Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:3426

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
AWB 17/2888 en 17/2890
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking keuringsbevoegdheid en erkenning. Ondermijnen van het toezicht door een bedreigende situatie te creëren. Bewijswaardering. Toewijzing van het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/2888 en 17/2890

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [plaats 1],

[verzoeker] , te [plaats 2],

[verzoeker 2] te [plaats 1], verzoekers

(gemachtigde: mr. J.P.A. van Schaik),

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW) te Zoetermeer, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2017 heeft verweerder de apk-erkenning van APK station [verzoekster] (hierna: [verzoekster]) voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg ingetrokken (AWB 17/2888).

Bij besluit van 31 mei 2017 heeft verweerder de keuringsbevoegdheid van [verzoeker] voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg ingetrokken voor de duur van 6 maanden (AWB 17/2890).

Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2017. [verzoeker 2] en [verzoeker] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Groenewoud.

Overwegingen

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.

[verzoeker] en [verzoeker 2] vader en zoon, zijn vennoten van [verzoekster]. Op 23 mei 2017 heeft er in het bedrijf van verzoekers een steekproefherkeuring van een voertuig (hierna: de steekproef) plaatsgevonden door een steekproefcontroleur van de RDW, P. Schutte (hierna: de steekproefcontroleur). Op het moment dat de steekproef plaatsvond, waren in de werkplaats aanwezig de steekproefcontroleur, [verzoeker] (hierna: de keurmeester), zijn zoon, de eigenaar van de te keuren auto [naam] (hierna: [naam]), en een aantal andere klanten, namelijk [naam 2] (hierna: [naam 2]), [naam 3] (hierna: [naam 3]) en [naam 4] (hierna: [naam 4]).

Tijdens de steekproef vroeg de steekproefcontroleur op enig moment aan de keurmeester om tape weg te halen van een handremkabel van de auto van [naam]. De keurmeester deed dat. Volgens de steekproefcontroleur bleef er nog wat tape op de handremkabel achter. De eigenaar van de auto, [naam], gaf de keurmeester daarop zijn zakmes.

Verweerder heeft een schriftelijke verklaring van de steekproefcontroleur van 23 mei 2017 in het geding gebracht. Daaruit blijkt volgens verweerder wat er vervolgens gebeurde:

De steekproefcontroleur schrijft, voor zover hier van belang, dat hij en de keurmeester, nadat de keurmeester met het zakmesje de tape had verwijderd, zagen dat de buitenmantel van de kabel verpulverd was. Daarop begon de keurmeester naar hem te schreeuwen dat hij hem de kabel kapot had laten maken waarbij de keurmeester met het zakmes stekende bewegingen maakte naar zijn bovenlichaam en gezicht. Het mes ging meerdere keren rakelings voor hem langs op een afstand van nog geen 10 centimeter. Doordat hij dit als zeer bedreigend heeft ervaren heeft hij direct het pand verlaten, zo staat in de verklaring van de steekproefcontroleur.

Verweerder stelt dat uit deze verklaring van de steekproefcontroleur blijkt dat de keurmeester met een mes in zijn hand zwaaiende en stekende bewegingen heeft gemaakt richting de steekproefcontroleur, waarmee hij een zeer bedreigende situatie heeft gecreëerd.

Volgens verweerder betreft het hier ondermijning van het toezicht, zoals bedoeld in paragraaf 3.1.1 van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW van 1 april 2017, een overtreding van artikel 31, vijfde lid, en artikel 36, van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid apk. Dat is een overtreding in categorie IV die intrekking van erkenning en keuringsbevoegdheid voor de duur van zes maanden rechtvaardigt.

Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij stellen dat keurmeester niet met een mes in zijn hand zwaaiende en stekende bewegingen heeft gemaakt richting de steekproefcontroleur. De keurmeester heeft op geen enkel moment tijdens de steekproef een zeer bedreigende situatie gecreëerd, aldus verzoekers. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben verzoekers schriftelijke verklaringen van henzelf en van tijdens de steekproef aanwezige klanten in het geding gebracht.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat aan de inhoud van de verklaring van de steekproefcontroleur een sterke bewijskracht toekomt. In beginsel moet van de juistheid daarvan worden uitgegaan. De steekproefcontroleur heeft immers geen belang bij het afleggen van een valse verklaring. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:858. Uit deze uitspraak van de Afdeling volgt ook dat wanneer de verklaring van de steekproefcontroleur gemotiveerd is betwist en twijfel is gerezen omtrent het door de steekproefcontroleur gestelde, verweerder niet zonder meer van de juistheid van het rapport van de steekproefcontroleur mag uitgaan.

