Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3445

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-06-2017
Datum publicatie
03-07-2017
Zaaknummer
319231- KG ZA 17-197
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:9718, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering buitenlandse moedermaatschappij tot het staken van concurrerend handelen door Nederlandse ex-werknemer van Nederlandse dochtermaatschappij wegens

non-concurrentiebeding in aandeelhoudersovereenkomst met moedermaatschappij, toegewezen. Rechtskeuze aandeelhoudersovereenkomst buitenlands recht versus Nederlandse arbeidsrechtelijke regime artikel 7:653 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3535
JAR 2017/181
AR-Updates.nl 2017-0745
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/319231 / KG ZA 17-197 / 57/871

Vonnis in kort geding van 9 juni 2017

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales
CROSBY WORLDWIDE LIMITED,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Londen, Engeland

eiseres,

advocaten mr. J. Schulp en mr. L.H.F. Stuurop te Amsterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende te Bemmel,

verweerder,

advocaat mr. R.A.A. Duk te Den Haag.

Partijen zullen hierna Crosby en [verweerder] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de vrijwillige verschijning van partijen

  • -

    de conclusie van eis van Crosby met producties 1 tot en met 15

  • -

    het faxbericht van 26 mei 2017 namens [verweerder] met productie

  • -

    het faxbericht van 30 mei 2017 namens Crosby met productie 16

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 31 mei 2017

  • -

    de pleitnota van Crosby

  • -

    de pleitnota van [verweerder] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] is op 5 juni 2000 bij Inter Products B.V., handelend onder de naam CrosbyIP, in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functies van Product Manager Lifting Clamps en Commercial Manager EMEIA Lifting Clamps.
maakte vanaf 2008 ook onderdeel uit van het managementteam.

2.2.

CrosbyIP maakt onderdeel uit van The Crosby Group LLC, wereldwijd marktleider in de hijsindustrie.

2.3.

Op enig moment is personeel werkzaam voor The Crosby Group in staat gesteld een aandelenpakket te verwerven. Zo heeft [verweerder] 1200 aandelen Crosby verworven tegen een prijs van $ 5,00 er aandeel. Op 28 maart 2014 heeft [verweerder] daartoe een aandeelhoudersovereenkomst gesloten met Crosby die door [verweerder] is ondertekend. In deze overeenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen. Het artikel luidt als volgt:

1352. Confidential Information; Convenant Not to Compete; Convenant Not to Solicit.

(a) In consideration of the Company entering into this Agreement with the Management Shareholder, the Management Shareholder hereby undertakes that, without the Company’s prior written consent, the Management Shareholder shall not, directly or indirectly, either alone or in conjunction with or on behalf of any Person:

(i) (…)

(ii) at any time during the Management Shareholder’s employment or service with a Group Company and for a period of twenty four (24) months thereafter (or, if such period would not be enforceable under any Applicable Law, such shorter period as would be enforceable under such Applicable Law) as a proprietor, investor, director, officer, employee, substantial shareholder, consultant, or partner (whether individually or through any majortity-owned entity), compete with the business, from time to time, of any Group Company or any of its controlled or controlling Affiliates (which business comprises the lifting, rigging and securement industry and any business entered into after the effective date of the Option Plan and before any Call Event) in any geografhic area where any Group Company creates, manufactures, produces, sells, leases , rent, licenses, or otherwise provides products or services (and for the avoidance of doubt, the Management Shareholder will be considered to so compete to the extent the Management Shareholder solicits suppliers, customers, client, agents or distributors of the Group in a manner which competes with any Group Company); (…)

Verder is in artikel 1346. van de aandeelhoudersovereenkomst bepaald dat het recht van de Staat New York daarop van toepassing is.

2.4.

Op 3 september 2014 heeft [verweerder] voor een amendement bij de aandeelhoudersovereenkomst van 28 maart 2014 getekend.

2.5.

Bij brief van 18 augustus 2016 heeft [verweerder] zijn arbeidsovereenkomst met CrosbyIP opgezegd tegen 1 oktober 2016. In een gesprek in september 2016 met zijn leidinggevende, [de heer Z] , heeft [verweerder] gezegd bij Spanset in dienst te zullen treden. Spanset is een klant van Crosby en geen concurrent van Crosby. Bij
e-mailbericht van 27 september 2016 aan zijn collega’s heeft [verweerder] nog eens bevestigd bij Spanset in dienst te zullen treden.

2.6.

[verweerder] is op 1 oktober 2016 bij het Duitse RUD Ketten Rieger & Dietz GmbH u. Co. KG (hierna: RUD) in dienst getreden. RUD is de grootste concurrent van Crosby. [verweerder] houdt zich bij RUD onder andere bezig met vermarkting van lifting clamps (hijsklemmen).

