbaal van (aanvullend) verhoor verdachte, proces-verbaalnummer 161031.0949, p. 6.

8 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 februari 2017.

9 Proces-verbaal van (aanvullend) verhoor verdachte, proces-verbaalnummer 161031.0949, p. 4 en 5.

10 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 februari 2017.

11 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer] , p. 73 en proces-verbaal van (aanvullend) verhoor aangeefster [slachtoffer] , proces-verbaalnummer 161125.1100, p. 4.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 270.

13 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 43.

14 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 februari 2017.