In de door verzoekers overgelegde getuigenverklaringen staat het volgende.

De keurmeester heeft, voor zover hier van belang, verklaard: “De eigenaar van de auto overhandigde mij een zakmesje en ik sneed een stukje van de buitenmantel (rubber) van de handremkabel af omdat de steekproefambtenaar dit als een stukje plakband zag en ik niet. Toen zei ik tegen de steekproefambtenaar: ‘Kijk wat je mij hebt laten doen, er zit toch geen plakband?’ Op dat moment wijs ik met het zakmesje in mijn hand richting de parkeerremkabel om hem duidelijk te maken, kijk wat je mij hebt laten doen. Vervolgens zegt hij tegen mij: ‘Haal de parkeerremkabel uit de haak’ Ik weigerde dit te doen en zei doet u dit maar zelf. (…) Nadat ik dit gezegd had overhandigd hij mij de looplamp [een soort zaklamp, voorzieningenrechter] en (…) antwoordde al weglopend: ‘Je hoort nog van ons’. Iedereen die in de garage erom heen stonden te kijken waren zeer verbaasd en begrepen niet waarom hij eigenlijk wegging. De sfeer in de garage was normaal en gezellig te noemen.

Zijn zoon en medevennoot heeft nagenoeg hetzelfde als zijn vader verklaard. [naam 2], zelf keurmeester en een vaste klant van [verzoekster], ook. In een nadere schriftelijke verklaring schrijft [naam 2] expliciet dat hij geen stekende bewegingen heeft waargenomen. De steekproefcontroleur is volgens [naam 2] niet bedreigd.

[naam], de eigenaar van de te herkeuren auto, schrijft in zijn verklaring van 26 mei 2017, voor zover hier van belang, het volgende: “Ik bevond mij naast de brug waarop het voertuig ter keuring stond. De sfeer was gemoedelijk. (…) Aangezien het hard rubber is, heb ik, op de vraag van de RDW keurmeester [de steekproefcontroleur, voorzieningenrechter] om een mesje, mijn zakmes overhandigd, waarop APK keurmeester [de keurmeester, voorzieningenrechter] het kleine snijmesje heeft uitgeklapt om het originele rubber te verwijderen. Hierop geeft RDW keurmeester te kennen ook het haakje van de handremkabel los te maken, zodat hij deze kabel heen en weer kan buigen om te kijken of deze niet is gebroken. Hierop heeft APK keurmeester zich omgedraaid en aangegeven dat bij een keuring gekeken wordt (…) en dat het niet de bedoeling is om originele delen te beschadigen/stuk te maken (...). APK keurmeester spreekt met enige stemverheffing en zwaait met zijn handen met mijn zakmesje in zijn hand om aan te wijzen wat hij bedoelt. Hierop komt de RDW keurmeester naar voren in de richting van de APK keurmeester en geeft de looplamp terug aan de APK keurmeester. (…) Hierop is de RDW keurmeester de garage uitgelopen en vertrokken.

In een aanvullende schriftelijke verklaring van 6 juni 2017 schrijft [naam], voor zover hier van belang: “Heden is de heer [verzoeker] bij mij langsgekomen voor een tweede verklaring (…) Ik hoorde van hem dat hij beschuldigd werd van bedreiging, intimidatie en zwaaien met een mesje richting de RDW steekproefambtenaar. Bij deze wil ik benadrukken dat van stekende beweging, intimidatie en bedreiging geen enkele sprake was. Ik stond schuin naast de Apk keurmeester (…) en heb alles van dichtbij gezien en meegemaakt.”