3 Het geschil

3.1.

Crosby vordert samengevat - veroordeling van [verweerder] , op verbeurte van een dwangsom, tot nakoming van het in de aandeelhoudersovereenkomst opgenomen
non-concurrentiebeding in die zin dat [verweerder] wordt geboden zijn werkzaamheden voor RUD met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden gedurende looptijd van voormeld beding, een en ander met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[verweerder] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu eisende partij, Crosby, een rechtspersoon is naar buitenlands recht gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

4.2.

De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 4 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012) nu de gedaagde, [verweerder] , woonplaats heeft in Nederland.

4.3.

Het spoedeisend belang bij de vordering vloeit voort uit de stellingen van Crosby.

4.4.

De centrale vraag die in dit kort geding voorligt is of Crosby [verweerder] kan houden aan het non-concurrentiebeding dat onderdeel uitmaakt van de tussen Crosby en [verweerder] gesloten aandeelhoudersovereenkomst. Bij de beoordeling van die vraag is tussen partijen in geschil welk recht van toepassing is.

4.5.

Volgens Crosby moet de vraag in hoeverre het non-concurrentiebeding rechtsgeldig is overeengekomen en in hoeverre [verweerder] aan dat beding gebonden is, worden beantwoord naar het recht van de Staat New York gelet op artikel 1346. uit de aandeelhoudersovereenkomst. Crosby heeft een Expert Opinion van [de heer Q] , advocaat in Amerika en onder andere praktijk uitoefenende in de Staat New York, overgelegd waaruit volgt dat een non-concurrentiebeding is toegestaan als de hierin opgenomen beperkingen ‘redelijk’ zijn. Beperkingen zijn redelijk indien deze: (i) nodig zijn om de gerechtvaardigde belangen van de werkgever te beschermen; (ii) redelijk zijn in duur en reikwijdte en niet onbillijk hard zijn voor de werknemer; en (iii) geen nadeel opleveren voor de maatschappij, aldus Crosby. Met toepassing van deze criteria komt Crosby tot de conclusie dat [verweerder] gehouden kan worden aan het non-concurrentiebeding dat hij overtreedt door bij RUD in dienst te treden.

4.6.

Namens [verweerder] is betoogd dat het non-concurrentiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst met daarbij een keuze voor het recht van de Staat New York, in de gegeven omstandigheden in strijd komt met de beschermingsgedachte van artikel 7:653 BW. Zeker nu het hier gaat om een arbeidsovereenkomst tussen een Nederlandse vennootschap en een Nederlandse werknemer, beide gevestigd in Nederland, waarbij geen sprake is van internationale aspecten. [verweerder] meent dat er geen ruimte is om ander recht dan Nederlands recht toe te passen en het antwoord op de vraag in hoeverre Crosby zich op het non-concurrentiebeding kan beroepen, moet volgens [verweerder] worden beoordeeld aan de hand van beschermende bepalingen in het Nederlandse arbeidsrecht zoals die van artikel 7:653 BW.

4.7.

De voorzieningenrechter onderkent dat het overeenkomen van een
non-concurrentiebeding in een aandeelhoudersovereenkomst tussen een buitenlandse moedermaatschappij van de werkgever en de werknemer, welk beding tot stand is gekomen in het kader van de mogelijkheid om als werknemer van een dochtermaatschappij een aandelenpakket te verwerven en welk beding de werknemer vervolgens beperkt in zijn mogelijkheid om na het einde van zijn arbeidsovereenkomst op bepaalde wijze werkzaam te zijn en waarbij een keuze is gemaakt voor de toepasselijkheid van het recht van de Staat New York, op gespannen voet staat met het op de onderhavige arbeidsovereenkomst tussen CrosbyIP en [verweerder] van toepassing zijnde Nederlandse arbeidsrechtelijke regime.

Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat de rechtskeuze in de aandeelhoudersovereenkomst met de moedermaatschappij buiten toepassing moet blijven noch dat het arbeidsrechtelijke regime dat de arbeidsovereenkomst tussen CrosbyIP en [verweerder] beheerst, onverkort zou moeten worden toegepast. Feit is immers dat het
non-concurrentiebeding niet tussen werkgever CrosbyIP en werknemer [verweerder] is overeengekomen als onderdeel van de arbeidsovereenkomst, als ook dat het beding in dit geval niet door de werkgever CrosbyIP is ingeroepen. Hoe die spanning tussen die twee zou moeten worden opgelost, kan in het kader van dit kort geding naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het midden blijven. Zoals hierna zal blijken, zal ook toepassing van het regime van artikel 7:653 BW niet in de weg staan aan de toewijsbaarheid van de vordering.