[naam 3], aanwezig omdat zij een afspraak wilde maken om haar auto te laten keuren, schrijft in haar verklaring van 25 mei 2017, voor zover hier van belang, het volgende: “De keurmeester sneed zoals aangegeven was door de ambtenaar het stukje tape weg. Daarop zag hij dat de mantel van de kabel per ongeluk was doorgesneden. Waarop de keurmeester tegen de ambtenaar zei: ‘kijk wat je mij hebt laten doen’ wijzende naar de kabel. De ambtenaar antwoordde met: ‘haal het uit de haak’. De keurmeester zei: ‘doe dit zelf maar’. De ambtenaar gaf de handzaklamp terug, waarop de keurmeester zei: ‘wat krijgen we nou’. De ambtenaar zei: ‘je hoort van ons’ en liep weg.

Ik was verbaasd, omdat er geen enkele aanleiding dat de ambtenaar zo weg moest lopen. Er was absoluut geen sprake van een grimmige sfeer.

[naam 4], aanwezig om haar auto te laten keuren, schrijft in haar verklaring van 27 mei 2017, voor zover hier van belang, het volgende: “De keurmeester nam het zakmesje aan en probeerde iets af te snijden. (…) De keurmeester zei tegen de steekproefman, kijk wat je mij hebt laten doen. Ik zag dat de steekproefman een zaklamp terug gaf en toen wegliep. De keurmeester zei: Wat krijgen we nou, waarop de steekproefman zei: je hoort van ons en liep weg. Ik vond dit heel raar want ik zag niet in waarom hij zomaar wegliep.

De voorzieningenrechter overweegt dat aan de verklaringen van verzoekers geen doorslaggevende betekenis toekomt, gelet op hun belang bij de uitkomst van de zaak. Ook aan de verklaringen van [naam 2] kent de voorzieningenrechter minder gewicht toe dan verzoekers dat doen, omdat verzoekers tijdens de zitting hebben verklaard dat [naam 2] een eigen bedrijf heeft dat op regelmatige basis apk-keuringen bij hen laat verrichten.

Twee andere klanten, [naam 3] en [naam 4], hebben echter ook verklaard verbaasd te zijn dat de steekproefcontroleur ‘zomaar’ wegliep. Van een grimmige sfeer was volgens hen geen sprake.

De getuige die tijdens de steekproef het dichtst bij de keurmeester en de steekproefcontroleur stond, te weten [naam], heeft bovendien expliciet verklaard dat van intimidatie, bedreiging en stekende bewegingen met het zakmes geen sprake was.

Daar komt bij dat uit de door verzoekers ter zitting aan de hand van drie foto’s gegeven, en door verweerder niet bestreden, situatieschets van de steekproef volgt dat de steekproefcontroleur tijdens het relevante onderdeel van de steekproef op enige afstand van de keurmeester stond. De keurmeester stond onder de auto, de steekproefcontroleur ernaast. Tussen de steekproefcontroleur en de keurmeester bevond zich op schouderhoogte een ijzeren dwarsbalk, een onderdeel van de hefbrug.

Dat [naam 3] verklaart ‘Waarop de keurmeester tegen de ambtenaar zei: ‘kijk wat je mij hebt laten doen’ wijzende naar de kabel’, en [naam] verklaart ‘APK keurmeester spreekt met enige stemverheffing en zwaait met zijn handen met mijn zakmesje in zijn hand om aan te wijzen wat hij bedoelt’, vormt dat tegen de achtergrond van deze situatieschets een bevestiging van de verklaring van de keurmeester dat hij met zijn hand (met daarin het zakmes) een beweging heeft gemaakt in de richting van de handremkabel van de auto boven hem en niet in de richting van de steekproefcontroleur naast hem, zoals de steekproefcontroleur in zijn verklaring schrijft. De steekproefcontroleur is bovendien de enige die verklaart dat de keurmeester stekende bewegingen richting zijn bovenlijf en gezicht maakte waarbij het mes meerdere keren rakelings voor hem langs ging op een afstand van nog geen 10 centimeter. Geen van de getuigen heeft dit waargenomen.

Het komt de voorzieningenrechter voor dat verweerders feitenonderzoek op dit moment niet volledig is geweest. Zo heeft de steekproefcontroleur (nog) niet, mondeling of schriftelijk, gereageerd op de door verzoekers overgelegde getuigenverklaringen. De steekproefcontroleur is tot op heden (nog) niet gevraagd om (ook) een situatieschets te geven of te reageren op de door verzoekers gegeven situatieschets. Verweerder heeft zelf tot op heden geen getuigen gehoord. Of verweerder tot nader onderzoek zal overgaan en wat de uitkomst van dit eventuele nader onderzoek zal zijn, is op dit moment onzeker.