4.8.

In de eerste plaats moet worden geconstateerd dat de aandeelhoudersovereenkomst schriftelijk is aangegaan. In de aandeelhoudersovereenkomst, die met uitzondering van de handtekeningpagina’s uit 29 bladzijden bestaat, is het non-concurrentiebeding opgenomen. [verweerder] heeft deze aandeelhoudersovereenkomst ondertekend. Aannemelijk is dat [verweerder] voldoende tijd heeft gehad om kennis te nemen van de inhoud van die aandeelhoudersovereenkomst en zich daarbij te realiseren wat hij zou ondertekenen. [verweerder] voert weliswaar aan dat hij bij terugkomst van zijn vakantie maar een paar dagen de tijd heeft gehad om kennis te nemen van de inhoud van de overeenkomst die onderdeel uitmaakte van een totaalpakket van ongeveer 220 pagina’s, maar Crosby heeft ter zitting erop gewezen dat dit ongeveer vier weken is geweest, wat [verweerder] toen niet heeft weersproken. Dat [verweerder] de stukken inhoudelijk niet heeft bestudeerd alvorens die te ondertekenen, komt voor zijn risico. Bovendien staat onweersproken vast dat [verweerder] zeven maanden later, te weten op 3 september 2014 via een amendement nog een keer heeft getekend. Voor het schriftelijkheidsvereiste is niet vereist dat de werknemer specifiek wordt gewezen op het feit dat de ter ondertekening voorgelegde overeenkomst een

non-concurrentiebeding bevat, zoals [verweerder] betoogt. Evenmin is nodig dat de werknemer zich bij de ondertekening specifiek akkoord verklaart met het daarin opgenomen non-concurrentiebeding. Voldoende is, zoals hier, dat de werknemer het hem voorgelegde stuk waarin het non-concurrentiebeding duidelijk is opgenomen en waarvan hij kennis heeft kunnen nemen, heeft ondertekend. Dit betekent dat, ook indien het regime van artikel 7:653 BW zou worden toegepast, is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste.

4.9.

Vervolgens ligt voor of het non-concurrentiebeding wordt overtreden. In dat kader is het volgende van belang. [verweerder] heeft bij CrosbyIP in Ede gewerkt, het productiebedrijf voor hijsklemmen. Het was de primaire taak van [verweerder] om deze hijsklemmen te vermarkten, ook buiten Nederland en in het bijzonder in Duitsland. In dat verband onderhield [verweerder] contacten met distributeurs en bezocht hij beurzen. Daarnaast hield hij zich bezig met de samenstelling van verkoopmaterialen, presentaties en handleidingen. Tevens heeft [verweerder] in de tijd dat hij voor CrosbyIP werkte zitting gehad in het overkoepelende managementteam waarin ook de Belgische collega’s zitting hadden. Uit dien hoofde had [verweerder] te maken met de verkoopstrategieën meer in het algemeen, althans hij droeg hier in ieder geval in zekere mate kennis van.

4.10.

Verder is van belang dat [verweerder] per 1 oktober 2016 in dienst is getreden bij RUD. Vaststaat dat RUD een directe en de grootste concurrent is van Crosby in de hijsindustrie. Uit het door [verweerder] verklaarde ter zitting is gebleken dat RUD in juni 2016 het voornemen had om in hijsklemmen te gaan handelen. RUD was toen benaderd door een producent van hijsklemmen, J.C. Renfroe & Sons, die een andere partner zocht nadat zij haar afzetmarkt in Duitsland kwijtraakte omdat hun oorspronkelijke distributeur Pfeifer haar licentie had verloren. Naar eigen zeggen van [verweerder] is hij in diezelfde periode, juni of juli 2016, specifiek met het oog op dat voornemen door RUD benaderd om bij haar in dienst te treden. [verweerder] heeft verklaard dat zijn werkzaamheden bij RUD dienovereenkomstig zijn en daaruit bestaan dat hij het doen produceren en vermarkten van hijsklemmen in Duitsland opzet, in alle opzichten en in de ruimste zin van het woord. Ook is ter zitting gebleken dat Duitsland voor hijsklemmen de grootste afzetmarkt is voor Crosby terwijl RUD, voordat de plannen daartoe in 2016 ontstonden, zelf niet op die hijsklemmenmarkt in Duitsland actief was. Onder deze omstandigheden leidt het geen twijfel dat [verweerder] bij RUD concurrerend werkt op een wijze waarop het non-concurrentiebeding wordt overtreden en op een wijze die potentieel ernstig schadelijk kan zijn voor de belangen van Crosby, in ieder geval op de Duitse markt.

4.11.

[verweerder] heeft dit ter zitting gebagatelliseerd en aangegeven dat het niet de bedoeling is van RUD om Crosby van de Duitse markt te drukken. [verweerder] heeft erop gewezen dat RUD vanaf de komende herfst slechts twee versies hijsklemmen in vier tonnages wil gaan verkopen maar dat het programma hijsklemmen van Crosby veel breder en meer omvattender is. De voorzieningenrechter acht het echter geheel niet aannemelijk dat de concurrerende activiteiten van [verweerder] van ondergeschikte betekenis zijn. Het is veelzeggend dat RUD een werknemer van haar belangrijkste concurrent, Crosby, overhaalde om bij haar in dienst te treden met het oog op haar plannen om zelf de markt voor hijsklemmen te gaan betreden. Kennelijk verwachte RUD daarvan een groot voordeel bij het betreden van de hijsklemmenmarkt. Dat kan nauwelijks anders betekenen dan dat de knowhow van [verweerder] , die hij ten aanzien van hijsklemmen heeft opgedaan gedurende zijn langdurige dienstverband bij CrosbyIP, door RUD van bijzonder bruikbaar belang werd geacht. Reeds daarom acht de voorzieningenrechter het meer dan aannemelijk dat [verweerder] het non-concurrentiebeding in belangrijke mate overtreedt.

4.12.

Ook indien zou worden uitgegaan van toepasselijkheid van het regime van artikel 7:653 BW, ziet de voorzieningenrechter, vooruitlopend op de beoordeling in de bodemprocedure dienaangaande, geen grond voor een beperking van het
non-concurrentiebeding in duur of anderszins, zoals [verweerder] heeft betoogd. Een periode van twee jaar is op zichzelf betrekkelijk lang maar anderzijds moet niet uit het oog worden verloren dat [verweerder] al sinds oktober 2016 op concurrerende wijze bij RUD in dienst is en dat mitigatie van de duur tot één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst in feite betekent dat Crosby maar bescherming van een aantal maanden aan dat beding zou ontlenen. In aanmerking genomen de aard en de ernst van de overtreding en het feit dat [verweerder] bij beëindiging van zijn dienstverband bij CrosbyIP opzettelijk een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven, namelijk dat hij bij afnemer Spanset in dienst zou treden, en [verweerder] daarin ook heeft volhard, ziet de voorzieningenrechter geen goede grond voor beperking in duur.

4.13.

Voor het overige is niet gesteld of gebleken dat [verweerder] onevenredig wordt beperkt in zijn mogelijkheden om werk te vinden. Gelet op het bestaan van diverse afnemers van hijsklemmen zoals Spanset zijn er ook bedrijven te vinden in de hijsbranche die niet concurrerend zijn met Crosby. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat [verweerder] , gezien zijn kennis en ervaring op dat gebied, voor dergelijke bedrijven niet interessant zou zijn.

4.14.

Het voorgaande betekent dat wanneer de aandeelhoudersovereenkomst en het recht van de Staat New York worden toegepast, er aanleiding is om tot dit oordeel te komen en het oordeel van de voorzieningenrechter zou niet anders zijn als de maatstaf van artikel 7:653 BW zou worden toegepast. Gelet hierop levert de hiervoor onder 4.6. bedoelde spanning geen reden op om de vordering van Crosby geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

4.15.

De voorzieningenrechter wijst de vordering dan ook toe. Gezien de gang van zaken waarbij een werknemer wordt benaderd en ‘ingepikt’ om een miljoenenmarkt te betreden, is een dwangsom zoals gevorderd nodig als prikkel om overtreding van het

non-concurrentiebeding tegen te gaan.

4.16.

[verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Crosby worden begroot op:

- dagvaarding € 0,00

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.434,00

4.17.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [verweerder] tot nakoming van het in de aandeelhoudersovereenkomst opgenomen concurrentiebeding en gebiedt hem zich met onmiddellijke ingang te onthouden van elk doen en nalaten in strijd met dit beding en, meer in het bijzonder, zijn werkzaamheden voor RUD en of andere ondernemingen binnen de RUD Group met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden gedurende de resterende looptijd van dat beding, te weten tot 1 oktober 2018,

5.2.

veroordeelt [verweerder] om aan Crosby een dwangsom te betalen van € 100.000,00 indien hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, vermeerderd met € 25.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van in totaal € 1.500.000,00,

5.3.

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van Crosby tot op heden begroot op € 1.434,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [verweerder] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [verweerder] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2017.

Coll: PM