De voorzieningenrechter concludeert dat er bij deze stand van zaken een redelijke kans bestaat dat in bezwaar zal worden geconcludeerd dat verzoekers met het overleggen van de schriftelijke getuigenverklaringen en de ter zitting gegeven situatieschets de verklaring van de steekproefcontroleur gemotiveerd hebben betwist. Dan doet zich de situatie voor dat twijfel is gerezen omtrent het door de steekproefcontroleur gestelde en mag verweerder niet zonder meer van de juistheid van het rapport van de steekproefcontroleur uitgaan. In dat geval kunnen de besluiten niet in stand blijven.

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken dus toe en treft de voorlopige voorziening dat de bestreden besluiten van 31 mei 2017 worden geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe;

schorst de bestreden besluiten tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 990;

gelast dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht groot € 333 en 168, in totaal

€ 501, aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.G.J. Litjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage.

Artikel 87 Wegenverkeerswet 1994

1. De Dienst Wegverkeer trekt een erkenning in, indien degene aan wie die erkenning is verleend, daarom verzoekt.

2 De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend:

a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde eisen,

b. in strijd met de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, of de regels, bedoeld in artikel 76, derde lid, een keuringsbewijs afgeeft voor een motorrijtuig of een aanhangwagen,

c. een keuringsrapport afgeeft voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor de erkenning niet geldt,

d. de verplichting, vervat in artikel 85, 86, zesde lid, 90, vierde lid, of 91, vierde lid, niet nakomt,

e. weigert een keuringsbewijs af te geven voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor de erkenning geldt, hoewel dat voertuig bij een keuring, verricht met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 76, derde lid, voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, of

f. handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

3 De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, d en f, een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.

4 De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van een erkenning van maximaal 30 maanden.

Artikel 31, vijfde lid, van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK.

Aan een steekproef wordt alle medewerking verleend en de terzake door de Dienst Wegverkeer gegeven aanwijzingen worden in acht genomen. Onder alle medewerking wordt in ieder geval verstaan dat:

a. bij uitsluiting de keurmeester die het voertuig aan een keuring heeft onderworpen, aanwezig is vanaf het moment dat de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan en zelf feitelijke assistentie verleent bij het uitvoeren van de steekproef;

b. indien de keuring verricht is door een mobiele keuringseenheid tevens het voertuig, van waaruit door de mobiele keuringseenheid de keuringen zijn verricht, bij de steekproef aanwezig is;

c. het voertuig niet uit de keuringsplaats wordt verwijderd gedurende de steekproef;

d. de desbetreffende ruimte en apparatuur gedurende de steekproef beschikbaar worden gesteld.

Artikel 36 van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK.

Onverminderd het bepaalde in artikel 31, wordt in het kader van het toezicht alle medewerking aan de daartoe aangewezen functionarissen van de Dienst Wegverkeer verleend. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

a. het verlenen van toegang tot de keuringsplaats, inrichting of mobiele keuringseenheid;

b. het verstrekken van inlichtingen;

c. het overleggen van bescheiden;

d. het gebruik maken van de benodigde apparatuur;

e. het in acht nemen van door de betreffende functionaris van de Dienst Wegverkeer aangegeven aanwijzingen.

Verweerder heeft zich in zijn besluiten mede gebaseerd op het Algemeen Deel Toezichtbrief Erkenninghouders RDW 2017 en de Bijlage APK Keurmeester 2017.

Volgens paragraaf 3.1.1 van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW van 1 april 2017 is ondermijning van het toezicht, zoals verbaal en/of fysiek geweld of dreiging daarmee en intimidatie, een voorbeeld van een categorie IV overtreding die leidt tot een intrekking voor onbepaalde tijd van de erkenning.

Volgens paragraaf 3.4 van de Bijlage APK Keurmeester 2017 is dit gedrag een categorie IV overtreding en volgt een intrekking van de keuringsbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.